1 Samuël 12:16-25
Samuël heeft hier twee dingen op het oog:
I. Het volk te overtuigen van hun zonde in een koning te begeren. Zij verheugden zich nu voor het aangezicht Gods in en met hun koning, Hoofdstuk 11:15, en offerden Gode de offeranden des lofs, die zij hoopten Gode welbehaaglijk te zijn, en dit heeft hen misschien doen denken, dat er geen kwaad was in hun vragen om een koning, maar dat zij er werkelijk goed in gedaan hebben, daarom legt Samuël het hun ten laste als hun zonde, als kwaad, groot kwaad in de ogen des HEEREN.
Hoewel wij voorspoed en welslagen kunnen ondervinden op een weg van zonde, moeten wij er daarom niet te gunstiger over denken. Zij hebben een koning, en als zij zich goed gedragen, kan hun koning een grote zegen voor hen zijn, en toch wil Samuël dat zij zullen begrijpen en zien, dat hun kwaad groot is, dat zij een koning voor zich begeerd hebben.
Wij moeten nooit gunstig denken van hetgeen God in Zijn wet ongunstig aanziet, al is het ook, dat Hij in Zijn voorzienigheid het schijnt goed te keuren.
Merk op:
1. De uitdrukking van Gods misnoegen tegen hen wegens hun vragen om een koning. Op Samuëls woord zond God ontzettender donder en regen over hen, op een tijdstip van het jaar, als wanneer dit in dat land nooit tevoren gezien of gehoord is, vers 16-18.
Donder en regen hebben natuurlijke oorzaken en soms schrikkelijke uitwerkingen. Maar Samuël heeft hen doen zien, dat dit onweder door de almacht Gods gezonden was om hen er van te overtuigen, dat zij kwaad gedaan hebben dat zij een koning begeerd hebben, niet slechts doordat het op een ongewoner tijd kwam in de tarweoogst, maar ook op een helderen dag, als er geen teken was te bespeuren van een komend onweder behalve dat hij het vooruit aankondigde.
Indien er donder en regen ware geweest terwijl hij tot hen sprak, hij zou dit hebben kunnen gebruiken tot hun ontdekking en overtuiging, zoals wij dat in eenzelfde geval ook kunnen, maar door het niet minder de een wonder te maken:
a. Sprak hij er van tot hen, voordat donder en regen kwamen, vers 16, 17.
Stel u nu hier, en ziet die grote zaak, die de HEERE voor uw ogen doen zal.
Hij had hun gezegd: Stelt u hier en hoort, vers 7,,
maar wijl hij bemerkte dat zijn richten met hen, dat is: zijn redeneren met hen, hen niet aandeed, (zo stompzinnig en onnadenkend waren zij) zegt hij hun nu: "stelt u hier en ziet." Indien hetgeen hij tot hen zei met zachte stem hun hart niet trof, noch zijn leer, die vloeide als een dauw, hen aandeed, zullen zij God tot zich horen spreken in ontzettende donderslagen en de groten regen van Zijn kracht. Hij beriep zich hierop als op een teken: Ik zal tot den HEERE roepen, en Hij zal donder en regen geven, ze nu geven, om het woord Zijns knechts te bevestigen, en u te doen zien dat ik waarheid gesproken heb, toen ik u zei: dat God vertoornd op u is omdat gij een koning hebt begeerd. En de uitkomst bewees dat hij een waar profeet was, het teken is geschied.
b. Hij sprak er om tot God. Samuël riep de Heere aan, en als verhoring van zijn gebed, gaf de HEERE, terwijl hij nog sprak, donder en regen.
Hiermede heeft Samuël doen zien niet alleen welk een machtigen invloed God heeft op de dingen van de aarde, daar Hij plotseling als geen natuurlijke oorzaken er toe medewerkten, deze ontzettender regen en donder kon voortbrengen uit Zijn schatkameren, Psalm 135:7, , maar ook welk een machtige invloed hij had in de hemel, dat God aldus "de stem eens mans verhoorde", Jozua 10:14, en "antwoordde uit de schuilplaats des donders", Psalm 81:8. Samuël, het kind des gebeds, was nog vermaard om zijn voorspoed in het gebed.
