1 Samuël 15:10-23
Saul wordt hier ter verantwoording geroepen door Samuël betreffende de uitvoering van de opdracht, die hem gegeven was tegen de Amalekieten, en er worden ons hier merkwaardige voorbeelden gegeven van het strikte van de gerechtigheid Gods en de trouweloosheid en bedriegelijkheid van het hart des mensen. Er wordt ons hier meegedeeld:
I. Wat er bij deze gelegenheid tussen God en Samuël voorviel in het verborgen vers 10, 11.
1. God besluit tot Sauls verwerping, en maakt er Samuël mee bekend. Het berouwt Mij, dat Ik Saul tot koning gemaakt heb. Berouw in God is niet wat het is in ons, een verandering van zin en wil, maar een verandering in Zijn methode of bedeling. Hij verandert Zijn wil niet, maar Hij wil een verandering. De verandering was in Saul, dewijl hij zich van achter Mij afgekeerd heeft, deze verklaring geeft God aan het gedeeltelijke van zijn gehoorzaamheid, en het overheersende van zijn begeerlijkheid.
En hiermede heeft hij God tot zijn vijand gemaakt. Het berouwde God dat Hij aan Saul het koninkrijk had gegeven, en de eer en macht, die er aan verbonden zijn, maar het heeft Hem nooit berouwd, dat Hij aan enige mens wijsheid en genade, Zijn vreze en liefde heeft gegeven, die giften en roepingen Gods zijn onberouwelijk.
2. Samuël betreurt het, en bidt het af. Het smartte Samuël dat Saul Gods gunst verbeurd had, en dat God besloten had hem te verstoten, en hij riep tot den HEERE den gansen nacht, bracht een gehele nacht door in voorbede voor hem te doen, opdat Zijn raadsbesluit niet tegen hem mocht uitgaan. Als anderen op hun legerstede waren en sliepen, was hij op de knieën om te bidden en te worstelen met God. Hij heeft niet aldus zijn eigen uitsluiting van de regering afgebeden, ook deed het hem niet heimelijk genoegen, zoals het menigeen genoegen zou gedaan hebben, dat Saul, die hem opgevolgd was, zo spoedig op zijde werd gezet, integendeel, hij bad vurig om zijn bevestiging zo ver was het van hem om die dodelijke dag te begeren. De verwerping van de zondaren is de smart van de Godvruchtigen. God heeft geen lust in hun dood, en wij moeten er ook geen lust in hebben.
II. Wat er voorviel tussen Samuël en Saul in het openbaar. Samuël, door God met deze sombere tijdingen tot hem gezonden zijnde, ging, evenals Ezechiël, bitter bedroefd heen om hem te ontmoeten, misschien volgens een afspraak, die gemaakt werd, toen Saul op deze expeditie uitging, want Saul was te Gilgal gekomen, vers 12, de plaats, waar hij koning gemaakt was, Hoofdstuk 11:15, en waar hij nu in zijn koningschap bevestigd zou zijn, indien hij deze op-de-proefstelling van zijn gehoorzaamheid goed doorstaan had. Maar Samuël vernam dat hij zich een pilaar had gesteld, het een of ander gedenkteken van zijn overwinning, te Karmel, een stad in het gebergte van Juda zijn eer meer zoekende dan de eer van God want hij richtte deze pilaar (of hand, zoals het woord is in het Hebreeuws) op voor zichzelf. Het zou hem nodiger geweest zijn berouw te hebben over zijn zonde en verzoend te worden met God dan te roemen op zijn overwinning.
1. Dat hij met grote statigheid naar Gilgal was getogen, want dat schijnt aangeduid te zijn in de uitdrukking: hij is omgetogen en doorgetrokken met veel pracht en vertoon. Daar is Samuël tot hem gekomen. A. Saul roemt bij Samuël op zijn gehoorzaamheid, omdat dit de zaak was, waardoor hij zich nu had onderscheiden, vers 13. Gezegend zijt gij den HEERE!, want gij hebt mij op een goede boodschap uitgezonden, waarin ik veel voorspoed heb gehad, en Ik heb des HEEREN woord bevestigd.
