1 Samuël 13:1-7
Er wordt ons niet gezegd waarin het was, dat het volk van Israël tegen God zondigde zodat zij Zijn tegenwoordigheid verbeurden, en Hij Zijn hand tegen hen gekeerd heeft, zoals Samuël gedreigd heeft, Hoofdstuk 12:15.
Maar ongetwijfeld hebben zij God verlaten, want anders zou Hij hen niet verlaten hebben zoals hier blijkt dat Hij hen heeft verlaten want:
I. Saul was zeer zwak en onstaatkundig, en heeft zijn zaken niet verstandig geregeld. Saul was de zoon van een jaar, zo luidt het oorspronkelijke, een uitdrukking, die wij tot de betekenis maken van de datum van zijn regering, maar gewoonlijk betekent zij de datum van iemands geboorte, en daarom verstaan sommigen het in overdrachtelijken zin: hij was even onschuldig en goed als een kind van een jaar aldus heeft het de Chaldeeuwse paraphrast hij was schuldeloos, als een zoon van een jaar.
Maar indien wij een overdrachtelijken zin aannemen, dan kan het even goed te kennen geven, dat hij onwetend en onvoorzichtig was en zo ongeschikt voor zaken als een kind van een jaar, en de volgende bijzonderheden tonen dat dit meer dan het overige zijn aard en karakter was. Wij vatten het echter liever op in de zin van onze overzetting: Saul was een jaar in zijn regering geweest, en er was niets van belang voorgevallen, het was een jaar, waarin niets gedaan werd, maar in het tweede jaar deed hij als volgt:
1. Hij verkoos zich een krijgsbende van drie duizend man, waarvan hij twee duizend onder zijn eigen bevelen hield, en duizend onder het bevel gaf van zijn zoon Jonathan, vers 2.
De overigen van het volk zond hij naar huis, naar hun tenten. Indien hij deze nu alleen bestemde als lijfwacht voor zijn persoon en zijn eregevolg, dan was het onstaatkundig om er zovelen te hebben, indien als een staand leger uit vrees voor gevaar van de zijde van de Filistijnen, dan was het niet minder onstaatkundig om er zo weinigen te hebben, en misschien was het vertrouwen, dat hij stelde in dit uitgelezen getal, en zijn ontslaan van de overigen van het dappere leger, waarmee hij de Ammonieten had geslagen, Hoofdstuk 11:8,11, als een belediging opgenomen van het koninkrijk, en heeft dit een algemene ontevredenheid verwekt, en was dit de reden, waarom zo weinigen op zijn oproep zijn verschenen, toen hij hen nodig had. De vorst, die op een bijzondere partij steunt, verzwakt zijn invloed op de gehele gemeenschap.
2. Hij gaf bevel aan zijn zoon Jonathan om de bezetting van de Filistijnen, die in zijn nabijheid te Geba lag, te overvallen en te doden, vers 3.
Ik wenste wel dat er geen grond was voor de onderstelling, dat dit een schending was van een verdrag met de Filistijnen en dat het dus verraderlijk, in trouweloosheid geschiedde.
De reden, waarom ik dit vermoed is, omdat er gezegd is, dat Israël dieswege stinkende is geworden bij de Filistijnen, vers 4 als mensen, ontbloot van gewone eerlijkheid en trouw, op wier woord men niet kon vertrouwen. Indien dit zo is, dan geven wij er de schuld niet van aan Jonathan, die het gedaan heeft, maar aan Saul, zijn koning en vader, die het hem bevolen heeft, en hem wellicht er onbekend mee heeft gelaten hoe die zaak eigenlijk stond. Niets maakt de naam van Israël zo hatelijk voor hen, die buiten zijn, als het bedrog en de oneerlijkheid van hen, die deze eervoller naam dragen.
Als belijders van de Godsdienst misleiden en bedriegen, hun woord breken, het vertrouwen schenden, dat in hen gesteld wordt dan zal de Godsdienst daaronder lijden, en stinkende worden bij de Filistijnen. In wie zal iemand vertrouwen stellen, indien niet in een Israëliet? Iemand van wie men verwacht dat geen bedrog in hem is?
3. Toen hij aldus de Filistijnen verbitterd had, begon hij een leger op de been te brengen dat hij, indien hij wijs ware geweest, eerder had moeten doen.
