1 Samuël 30:1-6
I. Hier is de aanval, die de Amalekieten in Davids afwezigheid gedaan hadden op Ziklag, en de verwoestingen, die zij er hebben aangericht. Zij overvielen de stad, toen zij onbewaakt was, plunderden haar, verbrandden haar en voerden al de vrouwen en kinderen gevankelijk weg, vers 1, 2.
Zij bedoelden hiermede wraak te oefenen over een gelijke verwoesting door David onlangs aangericht in hun land Hoofdstuk 27:8. Hij, die zich zoveel vijanden heeft gemaakt, had zijn eigen belangen niet zo bloot en weerloos moeten achterlaten.
Zij, die zich verstouten anderen aan te vallen, moeten verwachten op hun beurt door anderen aangevallen te worden, en daarnaar hun maatregelen nemen. Merk hier nu in op:
1. De wreedheid van Sauls barmhartigheid in het sparen van de Amalekieten. Indien hij hen ten enenmale had verdelgd, zoals het zijn plicht was, er zouden nu geen meer in wezen zijn geweest om dit kwaad te bedrijven.
2. Hoe David gestraft werd voor zijn ijver om met de Filistijnen op te trekken tegen Israël. God toonde hem dat hij beter had gedaan met thuis te blijven en zijn eigen zaken te behartigen.
Als wij uitgaan in de weg van de plicht, dan kunnen wij ons troosten met de hoop dat God gedurende onze afwezigheid zorg zal dragen voor ons gezin, maar anders ook niet.
3. Hoe wonderbaarlijk God het hart van deze Amalekieten heeft geneigd om de vrouwen en kinderen gevankelijk weg te voeren, maar hen niet te doden. Toen David hen aanviel, heeft hij alles over de kling gejaagd, Hoofdstuk 27:9 en er kan geen andere reden opgegeven worden, waarom zij geen weerwraak hebben genomen op deze stad, dan dat God er hen van weerhouden heeft, want Hij heeft alle harten in Zijn hand, en zegt tot de wreedste mensen in hun grootste woede: Tot hiertoe zult gij komen en niet verder.
Of zij hen spaarden om een zegetocht met hen te doen, of hen te verkopen, of als slaven te gebruiken, Gods hand moet erkend worden, die bedoelde gebruik te maken van de Amalekieten tot kastijding, niet tot verdelging van het huis van David.
II. De verwarring en verbijstering, waarin David en zijn mannen waren, toen zij hun huizen in as gelegd vonden, en hun vrouwen en kinderen gevankelijk weggevoerd.
Drie dagmarsen hadden zij af te leggen om van het legerkamp van de Filistijnen te Ziklag te komen, en nu waren zij er vermoeid aangekomen, maar hoopten rust te zullen vinden in hun huizen en vreugde in hun gezin, doch een somber treurig toneel opent zich voor hun ogen, vers 3 Toen hief David en het volk, dat bij hem was, hun stem op, en weenden, tot dat er geen kracht meer in hen was om te wenen. vers 4.
Dat er melding wordt gemaakt van Davids vrouwen, Ahinoam en Abigail, en dat zij gevankelijk waren weggevoerd, geeft te kennen, dat dit hem meer de iets anders ter harte ging. Het is ook voor de moedigsten en dappersten geen verkleining om de rampen te bewenen, waardoor bloedverwanten en vrienden getroffen werden.
Merk op:
1. Deze ramp kwam toen zij afwezig waren. Het was de aloude staatkunde van Amalek, om van Israëls ongunstige omstandigheden gebruik te maken, om hen te overvallen.
2. Zij trof hen bij hun terugkomst, en voorzoveel blijkt, hebben hun eigen ogen er hun het eerst bericht van gegeven. Als wij uitgaan, kunnen wij niet voorzien welke boze tijdingen wij bij onze terugkomst zullen ontvangen. Het uitgaan kan vrolijk zijn geweest terwijl het thuiskomen zeer treurig zal zijn.
"Beroem u niet over den dag van morgen, en ook niet over vanavond of vannacht, want gij weet niet wat de dag, of een gedeelte van de dag zal baren", Spreuken 27:1.
Als wij van een reis terugkomen, en wij vinden onze tent in vrede en niet verwoest, zoals David hier de zijne vond, dan moet de Heere er voor gedankt worden.
III. De muiterij en murmurering van Davids mannen tegen hem, vers 6. Het werd David zeer bang, want temidden van al zijn verliezen sprak het volk van hem te stenigen.
