1 Samuël 9:11-17
I. Op een gewone vraag wordt Saul naar Samuël verwezen, vers 11, 14.. Gibea Sauls lag nog geen zeven uren van Rama, waar Samuël woonde, en dicht bij Mizpa, waar hij dikwijls Israël gericht heeft, en toch schijnt Saul zo in afzondering geleefd te hebben en zo weinig kennis genomen te hebben van de publieke zaken, dat hij Samuël nooit had gezien, want toen hij hem ontmoette, vers 18, kende hij hem niet, zodat er geen reden was om te vermoeden, dat er een geheime afspraak of overeenkomst tussen hen bestond omtrent deze zaak. "Ik kende Hem niet", zegt Johannes de Doper van Christus, Johannes 1:31.
Maar ik acht niet dat het tot lof is van Saul, dat hij een vreemdeling was voor Samuël. Maar de dienstmaagden van Rama, die zij ontmoetten aan de plaats, waar water geput moest worden, konden hem en zijn dienaar inlichtingen geven omtrent Samuël, en zij waren zeer nauwkeurig in haar aanwijzingen, vers 12, 13. Wij moeten altijd bereid zijn alle hulp die wij kunnen, te geven aan hen, die naar Gods profeten vragen en hen terechthelpen naar hen.
Zelfs de dienstmaagden konden hun zeggen:
1. Dat er op die dag een offer zou wezen op de hoogte, daar het òf een gewone feestdag was, of een buitengewone dag van gebed en dankzegging, waarmee offers gepaard gingen. Daar de tabernakel van de ark beroofd was had het altaar de vroegeren roem niet meer, en zij waren er ook niet aan gebonden, zoals zij er aan gebonden zullen zijn, als God wederom een plaats zal hebben verkoren, om er Zijn naam te doen wonen, daarom was het hun nu vergund aan andere plaatsen te offeren. Samuël had een altaar gebouwd te Rama, Hoofdstuk 7:17, en hier zien wij hem gebruikmaken van dit altaar.
2. Dat Samuël die dag in de stad kwam, hetzij terugkomende van zijn rondreis of van zijn landhuis. Hij was zo'n openbaar persoon, dat zijn gaan en komen algemeen bekend waren.
3. Dat dit juist het uur was, waarop zij bijeenkwamen om de offermaaltijd te eten voor het aangezicht des HEEREN, gij zult hem nu op de straat vinden, opgaande naar de hoogte." Zij kenden het uur van de plechtigen offermaaltijd.
4. Dat het volk niet zou eten voordat Samuël kwam, niet alleen omdat hij de waardigste persoon was, en zij daarom beleefdheidshalve op hem moesten wachten en hij, naar sommigen denken, dat feestmaal aangericht had, daar het offer op zijn kosten gebracht was, en om zijnentwil, maar ook, omdat hij als een man Gods het offer moest zegenen, wie ook de aanlegger was van de offermaaltijd, dat is: die delen van het offer, die hun ten feestmaal waren, en beschouwd kunnen worden:
a. Als een gewone maaltijd, en zo is dit dan een voorbeeld van de grote plicht om een zegen te vragen over onze spijze eer wij haar nuttigen. Wij kunnen zonder die zegen geen nuttigheid verwachten van ons voedsel, en wij hebben geen reden om die zegen te verwachten zo wij er niet om bidden. Aldus moeten wij aan God eer geven als onze weldoener, onze afhankelijkheid van Hem erkennen en onze verplichtingen aan Hem. Of: b. Als een Godsdienstige bijeenkomst. Als het offer geofferd was, wat de plechtigheid was, heeft Samuël het gezegend, dat is: er dankzegging voor gedaan, en er geestelijke offeranden mee opgezonden, en dat was de substantie, het wezen en als dan die heilige plichten vervuld waren, dan aten zij. Eerst moet de ziel bediend worden. Daar de offermaaltijd een heilige plechtigheid was, moest hij op bijzondere wijze gezegend worden, zoals het Christelijk heilig Avondmaal.
Zij aten deze offermaaltijd ten teken van hun verzoening met God krachtens het offer, en hun delen in de weldaden er van. En Samuël zegende het, dat is: hij bad God om de plechtigheid te eren met Zijn bijzondere tegenwoordigheid, opdat zij aan het grote doel er van zou beantwoorden.
Bisschop Hall merkt op, welk een bijzonder bericht deze dienstmaagden konden geven van de gebruiken bij deze heilige feestmaaltijden, en leidt er uit af, dat waar praktijk en voorbeeld van Godsvrucht bestaat onder de hogere standen, er een terugkaatsing van zal zijn onder de lagere."
