1 Samuël 21:1-9
I. In zijn verlegenheid begeeft David zich naar de tabernakel Gods, die nu opgericht is te Nob, naar men meent een stad in de stam van Benjamin. Sedert Silo verlaten werd, is de tabernakel dikwijls in een andere plaats overgebracht, hoewel de ark nog altijd te Kirjath-Jearim was.
Hier kwam David in zijn vlucht voor Sauls woede, vers I, en wendde zich tot Achimelech, de priester. Samuël, de profeet, kon hem niet beschermen, Jonathan, de prins, evenmin, daarom neemt hij nu zijn toevlucht tot Achimelech, de priester. Hij voorziet dat hij nu een balling moet wezen, en daarom komt hij tot de tabernakel:
1. Om er een aandoenlijk afscheid van te nemen, want hij weet niet wanneer hij hem weer zal zien, en niets zal hem een grotere beproeving zijn in zijn ballingschap, dan verwijderd te zijn van het huis Gods en de openbaren eredienst niet te kunnen bijwonen, zoals blijkt in vele van zijn psalmen. Hij had hartelijk afscheid genomen van zijn vriend Jonathan, en nu kan hij niet verder gaan eer hij evenzo afscheid heeft genomen van de tabernakel.
2. Om aldaar de mond des Heeren te vragen, en te bidden dat Hij hem leiden zal beide in de weg des plichts en van de veiligheid, daar de toestand, waarin hij zich bevindt, beide moeilijk en gevaarlijk is.
Dat dit de bedoeling was van zijn komst blijkt uit Hoofdstuk 22:10,, waar gezegd wordt dat Achimelech de HEERE voor hem vraagde, zoals hij vroeger gedaan had, vers 15.
In de dag van de benauwdheid is het een grote troost voor ons, dat wij een God hebben, tot wie wij ons kunnen begeven, en voor wie wij onze zaak kunnen blootleggen, en van wie wij raad en leiding kunnen vragen en verwachten.
II. Achimelech, de priester, is verwonderd hem zonder gevolg te zien, gehoord hebbende dat hij aan het hof in ongenade was gevallen, zag hij hem met argwaan aan, zoals de meesten hun vrienden aanzien, als zij bij de wereld in ongunst zijn.
Hij was bevreesd zich Sauls ongenoegen op de hals te halen, zo hij hem gastvrij ontving, en hij gaf acht op het geringe van zijn uiterlijk voorkomen in vergelijking met zijn statig optreden van vroeger.
Waarom zijt gij alleen? Er waren sommige personen bij hem, zoals blijkt uit Markus 2:26, maar het waren slechts zijn eigen dienaren, hij had geen van de hovelingen bij zich, geen personen van rang of aanzien, zoals hij op andere tijden placht te hebben, als hij kwam om de mond des Heeren te vragen.
In Psalm 42:5 zegt hij, dat hij met de schare placht heen te treden naar Gods huis, en nu slechts twee of drie bij zich hebbende, mocht Achimelech wel vragen: Waarom zijt gij alleen?
Hij, die plotseling van de eenzaamheid van het herdersleven onder het gedrang en gewoel van een legerkamp is gekomen, is nu teruggebracht tot de verlaten toestand van een balling, en hij is eenzaam als een mus op het dak. Zulke wisselvalligheden zijn er in deze wereld, en zo onzeker is haar gunst en vriendelijkheid! Zij, die heden gevleid en gezocht worden, kunnen morgen van ieder verlaten zijn.
III. Onder voorwendsel van door Saul op de dienst des lands te zijn uitgezonden, verzoekt hij Achimelech om in zijn ogenblikkelijke behoeften te voorzien, vers 2, 3.
Hier gedroeg David zich niet naar zijn beginselen, hij zei een grove onwaarheid aan Achimelech, dat Saul hem een geheime boodschap had opgedragen, dat zijn gevolg naar een andere plaats was bescheiden, dat hem de striktste geheim houding was bevolen, en dat hij daarom zelfs met de priester er niet over durfde spreken. Het was van het begin tot het einde een leugen. Wat zullen wij hiervan zeggen?
De Schrift verbergt haar niet, en wij durven haar niet rechtvaardigen, het was een slechte daad en zij bleek slechte gevolgen te hebben, want zij veroorzaakte de dood van de priesters des Heeren, zoals David er later met smart van gezegd heeft, Hoofdstuk 22:22.
Het was niet nodig dat hij aldus bij de priester zou veinzen, want wij mogen onderstellen dat hij, zo hij hem de waarheid had gezegd, hem even geredelijk beschut en geholpen zou hebben als Samuël hem beschut en geholpen heeft, beter instaat zou zijn geweest hem raad te geven en de mond des Heeren voor hem te vragen. De mensen behoren openhartig te zijn bij hun getrouwe leraren.
