1 Samuël 6:10-18
Hier wordt ons meegedeeld:
I. Hoe de Filistijnen de ark wegzonden, vers 10, 11. Zij waren even verheugd om er van te scheiden, als zij ooit geweest zijn om haar te nemen, gelijk God Israël uit het diensthuis heeft gevoerd, zo heeft Hij nu de ark uit haar gevangenschap verlost, op zo'n wijze dat Egypte blijde was, als zij uittrokken, Psalm 105:38.
1. Zij ontvingen geen geld of prijs tot haar rantsoen, zoals zij gehoopt hadden, ja meer dan een koningsrantsoen voor haar te zullen ontvangen. Aldus is geprofeteerd van Cyrus Jesaja 45:13, hij "zal Mijne gevangenen loslaten, niet voor prijs noch voor geschenk". Ja meer.
2. Zij gaven gouden kleinodiën, zoals de Egyptenaren aan de Israëlieten, om haar maar kwijt te zijn. Zo is de ark, die in het land van de Filistijnen gebracht werd als een trofee van hun overwinning, teruggebracht met haar eigen trofeeën, als eeuwige gedenktekenen van de schande van de Filistijnen. God zal tenslotte door de voorspoed van de vijanden van de kerk tegen Zijn ark niets verliezen van Zijn eer maar zich eer en heerlijkheid verwerven van hen, die Hem zoeken te onteren.
II. Hoe de koeien haar naar het land Israëls brachten, vers 12. Zij gingen recht in die weg, op de weg naar Beth-Semes, de naastbijliggende stad van het land Israëls, en een priesterstad, zij weken noch ter rechter noch ter linkerhand. Dit was een bewonderenswaardig voorbeeld van Gods macht over het redeloze vee en, alles in aanmerking genomen, niets minder dan een wonder. Dat vee, hetwelk nog niet aan het juk gewend was, zo gelijkmatig voortging, dat het zonder een voerman naar huis zou gaan, voor hetwelk tam vee steeds een neiging heeft, dat koeien zich verwijderen zouden van de kalveren, waarvoor zij een natuurlijke genegenheid hebben, dat zij zonder voerman regelrecht naar Beth-semes zouden gaan, een stad op drie of vier uren afstands, nooit van de weg zouden afdwalen, nooit zich ter zijde zouden afwenden naar het veld om er te grazen, noch terug zouden gaan om er de kalveren te zogen, de koeien gingen voort al loeiende om haar jongen, waaruit bleek dat zij ze niet hadden vergeten, maar dat de natuur het verdriet gevoelde van van ze weg te gaan, dus bleek de macht van de God van de natuur zoveel sterker in het beheersen van dit zo krachtig instinct van de natuur. Deze twee koeien, zegt Dr. Lightfoot, kenden haar bezitter, haar groten Bezitter, Jesaja 1, 3, die Hofni en Pinehas niet kenden, waar ik kan bijvoegen: zij brachten de ark terug, om de stompzinnigheid te beschamen van Israël, dat geen poging deed om haar terug te halen. Gods voorzienigheid is bekend met de bewegingen zelfs van redeloze dieren en doet ze dienen tot haar doeleinden. De vorsten van de Filistijnen-met een gepast gevolg ongetwijfeld gingen haar na, zich verwonderende over de macht van de God Israëls, en zo zijn zij, die over de ark dachten te triomferen, haar als dienaren achterna gegaan.
III. Hoe zij in het land Israëls verwelkomd werd. Die van Beth-Semes maaiden de tarweoogst, vers 13. Zij gingen voort met hun wereldlijke zaken, en waren in geen zorg over de ark, vroegen niet wat er van haar was geworden. Indien zij er wèl naar gevraagd hadden, zij zouden bericht gehad kunnen hebben van haar komst en haar tegemoet zijn gegaan om haar naar hun land te voeren. Maar zij waren even onverschillig als de lieden, die in hun gewelfde huizen woonden en het huis des Heeren woest lieten liggen. God zal op Zijn eigen tijd de verlossing van Zijn kerk werken, niet slechts hoewel zij bestreden wordt door haar vijanden, maar ook hoewel zij veronachtzaamd wordt door haar vrienden. Sommigen merken op dat de terugkerende ark de mannen van Beth-Semes niet lui of ledig vond in de straten van de stad, maar druk aan de arbeid, maaiende hun koren in het veld, aldus werd de tijding van Christus' geboorte gebracht aan de herders in het veld, die de nachtwacht hielden over hun kudde. De duivel bezoekt luie mensen met zijn verzoekingen, God bezoekt arbeidzame mensen met Zijn gunsten.
Dezelfde onzichtbare hand, die de koeien leidde naar het land Israëls, bracht ze op de akker van Jozua, en op die akker bleven zij staan, sommigen denken, om de wille van de eigenaar, aan wien, daar hij een zeer Godvruchtig man was, God-naar zij onderstellen, deze eer wilde bewijzen. Ik geloof veeleer, dat het was om de wille van de groten steen die op die akker lag, waarop de ark gerieflijk geplaatst kon worden, en waarvan gesproken wordt in vers 14, 15, 18.
1. Toen de maaiers de ark zagen, verblijdden zij zich, vers 13, hun vreugde daarover was groter dan die over hun oogst, en daarom lieten zij hun arbeid staan, om haar welkom te heten.
