1 Samuël 24:17-23
I. Hier is Sauls boetvaardig antwoord op Davids rede. Het was vreemd dat hij geduld had om hem ten einde toe aan te horen, in aanmerking genomen hoe verwoed hij op hem was, en hoe snijdend Davids rede was, maar God hield hem en zijn mannen onder bedwang, en wij kunnen onderstellen dat Saul getroffen was van verbazing over het zonderlinge van het geval, en nog veel meer, toen hij bevond hoezeer hij in Davids macht is geweest. Zijn hart zou harder hebben moeten zijn dan een steen, als dit hem niet had getroffen.
1. Hij was bewogen tot tranen toe, en wij willen niet onderstellen dat zij geveinsd weren, maar de werkelijke tolken waren van wet erbij hem omging, toen hij zijn ongerechtigheid inzag, die hem zo duidelijk voor ogen was gesteld. Hij spreekt alsof hij geheel overweldigd is door Davids goedheid: Is dit uw stem, mijn zoon David?
En als iemand, die ontroerd wordt bij de gedachte aan zijn eigen dwaasheid en ondankbaarheid: Toen hief Saul zijn stem op en weende, vers 17.
Velen treuren om hun zonden, die er zich toch niet in waarheid van bekeren, er bitterlijk om wenen, en er toch in liefde aan blijven verbonden.
2. Openhartig erkent hij Davids oprechtheid en zijn eigen ongerechtigheid, vers 18.
Gij zijt rechtvaardiger dan ik. Nu heeft God aan David het woord vervuld, waarop Hij hem heeft doen hopen, dat Hij "uw gerechtigheid zal doen voortkomen als het licht", Psalm 37:6. Zij, die er voor zorgen een goede consciëntie te bewaren, kunnen het aan God overlaten om dit bekend te doen worden.
Deze oprechte bekentenis volstond om Davids onschuld te bewijzen, (zijn vijand zelf rechter zijnde) maar volstond niet om Saul als een oprecht berouwhebbende te doen kennen. Hij had moeten zeggen: Gij zijt rechtvaardig, maar ik ben goddeloos, maar het uiterste, waartoe hij kan komen, is: Gij zijt rechtvaardiger dan ik. Maar gewoonlijk komen slechte mensen nooit verder dan dit in hun belijdenis, zij willen wel erkennen dat zij niet zo goed zijn als sommige anderen, er zijn er wel, die beter en rechtvaardiger zijn dan zij. Nu erkent hij in dwaling te zijn omtrent David vers 19 : En gij hebt mij heden aangewezen, dat gij mij goed gedaan hebt.
Wij zijn al te zeer geneigd van anderen te denken dat zij ons slechter gezind zijn dan zij zijn, en dan zij misschien bewezen worden te zijn, en als wij later onze vergissing ontdekken, dan moeten wij, evenals Saul hier, ons haasten om onze verdenking ongegrond te verklaren.
3. Hij bidt God David te belonen voor deze edelmoedige vriendelijkheid jegens hem. Hij erkent dat David, door hem te sparen toen hij hem in zijn macht had, een buitengewoon en ongeëvenaard voorbeeld heeft gegeven van zachtmoedigheid jegens een vijand, niemand zou hetzelfde gedaan hebben, en daarom, hetzij dat hij zich onmachtig gevoelde zo groot een gunst naar waarde te belonen, of omdat hij niet geneigd was zelf hem te belonen, verwijst hij hem naar God voor zijn loon: De HEERE nu vergelde u het goede, voor dezen dag, vers 20. Arme bedelaars kunnen niet minder doen dan bidden voor hun weldoeners, en Saul heeft niet meer gedaan.
4. Hij voorzegt zijn bevordering tot de troon, vers 21. En nu, zie, ik weet, dat gij voorzeker koning worden zult.
Hij wist het tevoren door hetgeen Samuël gezegd had, te vergelijken met de voortreffelijken geest, die hij in David zag, hetgeen zijn zonde van hem te vervolgen grotelijks verzwaarde, hij had evenveel reden om van David te zeggen, als David had om van hem te zeggen: Hoe zou ik mijn hand uitsteken tegen de gezalfde des HEEREN.
Maar nu wist hij het doordat hij zag welke invloed David had op het volk, door Gods bijzondere bescherming over hem, en door de grootmoedigen, koninklijken geest, waarvan hij blijk heeft gegeven door zijn vijand te sparen.
Nu wist hij het, dat is: nu hij in een goede gemoedsstemming was, wilde hij erkennen dat hij het wist, en er zich aan onderwerpen. Vroeg of laat zal God hen zelfs, die van de synagoge van Satan zijn, noodzaken hen te erkennen, die Hij heeft liefgehad, en te aanbidden voor hun voeten, want aldus is het beloofd, Openbaring 3:9.
Deze erkenning, die Saul deed van Davids onbetwistbaar recht op de kroon, was een grote bemoediging voor David zelf, en een steun voor zijn geloof en zijn hoop.
5. Hij verbindt David met een eed, om later dezelfde zachtmoedigheid te betonen jegens zijn zaad en zijn naam, als hij nu betoond heeft jegens zijn persoon, vers 22.
David had meer reden om Saul door een eed te verbinden, dat hij hem niet zou verderven, maar hij doet dit niet, (indien de wetten van gerechtigheid en eer hem niet binden, dan zal een eed het ook niet) maar Saul wist dat David een nauwgezet man was, en hij dus zijn belangen vellig weet, als hij ze verzekerd ziet door een eed.
Door zijn ongehoorzaamheid had Saul zijn eigen ziel in het verderf gestort, en nooit heeft hij door berouw en bekering dat verderf zoeken te voorkomen, en toch is hij zeer bezorgd voor zijn naam, dat die niet uitgedelgd, en voorzijn zaad, dat het niet uitgeroeid zal worden. Hoe dit zij: Toen zwoer David aan Saul, vers 23.
Hoewel hij in verzoeking kon zijn om, niet slechts uit wraak maar uit voorzichtigheid, Sauls geslacht uit te roeien, verbindt hij zich toch het niet te doen, wetende dat God aan hem en de zijnen het koninkrijk kan en zal bevestigen zonder gebruik te maken van zulk een bloedige methode.
Deze eed heeft hij later nauwgezet gehouden, hij ondersteunde Mefiboseth, en liet hen als verraders ter dood brengen, die Isboseth hebben omgebracht. Het hangen van onderscheidene leden van Sauls nageslacht om verzoening te doen over het verderf van de Gibeonieten, was Gods gebod, niet Davids daad, en was dus ook geen schenden van zijn eed.
II. Hun scheiden van elkaar in vrede. 1. Voor het ogenblik gaf Saul de vervolging op, hij ging naar huis, overtuigd, maar niet bekeerd, beschaamd over zijn afgunst van David, maar die wortel van de bitterheid toch in zijn hart behoudende, geërgerd dat hij, eindelijk David gevonden hebbende, het toch niet van zich kon verkrijgen hem te doden, zoals hij voorgenomen had. God heeft velerlei middelen om de handen van de vervolgers te binden, als Hij hun hart niet bekeert.
2. David bleef zorgdragen voor zijn eigen veiligheid, hij kende Saul te goed om hem te vertrouwen: maar David en zijn mannen gingen op in de vestingen.
Het is gevaarlijk om zich aan de genade van een verzoenden vijand toe te vertrouwen. Wij lezen van degenen, die in Christus geloofden, maar aan wie Hij zichzelf toch niet betrouwde, omdat Hij hen allen kende.
Zij, die als David onschuldig zijn als de duiven, moeten ook als hij voorzichtig zijn als de slangen.