David was een man van groot geloof en groten moed, maar nu hebben beide geloof en moed hem begeven, en zo is hij door vrees en lafhartigheid diep: gevallen, en deze vrees en lafhartigheid werden veroorzaakt door de zwakheid van zijn geloof.
Had hij behoorlijk op God vertrouwd, hij zou zich niet van zo'n ellendig, zondig hulpmiddel bediend hebben tot zijn beveiliging. Het is geschreven, niet tot onze navolging, neen, zelfs niet in de grootste benauwdheid, maar tot onze waarschuwing. "Wie meent te staan, zie toe dat hij niet valle," en laat ons allen dagelijks bidden: "HEERE, leid ons niet in verzoeking". Laat het ons een aanleiding zijn om:
1. De zwakheid te betreuren van Godvruchtige mensen, aan deze zijde des hemels zijn ook de besten nog niet volmaakt. Er kan ware genade aanwezig zijn, waar toch ook nog vele tekortkomingen zijn.
2. Te treuren over de slechtheid van de tijden waardoor Godvruchtige mensen in zulke moeilijkheden en benauwdheid geraken, als die blijken verzoekingen te zijn, die hun te sterk worden. Verdrukking maakt dat een verstandig man dwaselijk handelt.
Om twee dingen verzocht David Achimelech: brood en een zwaard
A. Hij verlangde vijf broden, vers 3. Het reizen was lastig in die tijd, toen de mensen gewoonlijk hun mondbehoeften meenamen, daar zij weinig geld hadden en er geen herbergen waren, want anders zou David nu om geen brood hebben behoeven te vragen.
Het schijnt dat David het zaad van de rechtvaardige wel nu en dan zoekende brood gezien heeft, maar niet voortdurend, Psalm 37:25. Nu zei de priester: a. Dat hij geen ander dan heilig brood voorhanden had, namelijk de toonbroden, die gedurende een week op de gouden tafel in het heiligdom hadden gelegen, en dan weggenomen werden ten gebruike van de priesters en hun gezin, vers 4.
Het schijnt dat de priesters niet goed huis hielden, maar of geen hart hadden dat tot gastvrijheid was gezind, of liever dat zij gebrek hadden aan hetgeen nodig was om gastvrij te kunnen zijn. Achimelech denkt dat de jonge mannen, die bij David waren, niet van dit brood mochten eten, tenzij zij zich gedurende enigen tijd van vrouwen hadden onthouden, zelfs van hun eigen vrouwen, dit werd geëist bij de wetgeving, Exodus 19:15, maar anders bevinden wij niet dat dit tot een zaak van ceremoniële reinheid aan de ene kant of van verontreiniging is gemaakt aan de anderen kant. En daarom schijnt de priester hier al te nauwgezet, om niet te zeggen overprecies.
b. David zegt dat het hem en degenen, die met hem zijn, in dit geval van noodzakelijkheid geoorloofd is van het heilige brood te eten, want zij konden niet slechts voldoen aan zijn voorwaarde door zich gedurende de drie laatste dagen van vrouwen te hebben onthouden, maar dat de vaten, dat is: de lichamen, der jongelingen zijn heilig, 1 Thessalonicenzen 4:4, 5, en dat daarom God bijzonder voor hen zou zorgdragen, dat hun het nodige niet ontbrak om het leven te onderhouden, en dat Hij wilde dat ook Zijn priester die zorg zou betonen.
En aldus heilig zijnde, waren hun ook geen heilige dingen verboden. Arme en Godvruchtige Israëlieten waren in werkelijkheid priesters voor God, en mochten, veeleer de te verhongeren, eten van het brood, dat voor de priesters was afgezonderd. Gelovigen zijn geestelijke priesters, en de offeranden des Heeren zullen hun erfdeel wezen, zij eten het brood van hun God.
Hij voert ook aan dat het enigerwijs gemeen brood was, nu het voornaamste Godsdienstige gebruik er van voorbij was, inzonderheid, dewijl er geen brood was dan de toonbroden, die van voor het aangezicht des HEEREN weggenomen waren, vers 6, en in de plaats er van op de tafel gelegd.
Dit was Davids pleitgrond, en de Zone Davids keurt hem goed, en toont er uit aan, dat barmhartigheid vóór offerande moet gaan, dat ceremoniële plechtigheden wijken moeten voor zedelijke plichten, en dat in geval van noodzakelijkheid, door Godsvoorzienigheid teweeggebracht, datgene gedaan mag worden, wat anders niet gedaan mag worden.
Hij, Christus, voert dit aan ter rechtvaardiging van Zijn discipelen in hun plukken van korenaren op de sabbat, waar de Farizeën hen om hebben gelaakt, Mattheus 12:3, 4.
B. Hierop geeft Achimelech hem het brood. Toen gaf de priester hem dat heilige brood, vers 6, en sommigen denken dat het hiervoor was, dat hij de HEERE voor hem gevraagd heeft, Hoofdstuk 22:10.