Toen de Heere de gevangenschap van zijn ark wendde, toen waren zij "gelijk degenen, die dromen, toen werd hun mond vervuld met lachen", Psalm 126:1, 2. Zij hadden geen ijver genoeg om een poging te doen ten einde haar uit de gevangenschap te bevrijden, of om haar te lossen, maar toen zij kwam, hebben zij haar welkom geheten. De terugkomst van de ark en de herstelling van de heilige inzettingen na dagen van belemmering en benauwdheid kan niet anders dan stof van grote blijdschap bieden aan ieder waar Israëliet.
2. Zij offerden de koeien ten brandoffer tot eer van God, en gebruikten daarvoor het hout van de wagen tot brandstof, vers 14 , waarschijnlijk hebben de Filistijnen ze gezonden met de bedoeling, dat zij een deel zouden uitmaken van hun schuldoffer, om verzoening voor hen te doen, vers 3, 7. De mannen van Beth-Semes achtten dat dit een goed gebruik er van was daar het niet geoorloofd zou zijn ze ooit tot een ander doel te gebruiken, nooit zal die wagen iets gewoons vervoeren, die eenmaal het heilig symbool van de Goddelijke tegenwoordigheid vervoerd heeft, en de koeien waren onder zo onmiddellijke leiding des hemels geweest, dat God ze, als het ware, reeds voor zich had opgeëist, zij waren Zijn dienaressen, en daarom moeten zij Hem geofferd worden, en ongetwijfeld waren zij Hem als offer welbehaaglijk, of schoon zij wijfjes waren, daar striks genomen, voor alle brandoffers mannetjes gebruikt moesten worden.
3. Zij zetten de ark en het koffertje met de kleinodiën, dat de Filistijnen hadden gezonden op de groten steen in het open veld, een koud verblijf voor de ark des Heeren, en ook een zeer gering, zeer nederig verblijf, maar toch was zij beter daar dan in Dagons tempel of in de handen van de Filistijnen. Het is wenselijk de ark in haar woning te zien, omgeven van alle pracht en plechtigheid, maar het is beter haar te hebben op een steen en in het open veld, dan haar in het geheel niet te hebben. De eigene innerlijke majesteit van de verordineerde inzettingen moeten niet verkleind of verminderd worden in onze ogen door de geringheid, het armelijke, van de plaats waar zij bediend worden. Gelijk men in het verbranden van de wagen en de koeien, die haar terugbrachten, de betekenis kan zien van hun hoop, dat zij nooit weer weggevoerd zal worden uit het land Israëls, zo kan het stellen van haar op een groten steen hun hoop aanduiden, dat zij weer op een vast fondament gevestigd zal worden. De kerk is gebouwd op een Rotssteen. 4. Zij offerden de offeranden van de dankzegging aan God, sommigen denken dat zij het deden op de grote steen, maar het is meer waarschijnlijk, dat zij het deden op een aarden altaar dat voor dit doel werd opgericht, vers 15. En daar dit een buitengewoon geval was, achtte men er zich vrijgesteld voor van de wet, die het offeren voorschreef op het altaar in de voorhof van de tabernakel, te meer wijl Silo nu toch ontbloot was, God zelf had die plaats verlaten, en de ark, die haar voornaamste roem en heerlijkheid was, hadden zij nu hierbij zich. Hoewel Beth-Semes in het erfdeel van Dan lag, behoorde het toch aan Juda, zodat dit komen van de ark daar ter plaatse, schijnbaar toevallig, een aanduiding was, dat zij naar de bedoeling Gods in die stam na verloop van tijd gevestigd zou blijven, want toen God "de tent van Jozef verwierp, verkoos Hij de stam van Juda", Psalm 78:67, 68.. Het was een van de steden, die uit het erfdeel van Juda aan de kinderen Aarons waren toegewezen, Jozua 21:16. Waar zou de ark anders heengaan dan naar een priesterstad? En het was goed dat zij sommigen van die gewijde orde gereed hadden, (want hoewel zij hier Levieten genoemd worden, vers 15, schijnen zij toch priesters geweest te zijn) zowel om de ark van de wagen af te nemen, als om offeranden te offeren.
5. De vorsten van de Filistijnen keerden terug naar Ekron, zeer getroffen naar wij kunnen denken- door hetgeen zij van de heerlijkheid Gods hadden gezien en van de ijver van de Israëlieten zonder daarom van hun aanbidding van begon terug te komen, want zelden "heeft een volk de goden veranderd, hoewel dezelve geen goden zijn", Jeremia 2:11..
Hoewel zij niet anders kunnen dan de God Israëls verheerlijkt te achten in heiligheid, en vreeslijk in lofzangen, zijn zij toch besloten om Baäl-Zebub, de god van Ekron, tenminste even groot te achten als Hem, en hem zullen zij aankleven, omdat hij de hun is.
Eindelijk, Er wordt nota genomen van het bestaan blijven van de grote steen aan dezelfde plaats, hij is daar tot op deze dag, vers 18,, omdat hij er was als een blijvend gedenkteken van deze grote gebeurtenis, en tot bevestiging diende van de overgeleverde geschiedenis, die tot het nageslacht is gekomen. "Dit is de steen", zullen de vaders zeggen aan de kinderen, "op welke de ark Gods gezet werd, toen zij uit de handen van de Filistijnen is gekomen, een zaak om nooit te worden vergeten."