1 Samuël 6:1-9
De eerste woorden van dit hoofdstuk zeggen ons hoelang de gevangenschap van de ark heeft geduurd-zij was zeven maanden in het land van de Filistijnen, in het veld van de Filistijnen luidt het oorspronkelijke, waaruit sommigen afleiden dat zij, na het met haar in al hun steden beproefd te hebben, en haar overal een plaag te hebben bevonden voor de inwoners, haar eindelijk in het open veld zonden, waarop muizen in groten getale uit de grond kwamen, het koren, dat nu bijna rijp was, vernielden en het land verdierven. Met dat oordeel werden zij geplaagd, vers 5, en toch wordt dit niet in het vorige hoofdstuk vermeld, en zo heeft God hun doen weten, dat waar zij ook de ark heenvoerden, zij haar een vloek voor zich zouden bevinden, zolang zij gevangen was. "Vervloekt zult gij zijn in de stad, en vervloekt zult gij zijn in het veld", Deuteronomium 28:16. Maar de meesten achten dat de betekenis is, zoals wij het overzetten: het land van de Filistijnen.
1. Zeven maanden was Israël gestraft met de afwezigheid de. ark, het bijzonder teken van Gods tegenwoordigheid. Hoe kaal en ledig was de tabernakel zonder haar! Hoe was de heilige stad nu een verwoesting, en het heilige land een wildernis! Een treurige tijd was het ongetwijfeld voor de Godvruchtigen onder hen, inzonderheid voor Samuël, maar zij konden zich hiermede troosten, gelijk wij er ons in dezelfde benauwdheid, als wij beroofd zijn van het genot van de openbare inzettingen, mee kunnen troosten dat, waar de ark ook moge wezen, de Heere in het paleis van Zijn heiligheid is, des Heeren troon in de hemel is, en door geloof en gebed kunnen wij daar met vrijmoedigheid tot Hem gaan. Wij kunnen God nabij ons hebben, al is de ark ook ver van ons.
2. Zeven maanden waren de Filistijnen gestraft met de tegenwoordigheid van de ark, zolang was zij hun een plaag, omdat zij haar niet eerder terugzonden. De zondaren verlengen zelf hun ellende door hardnekkig te weigeren om van hun zonden te scheiden. De plagen van Egypte zouden niet tot tien zijn opgeklommen, indien Farao zijn hart niet had verhard, dat hij het volk niet liet trekken.
Eindelijk wordt nu echter bepaald, dat de ark teruggezonden zou worden, het is niet te verhelpen, het is met hen gedaan zo zij haar terughouden. De priesters en de waarzeggers worden er over geraadpleegd, vers 2. Zij werden ondersteld het best bekend te zijn zowel met de regelen van de wijsheid, als met de plechtigheden van aanbidding en verzoening. En daar de Israëlieten hun naburen waren en boven alle andere volken vermaard waren om de inzettingen van hun Godsdienst, hebben zij ongetwijfeld de nieuwsgierigheid gehad, om zich bekend te maken met hun wetten en gebruiken en daarom was het gepast hun te vragen. Wat zullen wij met de ark van Jehovah doen? Alle volken hebben acht geslagen op hun priesters, als de mannen, wier lippen wetenschap bewaren. Hadden de Filistijnen waarzeggers? Wij hebben leraren, aan wie wij behoren te vragen: Waarmee zullen wij de HEERE tegenkomen en ons buigen voor de hoge God?
II. Zij geven hun raad zeer uitvoerig en volledig, en schijnen er eenstemmig van gevoelen in geweest te zijn. Het was vreemd dat zij, als vrienden van hun vaderland, die raad niet "ex officio, officieel", hebben gegeven eer hun er nog om gevraagd was.
1. Zij zeggen zo beslist mogelijk, dat het volstrekt noodzakelijk is de ark terug te zender, en voeren er het voorbeeld voor aan van Farao en de Egyptenaren, vers 6. Sommigen waren er misschien afkerig van om toe te geven, zich te onderwerpen, zullen het liever nog wat willen uithouden met de ark, en het is tot deze dat zij zich wenden: Waarom toch zoudt gijlieden uw hart verzwaren gelijk de Egyptenaars en Farao hun hart verzwaard hebben? Zij schijnen zo wèl bekend te zijn geweest met de Mozaïsche geschiedenis, dat zij er voorbeelden uit konden aanhalen. Dit goede gebruik behoren wij te maken van hetgeen in de geschiedenis vermeld is van Gods oordelen over verharde zondaars, wij moeten er ons door laten waarschuwen om ons hart niet te verharden, zoals zij het hun verhard hebben. Het is veel goedkoper om uit anderer ervaring te leren dan uit onze eigene. De Egyptenaren waren ten laatste gedwongen Israël te laten gaan, zo laat dan de Filistijnen bijtijds toegeven en de ark laten gaan.
2. Hun raad, om als zij haar terugzonden er een schuldoffer mee te zenden, vers 3. Wat de goden van andere volken ook mochten zijn, zij wisten dat de God Israëls een ijverig God is, en hoe streng Hij is in Zijn eis van schuldoffers en zondoffers van Zijn eigen volk, en bevindende hoe euvel Hij de belediging opnam van Zijn ark gevangen te houden, moeten zij, met wie Hij deze twist had, Hem ganselijk een schuldoffer vergelden, op geen andere voorwaarde moeten zij genezing verwachten. De beledigde gerechtigheid eist voldoening, inzover heeft het natuurlijke licht de mensen onderwezen, maar toen zij begonnen te bedenken, waarin die voldoening moest bestaan, zijn zij allerongelukkigst verijdeld geworden in hun overleggingen. "Maar zij, die door moedwillige zonde de waarheid in ongerechtigheid te onderhouden, dat is gevangen houden" -zo als de Filistijnen de ark Romeinen 1:18, kunnen tot het besluit komen dat er geen vrede kan zijn met Hem, die zij aldus beledigd hebben, dan door een schuldoffer, en wij kennen er slechts een, dat de zonde wegneemt.
