Mattheus 12:1-13
De Joodse leraren hadden vele van de geboden verdorven door er ene vrijere verklaring van te geven dan geoorloofd was, ene dwaling, die Christus ontdekte en verbeterde, Hoofdstuk 5, in Zijne bergrede, maar betreffende het vierde gebod waren zij in ene tegenovergestelde dwaling vervallen, daar zij het al te strikt en streng uitlegden. Het is iets gewoons bij mensen van een verdorven gemoed, dat zij door hun ijver voor het uitwendige in den Godsdienst de losheid hunner zeden denken goed te maken. Maar de vloek is uitgesproken over hen, die toe doen, zo wel als over hen, die afdoen van "de woorden dezes boeks. Openbaring 22:18, 19, Prediker 30:6. Wat de Heere Jezus hier nu aantoont is, dat werken van noodzakelijkheid en barmhartigheid op den sabbatdag geoorloofd zijn, terwijl den Joden geleerd was hieromtrent gewetensbezwaar te hebben. Christus' zorgvuldige verklaring van het vierde gebod duidt de altijddurende verplichting aan van het Godsdienstig waarnemen van een dag in de zeven, als een heiligen sabbat. Hij zou gene wet verklaard hebben, die bestemd was om onmiddellijk opgeheven te worden, maar Hij heeft ongetwijfeld bedoeld een punt vast te stellen, dat van nut zou wezen voor Zijne kerk in alle eeuwen, en zo moet het ons leren, dat onze Christelijke sabbat wel onder de aanwijzing is van het vierde gebod, maar niet onder de verplichtingen, die de Joodse ouderlingen daarbij willen opleggen. Gewoonlijk wordt de betekenis van ene wet vastgesteld door het oordeel, dat van desbetreffende feiten gegeven wordt, en zo is ook de betekenis dezer wet hier vastgesteld. Daarom worden hier twee voorvallen meegedeeld van verschillenden aard, en die ook op verschillende tijden hebben plaats gehad, maar beiden toch volkomen aan dit doel beantwoorden.
I. Om Zijne discipelen te rechtvaardigen in hun plukken van korenaren op den sabbatdag, toont Christus dat het geoorloofd is op dien dag werken van noodzakelijkheid te verrichten. Let hier nu op: Hetgeen de discipelen deden. Zij volgden hun Meester op een sabbatdag door een korenveld. Waarschijnlijk waren zij op weg naar de synagoge, vers 9, want het betaamt Christus' discipelen niet op dien dag doelloze wandelingen te doen, en zij hadden honger. Laat dit geen blaam werpen op de wijze van huis te houden van onzen Meester. Maar wij willen veronderstellen, dat zij zo geheel ingenomen waren door hun sabbatswerk, dat zij vergeten hadden brood te eten, zo veel tijd hadden doorgebracht met hun ochtendgebeden, dat zij geen tijd hadden voor hun ochtendmaaltijd, maar nog nuchteren waren, toen zij op weg gingen, omdat zij niet te laat wilden komen in de synagoge. Nu heeft de Voorzienigheid het zo beschikt, dat zij "door het gezaaide" gingen, en daardoor was nu in hun behoefte voorzien. God heeft vele wegen en middelen om Zijn volk van het nodige te voorzien, en Hij zal bijzonder zorg voor hen dragen, als zij naar de synagoge gaan, gelijk Hij van ouds voor hen gezorgd heeft, die opgingen naar Jeruzalem om er te aanbidden, Psalm 84:7, 8, daar ten hunnen behoeve de waterpoelen door den regen gevuld werden. Als wij ons op den weg des plichts bevinden, zo zal Jehova-Jireh voor ons zorgen. In het korenveld zijnde, begonnen zij aren te plukken. De wet van God veroorloofde dit, Deuteronomium 23:25, om het volk goede, vriendelijke buurschap te leren, en niet voor elke kleinigheid op hun recht van eigendom te staan, als aan een ander daar een dienst mede bewezen kan worden. Het was nu wel een karig maal voor Christus en Zijne discipelen, maar het was het beste, dat zij krijgen konden, en zij waren er mede tevreden. Wat was het dat de Farizeeën hierin ergerde? Het was slechts een droog ontbijt, dat de discipelen hadden, maar de Farizeeën lieten niet toe, dat zij het in vrede nuttigden. Zij verweten hun niet, dat zij zich eens anders korenaren toe-eigenden (zij waren gene grote ijveraars voor het recht) maar dat zij dit deden op den sabbat, want aren te plukken en uit te wrijven op dien dag was door de inzetting der ouden uitdrukkelijk