2 Koningen 13:20-25
Wij moeten ons nu wenden naar:
I. Het graf van Elisa. Hij stierf in goede ouderdom, en zij begroeven hem, en wat hier nu volgt toont aan:
1. Welk een macht er was in zijn leven om oordelen af te wenden, want terstond na zijn dood kwamen benden van Moabieten in het land vallen, geen grote legers om hen op het slagveld tegen te treden, maar plunderende, sluipende benden, die bij verrassing roofden en moordden. God heeft velerlei middelen om een tergend volk te kastijden. De koning duchtte alleen gevaar van de zijde van de Syriërs, maar zie, de Moabieten doen invallen in zijn land. Last en moeite komen soms van die zijde vanwaar wij ze het minst verwachtten. De vermelding hiervan terstond na de dood van Elisa geeft te kennen, dat de wegneming van Gods getrouwe profeten een voorbode is van komende oordelen. Als gezanten teruggeroepen worden, dan kan men de komst van herauten verwachten.
2. Welke macht er was in zijn dood lichaam het deelde leven mee aan een ander dood lichaam, vers 21. Dit grote wonder, hoewel zeer beknopt meegedeeld, was een afdoend bewijs van zijn zending, en een bevestiging van al zijn profetieën. Het was ook een duidelijke aanwijzing van een leven na dit leven. Toen Elisa gestorven was, was er geen einde aan hem, want dan zou hij dit niet hebben kunnen doen. Uit werking kunnen wij bestaan afleiden. Hieruit bleek, dat de Heere nog de God was van Elisa, en daarom leefde Elisa nog, want Hij is "niet de God van de doden, maar van de levenden." En het kan ook misschien zien op Christus, door wiens dood en begrafenis het graf voor alle gelovigen tot een veilige en gelukkige doortocht naar het leven is gemaakt. Het gaf ook te kennen dat Elisa wel was gestorven, maar dat in de kracht van de beloften door hem gedaan, Israëls belangen, ofschoon zij nu geheel vergeten en verloren schijnen, herleven en opnieuw bloeien zullen. Het dode lichaam van een man werd door zijn naburen ten grave gebracht, toen zij op enige afstand van de plaats, waar het begraven zou worden, een troep Moabieten zagen aankomen, en vrezende in hun handen te vallen, legden zij het lijk in het naastbijzijnde graf, hetwelk het graf van Elisa bleek te zijn. Op de aanraking van zijn gebeente herleefde de dode, stond op, en ging waarschijnlijk naar huis naar zijn vrienden. Josefus verhaalt deze geschiedenis anders, en wel op de volgende manier: "Dieven hadden een eerzaam reiziger beroofd en vermoord, en zijn dood lichaam in Elisa's graf geworpen, waarop het terstond herleefde." Elia werd geëerd bij zijn heengaan, Elisa werd geëerd na zijn heengaan. God gaf aldus eer naar het Hem behaagde, maar op de een of andere wijze zal de rust van al de heiligen heerlijk zijn, Jesaja 11:10. Het is goed nabij de heiligen te zijn, ons deel met hen te hebben in het leven en in de dood.
II. Acht geven op het zwaard van Joas, koning van Israël, en wij zien het voorspoedig tegen de Syriërs.
1. De reden van zijn voorspoed was Gods gunst vers 23. De Heere was hun genadig, en ontfermde zich over hun in hun ellende, en wendde zich tot hen. De verschillende uitdrukkingen hier gebruikt, die dezelfde betekenis hebben, roepen ons om de triomfen van de Goddelijke goedheid op te merken in de verlossing van zo'n hardnekkig volk, en ze te bewonderen. Het was de goedertierenheid des Heeren, dat zij niet vernield waren, omdat Hij hen nog niet wilde verderven. Hij voorzag dat zij zich ten slotte zelf zullen verderven, maar thans wilde Hij hun nog uitstel verlenen, hun nog tijd geven tot berouw en bekering. Het langzame van Gods handelingen tegen de zondaren moet verklaard worden tot eer van Zijn genade maar niet tot beschuldiging van Zijn gerechtigheid.
2. De uitwerking van deze voorspoed was weldadig voor Israël. Hij nam uit de handen van Benhadad de steden Israëls, die de Syriërs in bezit hadden vers 25. Dit was een ware weldaad voor die steden zelf, die hierdoor verlost werden van het juk van de verdrukking, evenals voor geheel het koninkrijk, dat zeer versterkt werd door de terugbrenging van die steden. Driemaal heeft Joas de Syriërs geslagen, juist zoveel maal als hij de pijlen tegen de grond had geslagen, en toen hielden zijn overwinningen op. Velen hebben berouw gehad van hun wantrouwen, en van hun nauw zijn in hun begeerten, toen het te laat was.