1 Samuël 20:9-23
I. Jonathan betuigt hier zijn trouw aan David in zijn verdrukking en benauwdheid. Niettegenstaande het sterke vertrouwen, dat David in Jonathan had, zou toch wel de vrees bij hem kunnen opkomen, dat de invloed zijns vaders en zijn eigen belang enige verkoeling bij hem konden teweegbrengen in zijn gevoelens voor hem. Daarom achtte Jonathan het nodig hem opnieuw op de plechtigste wijze van zijn trouw en vriendschap te verzekeren, vers 9.
"Dat zij verre van u te geloven, dat ik u van enigerlei misdaad verdenk, om welke ik u òf zelf zou doden, òf u aan mijn vader zou overleveren, neen, indien gij daar enigerlei vrees voor koestert, zo kom, laat ons toch uitgaan in het veld, vers 11, en de zaak uitvoeriger bespreken." Hij daagt hem niet uit in het veld om met hem te strijden wegens een belediging, maar om hem te bevestigen in zijn vriendschap.
Hij belooft hem dat hij hem getrouwelijk zal laten weten, hoe hij, na gedaan onderzoek, zijn vader jegens hem gezind vindt, en hem de zaak niet beter en niet erger zal voorstellen dan zij is, "indien het goed voor u is, ik zal het voor uw oor openbaren, opdat gij gerust kunt zijn, vers 12,, indien kwaad, zo zal ik het voor uw oor ontdekken, en u laten trekken, opdat gij veilig zijt, vers 13, en aldus hem zal helpen om hem te verlossen van het kwaad, indien het werkelijk bestaat, en van de vrees des kwaads, indien het slechts denkbeeldig is. Ter bevestiging van zijn belofte beroept hij zich op God:
1. Als getuige, vers 12. O Heere, God Israëls, Gij weet dat ik oprecht ben, en denk zoals ik spreek. Door zijn sterk gevoel spreekt hij in korte afgebroken bewoordingen.
2. Als rechter. Alzo doe de Heere aan Jonathan, en alzo doe Hij daartoe, vers 13, zo ik bedrieglijk spreek, of mijn woord aan mijn vriend breek." Hij drukt zich op die plechtige wijze uit, opdat David ten volle verzekerd zal zijn van zijn oprechtheid.
En aldus heeft God Zijn belofte bevestigd aan ons, opdat wij "een sterke vertroosting zouden hebben", Hebreeën 6:17. 18.
Jonathan voegt zijn hartgrondig gebed bij zijn belofte: De HEERE zij met u, om u te beschermen en voorspoedig te maken, gelijk als Hij met mijn vader geweest is, hoewel Hij zich nu van hem teruggetrokken heeft." Dit geeft zijn geloof te kennen dat David in de plaats zijns vaders zal komen, en zijn goede wensen dat hij er voorspoediger in zal zijn dan zijn vader nu is.
II. Hij laat zijn vriendschap voor David als een erfdeel na aan zijn geslacht, vers 14-16 , hij begeert van David, dat hij een vriend van zijn geslacht zal zijn als hij er niet meer is, vers 15. "Ook zult gij uw weldadigheid niet afsnijden van mijn huis tot in eeuwigheid"
Dit sprak hij uit natuurlijke genegenheid voor zijn kinderen, daar hij wenste dat het hun wèl mocht gaan na zijn dood, en voor wier toekomstig welvaren hij aldus zijn tegenwoordige invloed wenste te gebruiken.
Het duidt ook mee zijn vast geloof aan in Davids verhoging, en dat hij het in zijn macht zal hebben, om vriendelijkheid of onvriendelijkheid te bewijzen aan zijn zaad, want na verloop van tijd wanneer de HEERE een iegelijk der vijanden van David -Saul zelf niet uitgezonderd-van den aardbodem zal afgesneden hebben, en dan zult gij uw weldadigheid niet afsnijden van mijn huis, noch het kwaad, dat mijn vader u aangedaan heeft, wreken op mijne kinderen"
Het huis van David moet ook aan het huis van Jonathan verbonden blijven van geslacht tot geslacht: hij maakte een verbond met het huis van David.