verboden, omdat zij dit als ene soort van oogsten beschouwden. Het is niets nieuws dat de onschuldigste handelingen van Christus' discipelen in een slecht daglicht werden geplaatst, voorgesteld werden als ongeoorloofd, inzonderheid door hen, die voor hun eigene verzinselen en instellingen ijverden. De Farizeeën klaagden hen aan bij hun Meester, omdat zij deden wat "niet geoorloofd was." Het zijn gene vrienden van Christus en Zijne discipelen, die voor ongeoorloofd verklaren wat God niet ongeoorloofd heeft verklaard. Christus' antwoord op deze vitterij der Farizeeën. De discipelen wisten niet veel ter hunner verdediging aan te voeren, inzonderheid wijl hun beschuldigers de nauwgezette heiliging van den sabbat schenen voor te staan. Maar Christus kwam om Zijne volgelingen te bevrijden, niet slechts van de verdorvenheid der Farizeeën, maar ook van hun onschriftuurlijke inzettingen, en daarom heeft Hij wèl wat ter hunner verdediging te zeggen, Hij rechtvaardigde wat zij deden, hoewel dit ene overtreding was van den door hen ingevoerden regel. Hij rechtvaardigt hen door te wijzen op voorbeelden, die door de Farizeeën zelven als gepast en billijk erkend werden. Hij haalt het voorbeeld aan van David, die in een geval van nood gedaan heeft wat hij anders niet had behoren te doen, vers 3, 4, "Hebt gij niet gelezen het verhaal, 1 Samuël 21:6, hoe David de toonbroden heeft gegeten, die door de wet den priester alleen werden toegewezen? Leviticus 24:5-9. "Het is ene heiligheid der heiligheden voor Aäron en zijne zonen, en Exodus 29:33, "een vreemde zal ze niet eten", toch heeft de priester dit brood aan David en zijne mannen gegeven, want hoewel de uitzondering voor een geval van nood niet uitdrukkelijk vermeld is, lag zij evenals in alle de ceremoniële inzettingen, er in opgesloten. Hetgeen David's eten van de toonbroden wettigde was niet zijn hoge rang -Uzzia, die zich in den hoogmoed zijns harten het priesterambt aanmatigde, werd, hoewel hij een koning was, er met melaatsheid om geslagen-maar wel zijn honger. Aan de lusten van de aanzienlijksten zal niet worden toegegeven, maar op de behoeften der geringsten zal acht worden geslagen. Honger is ene natuurlijke begeerte, die niet weerstaan maar voldaan moet worden, en dien men niet anders dan door spijs "Honger is een scherp zwaard en zal door stenen muren heen breken." Indien nu de Heere in een geval van nood vrijstelling verleende van Zijne eigene wet, hoeveel te meer is het dan niet geoorloofd om in zulk een geval de inzetting der ouden op zijde te stellen. Hetgeen in een geval van nood gedaan mag worden, mag niet op andere tijden gedaan worden. Er zijn wetten, die de noodzakelijkheid niet kent, zij is haar eigene wet. "Men doet een dief gene verachting aan," -men heeft veeleer medelijden met hem-"als hij steelt om zijne ziel te vullen, dewijl hij honger heeft," Prediker 6:30. Hij wijst op het dagelijks voorbeeld van de priesters, waarvan zij evenzeer in de wet lezen, vers 5. In den tempel deden de priesters zeer veel werk op den sabbat, daar zij de offerdieren slachtten, van de huid ontdeden en verbrandden, hetgeen in een gewoon geval ene ontheiliging van den sabbat zou zijn. Toch werd dit nooit als ene overtreding van het vierde gebod aangezien, want de tempeldienst eiste en rechtvaardigde dit. Hierdoor wordt aangeduid, dat noodzakelijk werk op den sabbat wettig en geoorloofd is, niet slechts tot onderhoud van het leven, maar voor den dienst van den dag, zoals het luiden ener klok om de gemeente saam te roepen, ene reis naar de kerk en dergelijke meer. De sabbatsrust dient om de Godsverering te bevorderen, niet om haar te hinderen. Hij rechtvaardigt Zijne discipelen door drie krachtige argumenten. Vers 6 :"Een meerder dan de tempel is hier." Indien de tempeldienst rechtvaardigde wat de priesters bij hun bediening deden, dan moet de dienst van Christus de discipelen nog veel meer rechtvaardigen in hetgeen zij deden, als zij Hem bedienden en vergezelden. De Joden koesterden ene zeer grote verering voor den tempel, hij