Nu heeft God door deze buitengewonen donder en regen, gegeven bij deze gelegenheid:
a. Zijn misnoegen betuigd tegen hen, op dezelfde wijze, als Hij het tevoren betuigd heeft-en ook op het gebed van Samuël-tegen de Filistijnen, Hoofdstuk 7:10. De HEERE donderde te dien dage met een groten donder over de Filistijnen, en Hij verschrikte hen, zodat zij verslagen werden.
Nu Israël weerspannig was en Zijn heilige Geest smarten aandeed, is Hij hun in een vijand verkeerd, en streed Hij tegen hen met dezelfde wapens, die Hij niet lang tevoren tegen hun vijanden had gebruikt, Jesaja 63:10.
b. Hij toonde hun hun dwaasheid in een koning te begeren, liever dan God of Samuël om hen te behouden, zich meer treil belovende van een vlesen arm, dan van de arm Gods of van de kracht des gebeds.
Kon hun koning "gelijk God met de stem donderen?" Job 40:4.
Kon hun vorst over zulke krachten gebieden als de profeet door zijn gebeden?
c. Hij gaf hun te kennen dat hoe kalm en voorspoedig een aanzien hun zaken nu hadden, nu zij een koning bezaten, evenals het weer in de tarweoogst, God toch, zo het Hem behaagde, het aanzien des hemels kon veranderen, en hen met Zijn onweder kon vervolgen, zoals de psalmist het uitdrukt.
2. De indruk, die dit maakte op het volk. Zij werden zeer verschrikt, en daar was reden toe.
a. Toen vreesde al het volk zeer den HEERE en Samuël. Zij dachten wel dat zij, toen zij een koning hadden, hem alleen behoefden te vrezen, maar God heeft hun doen weten dat Hij grotelijks te vrezen is en Zijn profeten om Zijnentwil. Nu zij zich verheugden in hun koning, leerde God hun zich te verheugen met beving.
b. Zij erkennen hun zonde en dwaasheid in een koning te begeren, vers 19. Boven al onze zonden hebben wij dit kwaad daartoe gedaan, dat wij voor ons een koning begeerd hebben. Sommige mensen kunnen er niet toe gebracht worden hun zonden te zien door enigerlei zachter manier of methode dan door storm en donder. Samuël heeft hun deze belijdenis niet ontwrongen voordat de zaak beslist en de koning bevestigd was, opdat het de schijn niet zou hebben, dat hij er veeleer mee bedoelde zichzelf in de regering te bevestigen dan hen tot berouw te bewegen. Nu zij zichzelf vleien in hun ogen, bevinden zij hun ongerechtigheid, dat zij te haten is, Psalm 36:3.
c. Zij verzochten dringend om Samuëls gebed, vers 19. Bid voor uw knechten den HEERE, uw God, dat wij niet sterven. Zij beseften hun gevaar van de toorn Gods, en konden niet verwachten dat Hij hun gebed voor henzelf zou verhoren, en daarom smeken zij Samuël voor hen te bidden.
Nu zien zij hoe nodig zij de man hebben, die zij tevoren hebben veronachtzaamd. Zo zouden velen, die niet willen dat Christus over hen zal heersen, zeer blij zijn als Hij voorbede voor hen wilde doen, om de toorn Gods van hen af te wenden.
En de tijd kan komen, als zij, die biddende mensen hebben bespot en veracht, hun gebeden op prijs zullen stellen, en er in zullen willen delen. Bid", zeggen zij, den HEERE, uw God, wij weten niet hoe Hem onze God te noemen, maar zo gij enige invloed bij Hem hebt, wend hem aan ten onze behoeve.
II. Hij bedoelt het volk te bevestigen in hun Godsdienst en hen te verbinden om de Heere voor altijd aan te kleven. Doel en strekking van deze rede komen grotelijks overeen met die van Jozua, Jozua 23 en 24.
1. Hij wilde niet dat de verschrikkingen des HEEREN hen van Hem weg zouden schrikken, want zij waren bedoeld om hen tot Hem heen te schrikken, vers 20. Vreest niet, gij hebt al dit kwaad gedaan, en hoewel God er vertoornd om is op u, moet gij daarom toch Zijn dienst niet verlaten, noch van achter de HEERE afwijken. Vreest niet, dat is: "Wanhoopt niet, vreest niet met schrik en ontzetting, na de storm zal het weer herder worden. Vreest niet, want God kan Zijn volk wel toornig aanzien, maar Hij zal het toch niet verlaten, vers 22, om Zijns groten Naams wil verlaat gij Hem dus niet."