3. Zij verklaren dat dit schuldoffer de erkenning moet wezen van de straf hunner ongerechtigheid, waarover zij zich schamen als overwonnen, en dat zij schuldig zijn voor God, dat zij de God Israëls de eer moeten geven als hun machtige overwinnaar en rechtvaardige wreker, vers 5.. Zij moeten beeltenissen maken van de spenen, dat is van de gezwellen en zweren waarmee zij geplaagd waren, zodat zij door hun eigen daad de schande van deze smadelijke ziekte hebben vereeuwigd, Psalm 78:66, en ook beelden van de muizen, die het land verdierven, hiermede de almachtige kracht erkennende van de God Israëls, die hen kon kastijden en vernederen, zelfs ten dage van hun triomf en zelfs door zulke kleine verachtelijke dieren. Deze beelden moeten gemaakt worden van goud, het kostbaarste van de metalen, om te kennen te geven dat zij tot elken prijs vrede wensten te hebben met de God Israëls, en die niet te duur gekocht zouden achten met goud, ja met veel fijn goud. De gouden spenen moeten vijf in getal zijn, naar het getal hunner vorsten, die er waarschijnlijk allen mee bezocht waren, en het aldus wilden erkennen. Ook de gouden muizen moesten vijf in getal zijn, daar echter het gehele land er mee geplaagd was, schijnt het dat zij bij nader bedenken er meer van gezonden hebben, en wel naar het getal aller steden van de Filistijnen, van de vaste steden af tot aan de landvlekken, vers 18. Hun priesters herinneren hun dat enerlei plaag over hen allen was, zij konden elkaar niet laken of beschuldigen, want allen waren zij schuldig, hetgeen hun duidelijk aangezegd was doordat zij allen geplaagd waren. Hun voorstel om een schuldoffer te brengen voor hun zonde, was genoegzaam in overeenstemming met de Goddelijke openbaring in die tijd, maar zulke dingen als schuldoffers te zenden was er zeer vreemd aan, en toonde hoe grof onwetend zij waren omtrent de methode van verzoening in de wet van Mozes, want daarin blijkt steeds dat het bloed is, en geen goud, waardoor verzoening geschiedt voor de ziel.
4. Zij moedigen hen aan om te hopen dat dit een krachtig en afdoend middel zal wezen om van de plaag te worden verlost, dan zult gij genezen worden, vers 3. Want het schijnt dat de ziekte hardnekkig weerstand bood aan alle methodes van genezing, die door hun artsen waren voorgeschreven. "Laat hen daarom de ark terugzenden, en dan", zeggen zij, "zal ulieden bekend worden waarom Zijn hand niet van u afwijkt, dat is: hieruit zal blijken of het is wegens uw terughouden van de ark, dat gij aldus geplaagd wordt, want indien dit zo is, dan zal na uw teruggave er van de plaag ophouden." God heeft soms Zijn volk zo'n proef doen nemen, of hun bekering niet hun verlichting zal zijn: "Beproeft Mij nu daarin, zegt de Heere van de heirscharen", Maleachi 3:10, Haggai 2:19. Maar zij spreken twijfelachtig, vers 5, misschien zal Hij Zijn hand verlichten van over ulieden, alsof zij nu begonnen te denken dat het oordeel van de hand Gods kon komen, maar toch niet onmiddellijk na de teruggave van de ark opgeheven zou kunnen worden, maar dat dit toch de beste manier was om genade te verkrijgen. Neem de oorzaak weg, en het gevolg, de uitwerking, zal ophouden.
5. Maar zij geven hun nog een ander middel aan de hand om de proef te doen, of het al of niet de hand was van de God Israëls, die hen met deze plagen had geslagen. Zij moeten, ter ere van de ark, haar op een nieuwen wagen zetten, welke getrokken moet worden door twee zogende koeien, welke kalveren hadden, nog dagelijks aan ze zuigende, de koeien moesten aan geen juk gewoon zijn, vers 7, geneigd om naar huis terug te gaan, beide om de wille van de kribbe, waaraan zij gevoederd werden, en van de kalveren, die zij zoogden. Zij moeten daarenboven geheel onbekend zijn met de weg die naar het land Israëls voert, er moet niemand wezen die ze leidt of bestuurt, maar zij moeten zelf de weg kiezen die, naar men alle reden had te verwachten, de weg zou wezen die naar huis leidt. Tenzij nu de God Israëls, na al de wonderen die Hij heeft gewrocht, ook nog dit wonder doet, en door een onzichtbare macht deze koeien, tegen haar natuurlijk instinct en neiging, naar het land Israëls, en inzonderheid naar Beth-Semes, leidt, zullen zij hun eerste mening opgeven, en geloven dat het niet de hand Gods was die hen sloeg, maar dat het hun een toeval is geweest, vers 8, 9. Aldus heeft God zich, na op andere wijze door deze onbesneden Filistijnen beledigd te zijn, zich door hen laten verzoeken en de wet voorschrijven. Zouden zij er genoegen mee genomen hebben dat de eer van Dagon, hun god, van zo iets afhankelijk gesteld zou worden? Zie hoe gaarne slechte mensen hun overtuiging, dat de hand Gods over hen is, van zich af willen schuiven, en geloven als zij in benauwdheid zijn, dat het hun een toeval is, en dan heeft de roede ook geen stem, waarop zij acht behoeven te geven.