heiligde het goud, Stefanus werd beschuldigd, lasterlijke woorden te spreken tegen deze heilige plaats, Handelingen 6:13, maar Christus op een korenveld was meerder dan de tempel, want in Hem woonde de Godheid niet symbolisch, maar al de volheid van God woonde in Hem lichamelijk. Indien wij, al wat wij doen, doen in den naam van Christus, het doen voor Hem, dan zal God het genadiglijk aannemen, hoe de mensen het ook mogen afkeuren of bedillen. God wil barmhartigheid en niet offerande, vers 7. Plichten ten opzichte van kerkplechtigheden moeten wijken voor plichten van zedelijken aard, en de natuurlijke, koninklijke wet der liefde en des zelfbehouds moet de plaats innemen van uitwendige ceremoniën. Dit wordt aangehaald uit Hosea 6:6. Te voren is er reeds gebruik van gemaakt, Hoofdstuk 9:13 tot handhaving van barmhartigheid jegens de zielen der mensen, en hier voor barmhartigheid jegens hun lichamen. De sabbatsrust was verordineert tot welzijn van den mens ten gunste van het lichaam, Deuteronomium 5:14. Nu mag gene wet uitgelegd worden in dier voege, dat zij in tegenspraak komt met hare eigene bedoeling. "Zo gij geweten had wat het zij", geweten had wat het is om barmhartig te zijn, het zou u leed gedaan hebben, dat zij hiertoe genoodzaakt waren om hun honger te stillen, en gij zoudt de onschuldigen niet veroordeeld hebben. Onwetendheid is de oorzaak van onze haastige en liefdeloze oordeelvellingen over onze broederen. Het is niet genoeg, dat wij de Schriften kennen, maar wij moeten er ook de betekenis van zoeken te verstaan. Die het leest merke daarop! Onwetendheid omtrent de betekenis der Schrift is inzonderheid schandelijk voor hen, die het ondernemen anderen te onderwijzen.
De Zoon des mensen is een Heere ook van den Sabbat, vers 8. Deze wet is, evenals al de overigen, in de handen gesteld van Christus, om gewijzigd, bevestigd, of wel opgeheven te worden, naar het Hem goeddunkt. Het was door den Zoon, dat God de wereld gemaakt heeft, en door Hem heeft Hij, in den staat der onschuld van den mens, den sabbat ingesteld, door Hem heeft Hij de wet der Tien Geboden gegeven op den berg Sinaï, en als Middelaar zijn Hem nu de inzettingen en rechten toevertrouwd, om er de veranderingen in te maken, die Hij nodig vindt, en inzonderheid, als zijnde Heere van den sabbat, is Hem volmacht gegeven om nopens dien dag zulke veranderingen te maken, dat Hij er de dag des Heeren door wordt, de dag van den Heere Christus. En indien Christus de Heere is van den sabbat, dan is het voegzaam, dat die dag, en al het werk van dien dag, Hem gewijd zullen zijn. Krachtens deze Hem opgedragene macht stelt Christus hier vast, dat werken van noodzakelijkheid, indien zij dit werkelijk zijn, en niet ene voorgewende of door ons zelven geschapene noodzakelijkheid, op den sabbatdag mogen verricht worden, en deze uitlegging der wet toont duidelijk aan, dat zij bestendigd zal worden.
De uitzondering bevestigt den regel. Toen Christus nu aldus de Farizeeën tot zwijgen had gebracht, en van hun tegenwoordigheid was ontslagen, vers 9, vertrok Hij, en kwam in hun synagoge, de synagoge dezer Farizeeën, waarin zij voorzaten, en werwaarts Hij op weg was, toen zij dezen twist met Hem begonnen. Wij moeten op onze hoede zijn, omdat er, als wij op weg zijn naar de heilige genademiddelen, niets voorvalt, dat er ons ongeschikt voor maakt, of onze aandacht er van afleidt. Laat ons voortgaan op den weg des plichts, in weerwil van de kunstgrepen van Satan, die door de verkeerde krakelingen van mensen, die een verdorven verstand hebben, en door velerlei andere middelen, ons zoeken te ontstemmen en te ontstellen. Wij moeten ons, ook om den wille van persoonlijke twisten en onenigheden, niet van de openbare Godsverering laten terughouden. Hoewel de Farizeeën op zo boosaardige wijze Christus bedild hadden, ging Hij toch in hun synagoge. Satan krijgt zijn zin, indien het hem, door onenigheid te verwekken onder broederen, gelukt om hen, of enigen van hen, van de synagoge en de gemeenschap der heiligen af te trekken.