1. Omdat zij hem beschouwden als de oorzaak van hun rampen doordat hij de Amalekieten was aangevallen, wat hen tot weerwraak had geprikkeld, en door zijn onvoorzichtigheid om Ziklag zonder garnizoen te laten.
Zo spoedig zijn wij geneigd om, als wij in moeilijkheid zijn, in toorn uit te varen tegen hen, die ons op de een of andere wijze de moeilijkheid veroorzaakt hebben, terwijl wij Gods voorzienigheid voorbijzien, geen acht slaan op de werkingen van Gods hand er in, als wij daar wel acht op sloegen, dan zou dit onze hartstochten tot zwijgen brengen en ons geduldig maken.
2. Omdat zij nu begonnen te wanhopen aan de bevordering, die zij zich met David te volgen beloofd hadden. Zij hadden reeds gehoopt dat zij allen vorsten zouden worden, en nu vinden zij zich tot de bedelstaf gebracht, dit was hun zo'n teleurstelling, dat zij buiten zichzelf geraakten van toorn en het leven bedreigden van hem, van wie zij, onder God, het meest afhankelijk waren.
Tot welke ongerijmdheden zullen ongebreidelde hartstochten de mensen niet doen komen! Dit was een zware beproeving voor de man naar Gods hart, die hem wel zeer diep en smartelijk moest treffen.
Saul had hem het land uitgedreven, de Filistijnen hadden hem uit hun leger verdreven de Amalekieten hadden zijn stad geplunderd, zijn vrouwen waren gevangen genomen, en om nu zijn ellende nog te vergroten, hebben zijn eigen gemeenzame vrienden, die hij vertrouwd, beschermd en beschut had, en die zijn brood aten, inplaats van hem medegevoel te betonen en hem hulp te bieden, de verzenen tegen hem verheven, en gedreigd hem te stenigen. Een groot geloof moet verwachten aldus beproefd en geoefend te worden. Maar het is opmerkelijk dat David even vóór zijn troonsbeklimming in die uitersten nood was gekomen, op het eigen ogenblik misschien toen de slag werd toegebracht, die hem de deur opende voor zijn bevordering. De zaken zijn soms op het ergst voor Gods volk en kerk juist op het ogenblik als er een keer ten goede komt.
IV. Davids Godvruchtig steunen op Gods voorzienigheid en genade in deze benauwdheid: doch David sterkte zich in de Heere zijn God.
1. Zijn mannen kwelden zich om hun verlies, de zielen van het ganse volk waren verbitterd, de ziel van het volk was bitter, zo luidt het oorspronkelijke, hun eigen ontevredenheid en hun ongeduld deden gal en alsem toe aan hun beproeving en ellende, en maakten ze dubbel smartelijk.
Maar David droeg het leed op betere wijze, hoewel hij meer reden had dan iemand hunner om de ramp te betreuren, zij vierden de teugel aan hun hartstochten, maar hij bracht zijn genade in werking, en door zich te sterken in God, heeft hij, terwijl zij elkaar mismoedig maakten, zijn geest kalm en bezadigd gehouden. Of:
2. Davids taal stelde zich tegenover de dreigende woorden, die zijn mannen tegen hem spraken. Zij spraken van hem te stenigen, maar hij, niet pogende de belediging te wreken, noch verschrikt zijnde door hun dreigementen, sterkte zich in den HEERE, zijn God, geloofde en erkende met toepassing op zijn tegenwoordigen toestand, de macht en de voorzienigheid van God, Zijn gerechtigheid en goedheid, de methode, die Hij gewoonlijk aanwendt om eerst naar de diepte te brengen, en dan op te heffen, Zijn zorg over Zijn volk, dat Hem dient en op Hem betrouwt, en de bijzondere beloften, die Hij hem gedaan heeft van hem vellig op de troon te brengen.
Met deze overwegingen steunde hij zich, niet twijfelende, of zijn tegenwoordige moeilijkheid zou een goed einde nemen. Zij, die de Heere tot hun God hebben aangenomen, kunnen ook in de zwaarste tijden moed ontlenen aan hun betrekking tot Hem. Het is de plicht en het belang van alle Godvruchtigen, om, wat er ook gebeure, zich te versterken in God als hun Heere en hun God zich er verzekerd van houdende, dat Hij licht uit de duisternis, vrede uit beroering en goed uit kwaad kan en zal doen voortkomen voor allen, die Hem liefhebben, en naar Zijn voornemen geroepen zijn. Romeinen 8:28.
Dit was Davids gewoonte, en hij had er de vertroosting van-Ten dage als ik zal vrezen, zal ik op U vertrouwen. Als hij ten einde raad was, dan was hij niet aan het einde van zijn geloof.