Het is geen gering voorrecht om te wonen in plaatsen waar de Godsdienst in ere is en Godsvrucht wordt beoefend, en wij zullen zeer te laken zijn indien al het goede naast ons nedervalt, zonder dat wij er ons voordeel mee doen.
Saul en zijn dienaar volgden de hun gegeven aanwijzingen en ontmoetten Samuël zeer te rechter tijd toen hij opging naar de hoogte, de synagoge van de stad, vers 14.
Dit scheen zuiver toevallig, maar Gods voorzienigheid heeft het zo beschikt ter bevordering van de grote gebeurtenis. De alwijze God brengt grote en gewisse doeleinden tot stand door zeer kleine en schijnbaar toevallige zaken. Geen musje valt ter aarde zonder onze Vader.
II. Door een buitengewone openbaring ontvangt Samuël inlichtingen omtrent Saul. Hij was een ziener, en daarom moest hij in deze zaak zien op een wijze, die hem bijzonder eigen was.
1. God had hem de vorigen dag gezegd: Morgen omtrent deze tijd zal Ik tot u zenden een man, die het volk van Israël tot zo'n koning zal dienen, als zij begeerden te hebben, zoals al de volken, vers 15, 16.
Hij had het voor Samuëls oor geopenbaard, dat is in het verborgen, door een stille toefluistering in zijn ziel, of misschien in het suizen van een zachte stilte een zacht, lieflijk geluid gebracht tot zijn oor, waarschijnlijk toen hij in het verborgen bad om leiding in deze en andere zaken van het volk.
Samuël had voor de oren des HEEREN gesproken, Hoofdstuk 8:21, en nu had God voor Samuëls oor gesproken ten teken van vriendschap en gemeenzaamheid, want "Hij openbaart Zijn verborgenheid aan Zijn knechten de profeten", als geheimen in hun oor, Amos 3:7.
God zei het hem tevoren, opdat het geen verrassing voor hem zijn zou, en misschien was het in de verwachting hiervan, dat hij het offer en de offermaaltijd bereid heeft, teneinde Gods zegen af te smeken over deze grote en belangrijke zaak, hoewel hij de bijzondere aanleiding er toe voor zich kon houden, daar God het slechts voor zijn oor had geopenbaard. De Hebreeuwse uitdrukking luidt: Hij ontdekte het oor van Samuël, dat is deed er het deksel van af, waarop sommigen zinspelen, ter verklaring van de wijze, waarop God zich aan ons openbaart Hij spreekt niet slechts, maar ontdekt ons oor doet ons oor open. Van nature hebben wij een deksel op onze oren, zodat wij niet letten op wat God zegt, het niet bespeuren, Job 33:14 , maar als God zich aan een ziel wil openbaren, dan ontdekt Hij het oor en zegt: Effatha word geopend, Hij neemt het deksel van het hart weg, 2 Corinthiers 3:16.
Hoewel God in misnoegen hun verzoek had toegestaan om een koning, spreekt Hij hier toch met tedere liefde van Israël, want zelfs in toorn gedenkt Hij des ontfermens.
a. Telkens en nogmaals noemt Hij hen Mijn volk, hoewel het een weerstrevend hardnekkig volk is, is het toch nog Mijn volk.
b. Hij zendt hun een man om hun ten voorganger te zijn, opdat zij niet een lichaam zouden wezen zonder hoofd en om hen te verlossen uit der Filistijnen hand wat wellicht meer was dan velen hunner op het oog hadden in hun begeren van een koning.
c. Hij doet het met een genadig achtgeven op hen en op hun geroep: Ik heb Mijn volk aangezien, dewijl zijn geroep tot Mij gekomen is. Hij gaf hun wat waar zij om riepen, zoals de tedere moeder toegeeft aan het ondeugende kind, opdat het zijn hart niet zal breken.
En hoewel Hij hun geroep niet wilde verhoren, zegt bisschop Patrick, om hen te verlossen van de verdrukking hunner koningen, Hoofdstuk 8:18, was Hij toch zo genadig, dat Hij die koningen tot werktuigen maakte om hen te verlossen van de verdrukking hunner naburen, wat meer was dan zij reden hadden te verwachten.
2. Toen Saul tot hem kwam op straat, fluisterde God wederom Samuël in het oor, vers 17. Zie, dit is de man, van welke Ik u gezegd heb: deze zal over Mijn volk heersen. Saul, een man zijnde van ongewone statuur, is het natuurlijk te denken, dat Samuël van verre zijn oog op hem gevestigd had, en misschien zag hij hem te ernstiger aan, omdat het nu de ure was, wanneer God hem de man zou zenden die koning over Israël zou zijn, en dacht hij dat deze het wel kon wezen, maar opdat hij er ten volle van overtuigd zou zijn, zei God hem uitdrukkelijk: Dat is de man, die over Mijn volk heersen zal.