Iedere overtreding van het verbond mishaagt de HEERE wel, maar daarom werpt Hij ons nog niet uit het verbond, en daarom moeten Gods rechtvaardige bestraffingen ons de hoop niet benemen op Zijn goedertierenheid.
De vastheid van Gods verkiezing komt voort uit het vrijwillige er van, en zo kunnen wij hopen, dat Hij Zijn volk niet zal verlaten, omdat het Hem beliefd heeft hen tot Zijn volk te maken. Indien Hij hen verkoren had omdat zij zo verdienstelijk zijn, dan zouden wij kunnen vrezen, dat Hij hen zal verlaten om het kwaad dat zij verdiend hebben, maar hen verkoren hebbende om Zijns Naams wil, zal Hij om Zijns naams wil hen niet verlaten.
2. Hij waarschuwt hen tegen afgoderij. Wijkt niet van achter den HEERE af, maar dient den HEERE met uw ganse hart vers 20 en weer in vers 21 "En wijkt niet af",
3. Hij vertroost hen met de verzekering, dat hij volharden zal in zijn zorg voor en zijn belangstelling in hen, vers 23. Zij wensten dat hij voor hen zou bidden, vers 19 , hij had kunnen zeggen: "Gaat tot Saul, en laat hem voor u bidden, hem, de koning, die gij in mijn plaats hebt gesteld", maar zover is het van hem om hun hun minachting van hem te verwijten, dat hij hun veel meer belooft dan zij hem vragen.
a. Zij vroegen het hem als een gunst, hij beloofde het hun als een plicht, en schrikt bij de gedachte van die plicht na te laten.
Voor ulieden te bidden! zegt hij, het zij verre van mij, dat ik tegen den HEERE zou zondigen, dat ik zou aflaten voor ulieden te bidden.
Het is een zonde tegen God om niet te bidden voor het Israël Gods, inzonderheid voor diegenen van hen, die onder onze zorg en hoede zijn, en Godvruchtige mensen zijn bang voor de schuld van nalaten, of verzuim.
b. Zij vroegen hem om toen voor hen te bidden, bij deze gelegenheid, maar hij belooft hun voor hen te zullen blijven bidden, er, zolang hij leefde, niet van te zullen aflaten. Onze regel is: te bidden zonder ophouden, wij zondigen als wij het gebed in het algemeen beperken of terughouden, en in het bijzonder als wij aflaten te bidden voor de kerk.
c. Zij vroegen hem slechts voor hen te bidden, maar hij beloofde meer voor hen te doen, niet slechts voor hen te bidden, maar hen te onderwijzen, hoewel zij niet onder zijn regering als richter wilden zijn, wilde hij hun daarom zijn onderricht als profeet niet onthouden. En zij kunnen er verzekerd van zijn, dat hij hun niets anders dan den goeden en rechten weg leren, en de rechte weg is voorzeker de goede weg, de weg van de plicht, de weg van genot en van voordeel.
4. Hij besluit met een ernstige vermaning tot praktischer Godsdienst en ernstige Godsvrucht, vers 24, 25. De grote plicht, die hun hier op het hart wordt gedrukt, is: de Heere te vrezen. Vreest niet," had hij gezegd in vers 20, "vreest niet met een slaafse vrees", maar hier: "Vreest de Heere met een kinderlijke vreze.
Als vrucht en bewijs hiervan dient Hem in de plichten van de Godsverering en van een Godvruchtigen wandel, in waarheid en oprechtheid, en niet slechts in uitwendige belijdenis en vertoon, maar met uw hart, met uw gehele hart niet veinzende, niet met een verdeeld hart." En hij voert twee dingen aan bij wijze van beweegreden:
a. Dat zij uit dankbaarheid verplicht waren God te dienen uit aanmerking van de grote dingen, die Hij voor hen gedaan heeft, om hen voor altijd aan Zijn dienst te verbinden.
b. Dat hun eigen belang hun de plicht oplegde om Hem te dienen, uit aanmerking van de grote dingen, die Hij tegen hen zou doen, indien zij voortaan kwaad zouden doen: Gij zult omkomen door de oordelen Gods, gij en uw koning, op wie gij zo trots zijt, en van wie gij zulke grote verwachtingen hebt, en die een zegen voor u zijn zal, indien gij u aan God houdt." Zo heeft hij, als een getrouw wachter, hen gewaarschuwd, en aldus zijn eigen ziel bevrijd.