2 Koningen 3:1-5
Joram, de zoon van Achab, en broeder van Ahazia, is hier op de troon van Israël, en hoewel hij een slecht man was, worden hier toch twee goede dingen van hem vermeld.
1. Dat hij de afgoden van zijn vader wegdeed. In vele dingen deed hij kwaad, maar niet gelijk zijn vader Achab, of zijn moeder Izebel, vers 2. Slecht was hij, maar niet zó slecht, niet "al te goddeloos," zoals Salomo het uitdrukt Prediker 7:17. Misschien heeft Josafat, hoewel hij door zijn verbintenis met het huis van Achab zijn eigen familie slechter heeft gemaakt, iets gedaan om die van Achab beter maken. Joram zag zijn vader en zijn broeder uitgeroeid wegens hun aanbidding van Baäl, en liet zich door Gods oordelen over hen wijselijk waarschuwen, hij deed het beeld van Baäl weg, besluitende alleen de God Israëls te aanbidden, en geen anderen dan Zijn profeten te raadplegen. Zover was dit nu heel goed, maar het heeft toch het verderf over Achabs huis niet afgewend, ja meer, dat verderf kwam in zijn dagen, en trof hem persoonlijk, Hoofdstuk 9:24, hoewel hij één van de besten was van dat geslacht, want toen was de mate van deszelfs ongerechtigheid vol geworden. Jorams reformatie betekende zeer weinig, want:
a. Hij deed slechts het beeld van Baäl weg, dat zijn vader gemaakt had, waarschijnlijk om Josafat te gerieven die anders in geen verbond met hem had willen treden evenmin als met zijn broeder, 1 Koningen 22:50. Maar hij heeft de Baälsdienst onder het volk niet vernietigd, want Jehu vond hem nog overheersend, Hoofdstuk 10:19. Het was goed een reformatie in te voeren in zijn familie maar het was niet genoeg, hij had zijn macht behoren te gebruiken om zijn rijk te hervormen.
b. Hij deed het beeld van Baäl weg, maar de kalverendienst hield hij in stand, de kalverendienst, de staatkundige zonde van Jerobeam, vers 3. Hij week daarvan niet af, omdat dit de staatsmachine was, waardoor de verdeling van Israël in twee rijken bestendigd moest worden. Het is geen oprechte, Gode welbehaaglijke bekering, of reformatie, als men slechts de zonden opgeeft, waardoor men iets verliest, maar de zonden aanhoudt, die gewin opleveren.
c. Hij heeft het beeld van Baäl slechts weggedaan, het niet verbroken en vermorzeld, zoals hij had moeten doen. Hij heeft het voor het ogenblik ter zijde gelegd, niet wetende, of hij het later niet nog eens nodig kon hebben, en, om redenen van staat, heeft Izebel er in berust om haar Baäl in het geheim, binnenshuis te aanbidden.
2. Dat hij deed wat hij kon om van zijn broeders verliezen te herwinnen. Gelijk hij iets meer van de Godsdienst van een Israëliet had dan zijn vader, zo had hij ook iets meer van de geest, de gezindheid, eens konings dan zijn broeder. Onmiddellijk na de dood van zijn vader heeft Moab tegen Israël gerebelleerd, Hoofdstuk 1:1 En wij bevinden niet dat Ahazia een enkele poging heeft gedaan om de Moabieten tenonder te brengen, lafhartig heeft hij zijn belang opgegeven, veeleer dan zich aan de kansen van een oorlog met hen te wagen. Zijn dwaasheid en kleinmoedigheid hierin, en zijn onverschilligheid voor het algemene welzijn waren zoveel erger, omdat de schatting, die de koning van Moab betaalde, een zeer aanzienlijk deel uitmaakte van de inkomsten van de kroon van Israël. Honderd duizend lammeren en honderd duizend rammen met de wol, vers 4. De rijkdom van de koningen bestond toen meer in vee dan in geld, en zij achtten het niet beneden hun waardigheid, om het aangezicht van hun schapen te kennen, want Salomo zegt: "de kroon zal niet van geslacht tot geslacht zijn," Spreuken 27:23, 24. Belastingen werden toen betaald, niet zozeer in geld als wel in de voortbrengselen van het land, hetgeen gerieflijk was voor de onderdaan, hetzij dan al of niet voordelig voor de vorst. De afval van Moab was een groot verlies voor Israël, maar Ahazia hield zijn gemak. Maar een opperzaal in zijn huis bleek even noodlottig voor hem als de hoogten van het veld geweest konden zijn, Hoofdstuk 1:2, en het breken van de tralie bracht een man op zijn troon, die van werkzamer aard was en de heerschappij over Moab niet wilde verliezen, zonder een poging te wagen om haar te behouden.