Het is zeer waarschijnlijk dat zo zijn eigen consciëntie hem toen niet van ongehoorzaamheid had beschuldigd, hij niet zo voortvarend geweest zou zijn om zijn gehoorzaamheid te verkondigen, want hierdoor hoopte hij Samuëls bestraffing te voorkomen.
Zo denken de zondaren door zichzelf te rechtvaardigen er aan te ontkomen om door de Heere geoordeeld te worden, terwijl toch het enige middel daartoe is, onszelf te oordelen. Zij, die het meest roemen op hun Godsdienst, kunnen met recht verdacht worden dat zij er geveinsd in zijn, een verdeeld hart er voor hebben.
B. Samuël overtuigt hem door een overduidelijk bewijs van zijn ongehoorzaamheid. Hebt gij des Heeren woord bevestigd? Wat is dan dit voor een stem der schapen? vers 14. Saul wilde het doen voorkomen dat God almachtig hem zeer grotelijks was verplicht voor de goeden dienst, die hij Hem gedaan had, maar Samuël toont hem dat God zo weinig zijn schuldenaar was, dat Hij rechtvaardige oorzaak tot aanklacht tegen hem had, en als bewijs daarvan noemt hij een stem der runderen, die Saul misschien bevolen had om achter zijn zegetocht te doen opgaan, maar Samuël beroept er zich op als getuigen tegen hem, hij behoefde niet ver te gaan om hem te logenstraffen. Het geblaat en geloei van het vee zal evenals het roest van het zilver, Jakobus 5:3, tegen hem getuigen. Het is niets nieuws dat de mooi lijkende belijdenissen en betuigingen van geveinsden weersproken worden door de duidelijkste en onwederlegbaarste bewijzen. Velen roemen op hun gehoorzaamheid aan Gods gebod, maar wat betekenen dan hun toegeven aan het vlees, hun liefde tot de wereld, hun hartstocht en drift, hun liefdeloosheid en hun verzuimen van heilige plichten, die tegen hen getuigen?
C. Saul blijft bij zijn rechtvaardiging tegen deze beschuldiging, vers 15. Hij kan het feit niet ontkennen, die schapen en ossen kwamen van de Amalekieten. Maar:
a. Dat was zijn schuld niet, want het volk heeft ze verschoond, alsof zij dit gedurfd zouden hebben zonder een uitdrukkelijk bevel van Saul, als zij wisten dat het tegen een uitdrukkelijk bevel was van Samuël. Zij, die zichzelf willen rechtvaardigen, zijn gewoonlijk de eersten om anderen te veroordelen en zullen de schuld liever op hen werpen, dan haar op zich te nemen. Zonde is een wicht, dat niemand naar zijn eigen deur gebracht wil zien. Het is een armzalige uitvlucht van een onboetvaardig hart, dat zijn schuld niet wil bekennen, om haar te werpen op hen, die of zijn deelgenoten of alleen maar zijn volgelingen er in waren.
b. Het was met een goede bedoeling: "Het was om den HEERE, uw God, te offeren, Hij is uw God, en gij zult niet tegen iets zijn dat, zoals dit, voor Zijn eer is." Dit was een vals voorgeven, want zowel Saul als het volk hadden hun eigen voordeel op het oog in hun verschonen van het vee. Maar gesteld dat het zo was, dan zou dit toch beuzelachtig zijn geweest, want God haat de roof in het brandoffer. God bestemde dit vee om Hem geofferd te worden in het veld, en daarom zal Hij hun geen dank weten, die het Hem offeren op Zijn altaar, want Hij wil naar Zijn wil gediend worden en volgens de door Hem voorgeschreven regel. Ook zal een goede bedoeling geen slechte daad verontschuldigen. D. Samuël verwerpt zijn pleit, of liever hij ziet het voorbij, en gaat er toe over om in de naam van God recht over hem te spreken. Hij stelt zijn gezag voorop, wat hij ging zeggen was wat de Heere tot hem gezegd had, vers 16, want anders zou het verre van hem geweest zijn, hem zo scherp een bestraffing te geven. Zij, die klagen dat hun leraren te hard en scherp voor hen zijn, moeten bedenken dat zij, zolang zij zich houden aan het Woord van God, slechts boodschappers zijn, en zeggen moeten wat hun bevolen is te zeggen, weshalve zij bereid moeten wezen om, evenals Saul hier geweest is, te zeggen: Spreek. Samuël brengt zijn boodschap getrouw over.