II. Door den man met de dorre hand op den sabbatdag te genezen toont Christus, dat het wettig en gepast is op dien dag werken van barmhartigheid te verrichten. Het werk der noodzakelijkheid was gedaan door de discipelen, en het werk door Hem gerechtvaardigd, het werk der barmhartigheid werd gedaan door Hem zelven. De werken van barmhartigheid zijn Zijne werken der noodzakelijkheid, het was Zijne spijs en drank om wel te doen. Ik moet het Evangelie verkondigen, zegt Hij, Lukas 4:43. Deze genezing wordt vermeld vanwege den tijd, toen zij gewerkt was: op den sabbat. Hier is te letten:
1. Op het leed, de beproeving, waaronder deze arme man gebukt ging. Zijne hand was verdord, zodat hij niet in staat was om door handenarbeid zijn brood te verdienen. Hiëronymus zegt, dat het Evangelie van Mattheus in de Hebreeuwse taal, dat bij de Nazarenen en Ebonieten in gebruik is, aan de geschiedenis van den man met de verdorde hand dit toe voegt, dat hij een Caementarius, of metselaar, was, en dat hij zich aldus tot Christus heeft gewend: "Heere, ik ben een metselaar, en heb met mijn arbeid mijn brood verdiend, ik smeek U, o Jezus, geef mij het gebruik mijner hand weer, opdat ik niet genoodzaakt zij mijn brood te bedelen . De arme man bevond zich in de synagoge. Zij, die slechts weinig doen kunnen, of slechts weinig te doen hebben voor de wereld, moeten zoveel te meer doen voor hun zielen, zoals bijv. de rijken, de ouden van dagen, en de gebrekkigen.
2. Op de boosaardige vraag, die de Farizeeën aan Christus deden op den aanblik van dezen man. "Zij vraagden Hem, zeggende: Is het ook geoorloofd op de sabbatdagen te genezen? Hier lezen wij niet van een verzoek, dat deze arme man tot Christus gericht heeft om genezen te worden, maar zij zagen, dat Christus op hem lette, en zij wisten, dat het voor Hem iets gewoons was gevonden te worden door hen, die Hem niet zochten, en daarom wilden zij met hun slechtheid Zijne goedheid voorkomen, en wierpen dus deze vraag op als een struikelblok om Hem te beletten goed te doen. Is het ook geoorloofd op de sabbatdagen te genezen? Of het nu voor de medicijnmeesters al of niet geoorloofd was op dien dag te genezen, hetgeen de zaak was, waarover in hun boeken getwist werd, in elk geval zou men toch denken, dat het onbetwistbaar zeker was, dat het aan profeten geoorloofd was te genezen, dat het Hem geoorloofd was te genezen, die ene Goddelijke macht en goedheid openbaarde in alles wat Hij van dien aard deed, en zich aldus betoonde van God gezonden te zijn. Heeft ooit iemand gevraagd, of het aan God geoorloofd is te genezen, Zijn woord uit te zenden en te helen? Wel is waar, Christus was nu geworden onder de wet door Zijne vrijwillige onderwerping er aan, maar nooit is Hij onder de voorschriften of geboden der ouden geworden. Is het geoorloofd te genezen? Naar het geoorloofd of niet geoorloofd zijn van handelingen te onderzoeken is heel goed, en tot niemand kunnen wij ons met dergelijke vragen beter wenden dan tot Christus, maar hier vroegen zij, niet om door Hem onderricht te worden, maar opdat zij hem mochten beschuldigen. Indien Hij zei, dat het geoorloofd was op den sabbatdag te genezen, dan zullen zij Hem beschuldigen van in strijd te zijn met het vierde gebod. Tot zo hoge mate van bijgelovigheid hadden de Farizeeën de sabbatsrust opgevoerd, dat zij, behalve in levensgevaar, gene geneeskundige handelingen op den sabbat toestonden. Indien Hij echter zou zeggen, dat het niet geoorloofd was, dan zouden zij Hem van eenzijdigheid beschuldigen, daar Hij te voren Zijne discipelen in hun plukken van korenaren had gerechtvaardigd.