Ware vrienden kunnen niet anders dan begeren dat hun wederzijdse genegenheid zal overgaan op hun kinderen. Verlaat uw vriend en de vriend uws vaders niet. Deze weldadigheid noemt hij:
1. De weldadigheid des Heeren, omdat het een weldadigheid is zoals die, welke de Heere toont aan hen, die Hij opgenomen heeft in Zijn verbond, want Hij is een God voor hen en voor hun zaad, zij zijn beminden om der vaderen wil.
2. Hij verzekert of bevestigt haar door een verwensing, vers 16. Dat het de HEERE eise van de hand der vijanden Davids! -want David zelf verdenkt hij niet-indien zij zich in zoverre Davids vijanden betonen, dat zij onrecht doen aan de nakomelingen van Jonathan, Davids vriend.
Hij vreesde dat David, of sommigen van de zijnen, later in verzoeking zouden zijn, om ter bevestiging van hun recht op de troon aan zijn zaad te doen, wat Abimelech aan de zonen van Gideon gedaan had, Richteren 9:5, en dit wilde hij op afdoende wijze voorkomen.
Maar de reden, waarom Jonathan zo ernstig begeerde dat die vriendschap zou overgaan op zijn geslacht, was geheel en al edelmoedig, er was hoegenaamd geen zelfzucht in, het was omdat hij David liefhad, want hij had hem lief met de liefde zijner ziel, vers 17, en daarom begeerde hij dat hij en de zijnen door hem bemind zouden worden.
David was nu in ongenade aan het hof, en in grote benauwdheid, maar in de ogen van Jonathan was hij even beminnelijk als altijd, en hij beminde hem er niet minder om, dat zijn vader hem haatte, zo zuiver waren de beginselen, waarop die vriendschap gegrond was.
Zelf gezworen hebbende, deed hij ook David zweren, en voer hij voort met hem te doen zweren waarin David bewilligde-want een eerlijk gemoed aarzelt niet alle mogelijke verzekeringen te geven, die gewenst of nodig zijn-te zweren bij zijn liefde voor hem, die hij als iets heiligs beschouwt.
Jonathans hart was hier zo op gezet, dat hij ditmaal toen zij van elkaar scheidden, besloot met een plechtig beroep op God: de HEERE zij tussen mij en tussen u, tot in eeuwigheid! vers 23 , dat is: "God zelf oordele tussen ons en onze geslachten tot in eeuwigheid, indien dit verbond van vriendschap verbroken wordt."
Het was ter gedachtenis aan dit verbond, dat David weldadigheid bewees aan Mefiboseth, 2 Samuël 9:7, 21:7. Het zal een weldadigheid zijn voor ons en de onze om ons van de vriendelijke belangstelling te verzekeren van Gods gunstgenoten, Gods vrienden tot onze vrienden te maken. III. Hij spreekt met hem af op welke wijze en door welke tekenen hij hem van zijns vaders gezindheid jegens hem bericht zal geven. Hij zal op de eersten dag gemist worden, of tenminste op de tweede dag van de nieuwe maan, en er zal navraag naar hem worden gedaan, vers 18.
Op de derde dag, wanneer hij van Bethlehem zal terug zijn, moet hij zich op een tussen hen afgesproken plaats bevinden, vers 19 en Jonathan zal aan die plaats komen met pijl en boog, om er voor zijn vermaak te schieten, vers 20.
Hij zal zijn jongen zenden om de pijlen op te rapen, en zo de pijlen aan deze zijde van de jongen vielen, dan was dit een teken voor David, dat alles wèl was, en hij niet moest vrezen zich te vertonen, vers 21,,
maar zo zij voorbij de jongen geschoten werden, dan was dit een teken van gevaar, en dan zal hij voor zijn veiligheid hebben te zorgen, vers 22.
Dit middel heeft hij bedacht uit vrees dat hij de gelegenheid niet zou hebben-die hij echter wel blijkt gehad te hebben-om met hem te spreken en hem mondeling kennis te geven hoe de zaken stonden.