a. Hij herinnert hem aan de eer, die God hem gedaan heeft door hem koning te maken, vers 17, toen hij klein was in zijn ogen. God zag de nederheid aan van zijn staat, en beloonde de nederigheid van zijn gemoed. Zij, die tot eer en rijkdom zijn bevorderd, moeten dikwijls denken aan hun klein begin, opdat zij nooit hoog van zichzelf denken, maar er zich steeds op zullen toeleggen om grote dingen te doen voor de God, die hen bevorderd heeft.
b. Hij wijst hem op het duidelijke van de orders, die hij had uit te voeren, vers 18. de HEERE heeft u op den weg gezonden, u op reis gezonden. Zo gemakkelijk was de dienst, en zó zeker de voorspoed, dat het eer een reis dan een oorlog genoemd wordt. Het werk was eervol om de gezworen vijanden van God en Israël te verdelgen, en indien hij zich had verloochend de overweging van zijn voordeel en gewin op zijde gezet had, zodat hij geheel Amalek had verdelgd met alles wat er toe behoorde, hij zou er in het einde niets bij verloren hebben, noch op zijn eigen kosten op deze krijg zijn uitgegaan, God zou ze hem ongetwijfeld vergoed hebben, zodat hij geen buit nodig zou hebben gehad. En daarom:
c. Toont hij hem hoe onverschoonbaar hij was, door zich door deze krijgstocht te willen verrijken, vers 19. "Waarom zijt gij tot den roof gevlogen? hebt gij voor uw eigen gebruik genomen wat tot eer van God vernietigd had moeten worden?" Zie van welk kwaad de geldgierigheid de wortel is, maar zie ook de zondigheid van de zonde, en datgene er in, hetwelk het bovenal kwaad doet zijn in de ogen des Heeren, het is ongehoorzaamheid: hebt gij naar de stem des HEEREN niet gehoord.
E. Saul herhaalt zijn rechtvaardiging van zichzelf, in weerwil van de overtuiging besloot hij daarbij te blijven, vers 20, 21
Hij ontkent de beschuldiging, vers 20. Ik heb immers naar de stem des HEEREN gehoord, ik heb alles gedaan wat ik moest doen", want hij heeft alles gedaan wat hij dacht te moeten doen, zoveel wijzer was hij in zijn eigen ogen dan God.
God gebood hem allen en alles te doden, en hij geeft onder de voorbeelden van zijn gehoorzaamheid op, dat hij Agag levend medegebracht heeft, wat evengoed was, dacht hij, als hem gedood te hebben. Zo denken vleselijke bedrieglijke mensen zich van Gods geboden te verontschuldigen met te doen wat zij er voor in de plaats stellen.
Hij blijft er bij, dat hij de Amalekieten zelf verbannen heeft, dat het voornaamste was van wat bedoeld werd, maar wat de roof aangaat hij erkent dat het verbannen had moeten worden zodat hij de wil des Heeren heeft gekend, en niet in dwaling was omtrent het gebod, maar hij dacht dat dit een moedwillige verkwisting zou zijn, in Mozes' tijd werd het vee van de Midianieten tot buit genomen, Numeri 31:32, waarom nu dan niet het vee van de Amalekieten? Het is toch beter dat het een prooi zou zijn voor de Israëlieten, dan voor de vogelen des hemels en de wilde dieren, daarom heeft hij het oogluikend toegelaten dat het volk het heeft weggevoerd, maar het was hun doen, niet het zijne, en daarenboven: het was om het de Heere hier te Gilgal te offeren, waar zij het nu heenbrachten. Zie hoe moeilijk het is om de kinderen van de ongehoorzaamheid te overtuigen van hun zonde, en hen van hun vijgebladeren te ontdoen.