Als een getrouw dienaar wilde hij niet over zijns Meesters goed beschikken zonder zijns Meesters verlof. Wij kunnen onderstellen dat dit brood er David zoveel aangenamer om was, zo dierbaar en kostelijk waren hem alle heilige dingen. Deze toonbroden waren slechts twaalf in getal, en toch geeft hij er David vijf van vers 3, hoewel hij niets meer in huis had, maar hij vertrouwde op Gods voorzienigheid. C. Hij vroeg om een zwaard. Personen van rang, al waren zij ook officieren van het leger, hadden toen hun zwaard niet zo voortdurend op zijde als nu, anders zou David er nu niet zonder geweest zijn, het was een wonder dat Jonathan hem het zijne niet heeft gegeven, zoals hij vroeger gedaan heeft, Hoofdstuk 18-4.
Hoe dit nu zij, hij had thans geen wapens bij zich, en als reden hiervoor geeft hij op dat hij in van de haast was weggegaan, vers 8.
Zij, die voorzien zijn van het zwaard des Geestes en het schild des geloofs, kunnen van die wapenen niet ontdaan worden, en zij behoeven er nooit om verlegen te zijn.
Maar de priesters schijnen geen zwaard gehad te hebben, de wapens van hun krijg waren niet vleselijk, in de tabernakel was geen zwaard te vinden behalve het zwaard van Goliath, dat achter de efod was weggelegd als een gedenkteken van de glorierijke overwinning, die David over hem heeft verkregen.
Toen zeide de priester: Het zwaard van Goliath, den Filistijn, denwelken gij sloegt in het eikendal, zie, dat is hier, gewonden in een kleed, achter den efod, indien gij u dat nemen wilt, zo neemt het, want hier is geen ander dan dit.
Sauls wapenrusting kon hij niet gebruiken, want hij had het niet verzocht, haar niet beproefd, maar dit zwaard van Goliath had hij wèl beproefd, en het goed gebruikt.
En hieruit blijkt dat hij toegenomen was in kracht en statuur, daar hij een zwaard als dit kon dragen en hanteren. God had "zijn handen ten strijde geleerd", zodat hij wonderen kon doen, Psalm 18:35. Twee dingen kunnen betreffende dit zwaard worden opgemerkt:
a. Dat God het hem genadig had gegeven, als een onderpand van Zijn bijzondere gunst, zodat, wanneer hij het ook trok, ja, wanneer hij het ook aanzag, het een grote steun zou zijn voor zijn geloof, door hem dit grote voorbeeld voor de geest te brengen van de bijzondere zorg en hulp van Gods voorzienigheid. Ervaringen zijn grote bemoedigingen.
b. Dat hij het dankbaar aan God bad teruggegeven, het wijdende aan Hem en Zijn eer als een teken van zijn dankbaarheid, en nu is het hem in zijn nood zeer te hulp gekomen.
Wat wij wijden aan Gods lof, en waarmee wij Hem dienen, zal hoogstwaarschijnlijk op de ene of andere wijze terugvloeien tot onze vertroosting en voordeel. Wat wij gaven, hebben wij van Hem ontvangen.
Zo was David dan nu wel voorzien van levensmiddelen en een wapen, maar ongelukkig was toen juist een van de knechten Sauls, Doëg genaamd, opgehouden voor het aangezicht des HEEREN, en deze bleek een laaghartig verrader te zijn, beide van David en Achimelech.
Van geboorte was hij een Edomiet, vers 7, en hoewel overgegaan tot de Joodse Godsdienst ten einde de betrekking te krijgen, die hij nu onder Saul had, behield hij toch de oude erfvijandschap van Edom voor Israël. Hij was de machtigste onder de herders, die Saul had, een ambt, dat toen wellicht even voornaam was als nu dat van opperstalmeester van de koning.
De een of andere aangelegenheid had hem nu tot de priester gebracht, hetzij om gereinigd te worden van de een of andere onreinheid, of om een gelofte te betalen, maar waarvoor hij daar nu ook gekomen mocht zijn, er wordt gezegd, dat hij was opgehouden voor het aangezicht des HEEREN.
Hij moest daar wachten, hij kon er niets aan doen, maar de dienst verveelde hem, hij had hem kunnen wegblazen, zeggende: "Zie, wat een vermoeidheid!" Maleachi 1:13.
Hij zou liever overal anders geweest zijn dan voor het aangezicht des Heeren, en daarom heeft hij, inplaats van zich bezig te houden met de zaak, waarvoor hij gekomen was, kwaad beraamd voor David, en ook een plan beraamd om zich te wreken op Achimelech, omdat hij hem had opgehouden. Gods heiligdom heeft zich nooit kunnen beveiligen tegen zulke wolven in schaapsklederen. Zie Galaten 2:4.