1 Samuël 19:18-24
I. Hier is Davids toevluchtsoord. Des nachts uit zijn eigen huis ontkomen zijnde, vluchtte hij niet naar zijn bloedverwanten te Bethlehem of naar een van de steden Israëls waar hij zo uitbundig geprezen was, om daar invloed uit te oefenen en hun bescherming in te roepen, maar hij ging tot Samuël en gaf hem te kennen al wat Saul hem gedaan had, en hij en Samuël gingen heen, en zij bleven te Najoth vers 18.
1. Omdat Samuël de man was, die hem de verzekering had gegeven dat hij koning zou worden, en daar nu zijn geloof in die verzekering begon te wankelen, en hij gereed was om in zijn haasten (of zoals sommigen het lezen: in zijn vluchten) te zeggen: alle mensen zijn leugenaars, niet alleen Saul, die mij mijn leven beloofde, maar ook Samuël zelf, die mij de troon beloofde-tot wie zou hij dus gaan om bemoedigd te worden in deze zijn dag van de benauwdheid, tot wie anders dan tot Samuël die zijn geloof zal ondersteunen? Door tot Samuël te vluchten, stelde hij God tot zijn schuilplaats, betrouwende in de schaduw van Zijn vleugelen, waar anders kunnen Godvruchtigen zich veilig achten?
2. Omdat Samuël, als profeet, het best instaat was hem te raden wat hij doen moest in deze dag van de benauwdheid. In de psalm, die hij de vorigen nacht geschreven had, hief hij zijn hart op in het gebed tot God, en nu gaat hij naar Samuël, ten einde leiding en onderricht van God te ontvangen. Als wij een antwoord des vredes verwachten op onze gebeden, dan moeten wij onze oren open hebben voor Gods Woord.
3. Omdat bij Samuël een school was van profeten, met wie hij zich kon verenigen om God te loven, en het genot daarvan zou hem de grootst-mogelijke verlichting zijn in zijn tegenwoordige benauwdheid. Aan Sauls hof had hij weinig rust df voldoening, en daarom ging hij die zoeken in Samuëls kerk. En voorzeker is het weinige genot, dat er nog in deze wereld te vinden is, het deel van hen, die een leven leiden van gemeenschap met God, daarheen heeft David in de tijd van de benauwdheid de toevlucht genomen, Psalm 27:4-6.
II. Davids bescherming te dier plaatse. Hij en Samuël gingen heen en zij bleven (of woonden) te Najoth, waar de profetenschool was, bij Rama, als in een vrijplaats, want zelfs de Filistijnen wilden er de vergaderingen niet storen, Hoofdstuk 10:10.
Maar Saul, er kennis van bekomen hebbende door zijn verspieders vers 19,, zond beambten om David gevangen te nemen, vers 20..
Toen zij hem niet brachten, zond hij anderen, toen deze niet terugkeerden zond hij ten derden male, vers 21 , en ook van deze geen tijding horende, ging hij zelf, vers 22.
Zo ongeduldig was hij in zijn dorst naar Davids bloed, zo rusteloos om zijn doel met hem te bereiken, hoewel hij door de ene leiding van Gods voorzienigheid na de andere teleurgesteld werd, dat hij maar niet kon bemerken, dat David onder de bijzondere bescherming des hemels stond. Het was beneden de waardigheid van de koning om zelf op zo'n boodschap uit te gaan, maar vervolgers zullen zich tot alles vernederen en voor niets terugdeinzen, om hun boosaardigheid te bevredigen.
Saul legt alle openbare zaken terzijde om jacht te gaan maken op David. Hoe werd David verlost, nu hij op het punt stond (zoals vroeger zijn lam) om in de muil des leeuws te vallen? Niet zoals hij zijn lam verloste, door de leeuw te doden, of zoals Elia verlost werd, door de boden te verteren met vuur van de hemel, maar doordat de leeuwen voor het ogenblik in lammeren werden verkeerd.
1. Toen de boden in de vergadering kwamen waar David was onder de profeten, kwam de Geest Gods over hen, en zij profeteerden, dat is: zij verenigden zich met de anderen om God te loven. Inplaats van David te grijpen, waren zij zelf gegrepen. En aldus:
a. Heeft God David beveiligd, want zij waren òf door de geest van de profetie in zodanige verrukking gekomen, dat zij aan niets anders konden denken, en hun boodschap vergaten, en geen acht sloegen op David, òf zij waren er voor het ogenblik in zo'n goede gemoedstoestand door gekomen, dat zij er niet aan konden denken zo slecht een daad te doen.
b. Hij legde eer op de zonen van de profeten en de gemeenschap van de heiligen, en toonde hoe Hij, als het Hem behaagt, de slechtste mensen in ontzag kan houden door de tekenen van Zijn tegenwoordigheid in de vergaderingen van de gelovigen, en hun de bekentenis kan ontwringen, dat "God waarlijk onder hen is," 1 Corinthiers 14:24, 25.
Zie ook het voordeel van Godsdienstige verenigingen, en welke goede indrukken door deze teweeggebracht kunnen worden op mensen, die voor zulke indrukken onvatbaar schenen te zijn. En waar anders kan de invloed des Geestes verwacht worden dan in de vergaderingen van de heiligen?
c. Hij verheerlijkte Zijn macht over de geest van de mensen. Hij, die het hart en de tong gemaakt heeft, kan beide gebruiken om Zijn eigen doeleinden tot stand te brengen. Bileam profeteerde het geluk het heil van Israël, dat hij heeft willen vloeken en sommigen van de Joodse schrijvers denken dat deze boden Davids bevordering op de troon hebben geprofeteerd.
2. Ook Saul zelf werd door de geest van de profetie aangegrepen, eer hij nog op de plaats kwam. Men zou gedacht hebben dat zo slecht een man als hij geen gevaar liep van in een profeet veranderd te worden, maar als God dit middel wil aanwenden om David te beschermen, dan is zelfs Saul niet zodra onder de reuk van de rook van Najoth gekomen (zoals bisschop Hall het uitdrukt) of hij profeteert evenals zijn boden gedaan hebben, vers 23.
Hij ontdeed zich van zijn koninklijk gewaad en zijn krijgsrusting, omdat zij of te fraai òf te zwaar waren voor deze dienst, hij scheen in een vertrekking van zinnen of in een geestvervoering te zijn geraakt, die de gehelen dag en nacht aanhield.
De heiligen te Damascus werden verlost van de woede van de NieuwTestamentische Saul, door een verandering, gewrocht in zijn geest, maar die van een anderen aard was dan deze. Deze was slechts verbazingwekkend, maar die gaf voldoening. Deze duurde een dag, die was voor altijd. Velen hebben grote gaven, maar geen genade profeteren in de naam van Christus, maar worden toch door Hem verloochend, Mattheus 7:22, 23.
Nu wordt het spreekwoord weer gebezigd: Is Saul ook onder de profeten? Hoofdstuk 10:12.
Toen was hij anders dan hij geweest is, nu is hij weerspannig. Hij is verworpen door God, wordt gedreven door een boze geest, en toch is hij onder de profeten.