3. Christus' antwoord op deze vraag bij wijze van een beroep op hen zelven, op hun eigene mening en praktijk, vers 11, 12. Indien eens een schaap (al was het maar een, waarvan het verlies toch niet zo heel groot is) op een sabbatdag in ene gracht valt, zullen zij het niet. aangrijpen en uit heffen? Ongetwijfeld zouden zij dit doen, het vierde gebod laat dit toe, zij moeten het doen, want de rechtvaardige geeft acht op het leven zijner beesten, en zij zullen dit dan ook doen, veeleer dan een schaap te verliezen. Zorgt Christus voor schapen? Voorzeker, Hij behoedt mens en dier, en voorziet voor beiden. Maar hier zegt Hij het om onzentwil, 1 Corinthiërs 9:9, 10, en hieruit leidt Hij nu de vraag af: Hoeveel gaat nu een mens een schaap te boven? Schapen zijn niet slechts onschadelijke, maar ook nuttige dieren, en dienovereenkomstig worden zij verzorgd en gewaardeerd, toch wordt de mens hier boven hen gesteld. Ten opzichte van zijn' aard en wezen is de mens veel beter en van veel groter waardij dan de kostelijkste dieren. De mens is een redelijk wezen, in staat om God te kennen, lief te hebben en te verheerlijken, en daarom is hij beter dan een schaap. Het offer van een schaap kon daarom ook de zonde ener ziel niet verzoenen. Zij denken hier voorzeker niet aan, die meer zorge hebben voor het fokken en onderhouden van hun paarden en honden dan van Gods armen, of wellicht van hun eigen gezin. Hieruit leidt Christus ene waarheid af, die, zelfs op den eersten aanblik, zeer redelijk en menslievend schijnt, n.l. dat het geoorloofd is op de sabbatdagen wel te doen. Zij hadden gevraagd: Is het geoorloofd te genezen? Christus bewijst dat het geoorloofd is wel te doen, laat nu iemand oordelen of genezen, zoals Christus genas, niet was weldoen. Er zijn meerdere wij ze van weldoen op sabbatdagen, dan het waarnemen van de Godsverering. Zieken te bezoeken, de armen te hulp te komen, of hun hulp te verlenen, aan wie plotseling ene ramp is overkomen en die dus onmiddellijk hulp nodig hebben, -dit is weldoen, en dit moet gedaan worden uit een beginsel van liefde en barmhartigheid, met ootmoed en zelfverloochening en hemelsgezindheid van geest, en dit is weldoen, en het zal verhoging vinden. Genesis 4:7.
4. Christus' genezing van den man, niettegenstaande de ergernis, die, naar Hij voorzag, bij de Farizeeën er door zou opgewekt worden, vers 13. Hoewel zij Christus' argumenten niet konden beantwoorden of weerleggen, waren zij toch besloten te volharden in hun vooroordeel en vijandschap, maar in weerwil hiervan ging Christus voort met Zijn werk. Men moet gene plichten nalaten, gene gelegenheid om goed te doen laten voorbijgaan, uit vrees van ergernis te geven. Nu is de wijze, waarop die genezing plaats had, merkwaardig, Strek uwe hand uit, zei Hij tot den man. Span al uwe krachten in, en hij deed het, en de hand werd hersteld, gezond gelijk de andere. Deze genezing, evenals andere door Christus gewrocht, had ene geestelijke betekenis. Van nature zijn onze handen dor, wij zijn uit ons zelven volstrekt onmachtig om iets goeds te doen. Het is Christus alleen, die door de kracht Zijner genade, ons geneest, Hij heelt de dorre hand door leven te doen ontstaan in de dode ziel, Hij werkt in ons beide het willen en het werken. Om ons te genezen, gebiedt Hij ons onze handen uit te strekken, onze natuurlijke gaven en vermogens te gebruiken, te doen wat wij kunnen, ze uit te strekken in gebed tot God, ze uit te strekken in een heilig pogen en streven. Deze man nu kon uit zich zelven zijne hand niet uitstrekken, evenmin als de geraakte kon opstaan en zijn bed kon opnemen, of Lazarus kon uitgaan uit zijn graf, en toch gebiedt Christus hem dit te doen. Gods bevelen aan ons, om de plichten te volbrengen, waartoe wij uit ons zelven niet in staat zijn, zijn evenmin ongerijmd of onrechtvaardig, als Zijn bevel aan den man met de dorre hand om haar uit te strekken, want met het gebod gaat de belofte gepaard van de genade, die door het woord gegeven wordt. Keert u tot Mijne bestraffing, en Ik zal Mijn Geest ulieden overvloedig uitstorten. Prediker 1:23. Zij, die omkomen, zijn even onverschoonbaar als die man zou geweest zijn, indien hij niet beproefd had zijne hand uit te strekken, en dus niet genezen ware geworden. Maar zij, die behouden zijn, hebben even weinig om op te roemen als deze man had van bijgedragen te hebben tot zijne genezing door zijne hand uit te strekken, maar wèl zijn zij evenveel aan de macht en genade van Christus verplicht, als hij dit geweest is.