F. Daar Saul bij zijn verdediging blijft wordt zij door Samuël uitvoerig en volledig beantwoord, vers 22, 23. Hij doet een beroep op zijn eigen geweten: Heeft de Heere lust aan brandofferen en slachtofferen als aan het gehoorzamen van de stem des Heeren?
Hoewel Saul niet zeer bekend was met de Godsdienst, kon het toch niet anders, of hij meest wel weten.
a. Dat aan God niets zo behaagt als gehoorzaamheid, neen, geen brandoffer noch slachtoffer of het vette van de rammen. Zie hier wat wij in al onze Godsdienstoefeningen op het oog moeten hebben, Gode welbehaaglijk te zijn, zodat Hij lust heeft in hetgeen wij doen. Als God een welbehagen heeft in ons en onze diensten, dan zijn wij gelukkig, dan hebben wij ons doel bereikt, maar anders: "Waartoe zal Mij zijn de veelheid uwer slachtoffers"? Jesaja 1:11. Nu wordt ons hier duidelijk gezegd dat ootmoedige, oprechte en nauwgezette gehoorzaamheid aan de wil van God Hem meer welbehaaglijk is dan alle brandofferen en slachtofferen. Een zorgvuldig nakomen van zedelijke geboden beveelt ons Gode meer dan alle waarnemen van plechtigheden, Micha 6:6, 8, Hosea 6:6.
Gehoorzaamheid wordt geboden door de eeuwige wet van de natuur, maar offerande alleen door een positieve wet, gehoorzaamheid was de wet van de onschuld, maar offerande onderstelt dat zonde in de wereld is gekomen, en is slechts een zwakke poging om datgene weg te nemen, wat gehoorzaamheid zou hebben voorkomen. God is meer verheerlijkt, en het eigen ik wordt meer verloochend door gehoorzaamheid, dan door offerande. Het is veel gemakkelijker om een ver of een lam te brengen om op het altaar verbrand te worden, dan om alle hoge gedachte tot de gehoorzaamheid aan God te brengen, en de wil te onderwerpen aan Zijn wil. Gehoorzaamheid is de roem van de engelen, Psalm 103:20, en zal ook onze roem zijn.
b. Dat niets zo Godtergend is als ongehoorzaamheid, onze wil te stellen tegenover de Zijne. Dit wordt hier weerspannigheid en wederstreven genoemd, en wordt gezegd even slecht te zijn als toverij en afgoderij, vers 23. Het is even slecht andere goden aan te nemen als in ongehoorzaamheid te leven aan de waren God. Zij, die geregeerd worden door hun eigen verdorven neigingen in tegenstand met het gebod Gods, raadplegen metterdaad de serafim (zoals het woord is, dat hier voor afgoderij gebruikt wordt) of de waarzeggers. Het was ongehoorzaamheid, die ons allen tot zondaars heeft gemaakt, Romeinen 5:19, o en het is de boosheid van de zonde, dat zij de overtreding is van de wet, en dus vijandschap is tegen God, Romeinen 8:7. Saul was een koning, maar als hij ongehoorzaam is aan Gods gebod zal zijn koninklijke waardigheid en macht de schuld niet van hem wegnemen van weerspannigheid en weerstrevendheid. Het is niet van de rebellie van een volk tegen hun vorst, maar van de vorst tegen God, dat deze tekst spreekt.
Eindelijk. Hij kondigt hem in korte woorden zijn oordeel aan: Omdat gij des Heeren woord verworpen hebt-het veracht hebt, zo leest het de Chaldeeër, het als niets geacht hebt, aldus de LXX, er de heerschappij van verworpen hebt, zo heeft Hij u verworpen, u veracht, u als niets geacht, maar u verworpen, dat gij geen koning zult zijn. Hij, die u koning gemaakt heeft, heeft besloten u van het koningschap te ontzetten." Diegenen zijn ongeschikt en onwaardig om over mensen te regeren, die niet willen dat God over hen zal regeren.