1 Samuël 17:48-58
1. Hier is het gevecht tussen de twee kampioenen, vers 48. Tot deze strijd treedt de Filistijn toe met grote statigheid, zo hij tegen een dwerg moet gaan strijden, dat zal toch met de pracht en waardigheid geschieden van een reus en een voornaam man. Dit wordt te kennen gegeven in de wijze van uitdrukking: hij maakte zich op, en ging heen en naderde David tegemoet, als een voortschrijdende berg, overtrokken met koper en ijzer.
Met niet minder vlugheid en vaardigheid naderde David, als iemand, die er meer op uit was om executie te doen dan een grote vertoning te maken: hij haastte zich en liep, licht gekleed zijnde, de Filistijn tegemoet.
Wij kunnen ons voorstellen met welk een teder medelijden de Israëlieten zagen op de aanvalliger jongeling, die, als het ware het verderf in de mond ging lopen, maar hij wist wie hij had geloofd en voor wie hij had gehandeld.
2. Hoe Goliath in deze strijd gevallen is. Hij was niet in haast, omdat hij in geen vrees was, maar vertrouwde dat hij spoedig het hoofd zijns tegenstanders zou kloven, maar terwijl hij zich bereidde om dit met alle statigheid en plechtigheid te doen, heeft David zonder praal of vertoning zijn werk afdoend verricht, hij slingerde een steen, die hem trof in zijn voorhoofd, en hem in een oogwenk ter aarde wierp, vers 49.
Hij wist, dat er vermaarde slingeraars waren in Israël, Richteren 20:16, maar hij was of zo achteloos, of zo vermetel, dat hij het vizier van zijn helm omhoog liet, en daarheen, het enige deel van zijn lichaam, dat onbedekt was, heeft niet zozeer Davids kunst als wel Gods voorzienigheid de steen gericht, en hem met zoveel kracht getroffen, dat hij in zijn hoofd zonk, in weerwil van de onbeschaamdheid van dat koperen voorhoofd.
Zie hoe broos en onzeker het leven is, zelfs als het zich het meest beschermd en versterkt waant, en hoe snel, hoe gemakkelijk en door welk een kleinigheid de doortocht kan geopend worden, waar het leven uitgaat en de dood binnenkomt. Goliath zelf heeft geen heerschappij over de geest, om de geest in te houden, Prediker 8:8.
Laat de sterke zich niet beroemen in zijn sterkte, noch de gewapende in zijn wapenrusting. Zie hoe God de hoogmoediger wederstaat, en verachting uitstort over hen, die Hem en Zijn volk honen. Nooit heeft iemand zijn hart verhard tegen God en is voorspoedig geweest.
Een van de rabbijnen denkt, dat toen Goliath zei: Kom, en ik zal uw vlees de vogelen des hemels geven, hij zijn hoofd zo haastig ophief, dat zijn helm er af viel, en aldus zijn breed voorhoofd openliet als een goed doelwit voor Davids steen.
Om de executie te voltooien trok hij Goliaths eigen zwaard, een tweehandig wapen voor David, en hieuw hem daarmee het hoofd af, vers 51. Waartoe zou David zijn eigen zwaard medegenomen hebben? Het zwaard zijns vijands kan hem dienen, als hij er een nodig heeft. God wordt grotelijks verheerlijkt, als Zijn trotse vijanden met hun eigen zwaard gedood worden, en Hij hun tong tegen zichzelve doen aanstoten, Psalm 64:9. Davids overwinning over Goliath was een type van de overwinning van de Zone Davids over Satan en al de machten van de duisternis, die Hij heeft uitgetogen en in het openbaar tentoongesteld, Coloss. 2:15 , en door Hem zijn wij meer dan overwinnaars.
3. De nederlaag van het Filistijnse leger hierop. Zij hadden geheel en al op de sterkte gesteund van hun kampioen, en daarom hebben zij toen zij hem gedood zagen niet, zoals Goliath had aangeboden, de wapens weggeworpen, en zich aan Israël overgegeven als hun knechten, vers 9, maar hun heil gezocht in de vlucht, geheel ontmoedigd zijnde, en het nutteloos achtende iemand tegen te staan, voor wiens aangezicht zo'n machtige was gevallen.
Zij vluchtten, vers 51, en dit bracht leven in de Israëlieten, zij juichten en vervolgden de Filistijnen, vers 52, (David hen waarschijnlijk aanvoerende in de vervolging) tot aan de poorten hunner eigen steden. Terugkomende van de vervolging namen zij al hun bagage en beroofden hun leger, of hun tenten, vers 52, en verrijkten zich met de buit.
4. Davids beschikking over zijn trofeeën vers 54. Het hoofd van de Filistijn bracht hij naar Jeruzalem, om de Jebusieten, die de burcht Zion bezet hielden, ten schrik te wezen. Waarschijnlijk heeft hij het ook in triomf naar andere steden gebracht. Zijn wapenen leide hij in zijn tent, alleen het zwaard werd achter de efod bewaard in de tabernakel, als gewijd aan God, en een gedenkteken van de overwinning tot Zijn eer, Hoofdstuk 21:9.
5. De opmerkzaamheid, die aan David geschonken werd. Hoewel hij tevoren aan het hof was geweest, had Saul, daar hij er gedurende enigen tijd niet meer verschenen was, hem vergeten, daar hij droefgeestig en achteloos was, en weinig dacht dat zijn speelman moed genoeg zou hebben om zijn kampioen te wezen, alsof hij hem dus nooit gezien had, vroeg hij wiens zoon hij was. Abner kende hem niet maar bracht hem zelf tot Saul, vers 57, en hij gaf een bescheiden antwoord, op de vraag, die hij hem deed, vers 58. En nu was hij onder veel voordeliger omstandigheden voorgesteld aan het hof dan tevoren, waarin hij Gods hand erkende, die alles voor hem deed.