20. En Achaz ontsliep 1) met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen,2) zij het ook niet in de graven van de koningen, die met David in een en hetzelfde graf kwamen, dan toch bij Asa, Joram en Uzzia (
1 Koningen 2:10), en dus in de stad van David te Jeruzalem (
2 Kronieken 28:27), en Hizkia, zijn zoon, werd koning in zijn plaats ( 18:1-20:21
1) Achaz ontsliep in het midden van zijn jaren in het 36ste jaar van zijn leven. Kennelijk raapt de Heere hem zo spoedig weg, opdat er voor Juda nog betere dagen zouden aanbreken en de tijd van de ondergang van dit Rijk niet zou worden verhaast..
2) De regering van koning Achaz was de ongelukkigste, die in Juda tot dusver geweest was; onder haar zonk het rijk innerlijk en uiterlijk, in staatkundig zowel als in godsdienstig opzicht zo diep, dat het zijn ondergang nabij was. Nog nooit had zo'n onbekwaam regent de troon bestegen. Zwakheid van geest zowel als van karakter was de grondtrek van zijn gehele wezen. De geschiedenis vermeldt van hem dan ook niets merkwaardigs. Andere koningen waren nog moedige soldaten, maar ook dit kan van Achaz niet gezegd worden. Bij het naderen van de vijanden "bewoog zich zijn hart, zoals de bomen van het woud bewogen worden door de wind" (Jesaja 7:2); geen profetisch woord van belofte en bemoediging vermocht hem zijn moedeloosheid te ontnemen; hij werd steeds geslagen, geen enkele zegepraal bevocht hij; al de veroveringen van zijn beide voorgangers gingen verloren, het land werd verwoest en van al zijn hulpbronnen beroofd; eindelijk wendt hij zich in zijn nood, ondanks alle waarschuwingen, tot het dreigende Assyrië, wiens hulp hij zich niet alleen met de schatten uit tempel en paleis koopt, maar tevens met de zelfstandigheid en eer van het rijk, en zoals het bij alle zwakke regenten het geval pleegt te zijn, hij kruipt voor de machtigere, terwijl hij tegen zijn onderdanen zich heerszuchtig en aanmatigend gedraagt. Ten opzichte van zijn verhouding tot de HEERE, was zijn afval groter dan die van enige andere koning in Juda, ja zelfs in Israël. In een tijd van groot zedenbederf, van weelderigheid, zwelgerij, dronkenschap, hoogmoed, leugen en bedrog, godverzaking, ongerechtigheid, onderdrukking enz. (Jesaja 5:8-25; 2:6-8) was de jeugdige Achaz opgegroeid, zo'n lucht had hij van zijn jeugd af ingeademd. Hij was terecht een kind van zijn tijd, de getrouwe vertegenwoordiger van de volksmeerderheid, die door vreemde, heidense denkwijze verdorven was; zo, van het begin af zwak en zonder beginselen, liet hij zich voortdurend door de stroom meevoeren, en verzonk hij steeds dieper in een verkeerd leven, zodat zelfs de zware oordelen, die hem troffen, niet meer in staat waren hem op andere wegen te brengen..