Toen de Filistijnen gereed waren om zich met een zeer groot leger op hem te werpen, om het onrecht te wreken, dat hij hun aangedaan had toen blies hij met de bazuin in het gehele land, onder een onverschillig, indien al niet ontevreden volk, zeggende: Laat het de Hebreeën horen, vers 3 , en aldus zijn zovelen, als het gepast vonden, tot Saul gekomen te Gilgal, vers 4.
Maar nu kunnen wij onderstellen dat de meesten van hen zich terugtrokken, hetzij uit ontevredenheid over Sauls staatkunde, of uit vrees voor de macht van de Filistijnen: indien hij hen eerder had opgeroepen, zij zouden even bereid zijn geweest hem te volgen, als toen hij hen tegen de Ammonieten heeft aangevoerd. Dikwijls bevinden wij dat, zo de wijsheid, die te laat komt intijds ware gebruikt, veel onheil zou voorkomen zijn.
II. Nooit zijn de Filistijnen met zo geducht een leger opgekomen als nu zij door Saul zozeer tot toorn waren verwekt.
Wij kunnen onderstellen dat hun bondgenoten hun veel hulptroepen hadden gezonden, want, vers 5, behalve zes duizend ruiters, welke in deze tijden, toen paarden niet zoveel in de oorlog gebruikt werden als nu, een talrijke bende was, hadden zij nog een ongelooflijk aantal wagens, en wel dertig duizend, de meesten er van waren, naar wij kunnen onderstellen, bagagewagens voor zo talrijk een leger, maar geen krijgswagens.
Maar hun voetvolk dat in menigte als het zand is, dat aan den oever der zee is, zo ijverig waren zij voor de eer van hun volk, en zo verwoed om de laagheid van de Israëlieten, die hun bezetting hadden geslagen.
Indien Saul de mond Gods had gevraagd, eer hij de Filistijnen deze belediging had aangedaan, hij en zijn volk zouden deze dreigende benauwdheid beter hebben kunnen dragen, die zij nu door hun dwaasheid over zich gebracht hebben.
III. Nooit was het volk van Israël zo moedeloos, zo laag lafhartig, als het nu was. Enige tamelijk talrijke troepen zijn tot Saul te Gilgal gekomen, maar horende van het talrijke leger van de Filistijnen en van hun krijgstoerustingen, ontzonk hun de moed, naar sommigen denken, omdat zij Samuël niet bij Saul vonden. Zij, die een wijle tevoren hem moede waren en een koning begeerden, hadden nu weinig vreugde in hun koning, als zij hem niet onder Samuëls leiding zagen. Vroeg of laat zal het de mensen getoond worden, dat God en Zijn profeten hun beste vrienden zijn. Nu zij zagen dat de Filistijnen hun de oorlog gingen aandoen, en dat Samuël niet kwam om hen te helpen, wisten zij niet wat te doen, ontging hun het hart, en zij verschrikten. En:
1. Sommigen verborgen zich. Veeleer dan de dood tegemoet te gaan onder de Filistijnen, gingen zij zich levend begraven in spelonken en doornbossen, vers 6. Zie wat de zonde aanricht, zij stelt de mensen bloot aan gevaar, en dan berooft zij hen van hun moed. Een enkel persoon kan door het geloof zeggen: "Ik zal niet vrezen voor tienduizenden", Psalm 3:7, maar hier zijn duizenden van ontaarde Israëlieten, die sidderen op de nadering van een groot aantal Filistijnen. Schuld maakt de mensen tot lafaards.
2. Anderen vluchtten, vers 7. Zij gingen over de Jordaan in het land van Gad en Gilead, zover weg als zij konden van het gevaar, en naar een plaats waar zij onlangs de overwinning hadden behaald over de Ammonieten, waar zij getriomfeerd hadden, hoopten zij nu beschut te worden.
3. zij, die bij Saul bleven, kwamen bevende achter hem, niet anders verwachtende dan gedood te worden, hun handen en hun hart zeer verzwakt zijnde door het deserteren van zovelen van hun troepen. En hoewel Saul nog eergevoel genoeg had om stand te houden, had hij misschien toch geen moed over om er zijn sidderende krijgslieden mee te bezielen.