1 Kronieken 7:20-40
Wij hebben hier een bericht:
I. Van de stam van Efraïm. Grote dingen lazen wij van die stam toen hij tot rijpheid was gekomen. Hier hebben wij een bericht van de rampen van zijn kindsheid, toen hij nog in Egypte was, naar het schijnt, want Efraïm zelf was nog in leven toen deze dingen geschiedden, hetgeen men zich echter moeilijk kan voorstellen indien het, zoals hier opgegeven is, zeven geslachten na hem is voorgevallen. Daarom ben ik geneigd te denken dat het of een andere Efraïm was, of zij, die hier verslagen werden, de eigen zonen waren van die Efraïm, die de zoon van Jozef was. In deze passage, die hier alleen voorkomt, hebben wij:
1. De grote scheur, die gemaakt werd in het geslacht van Efraïm. De mannen van Gath, Filistijnen, reuzen, doodden velen van hen, omdat zij afgekomen waren om hun vee te nemen, vers 21. Het is onzeker wie hier de aanvallers waren.
a. Sommigen houden de mannen van Gath voor de aanvallers, mannen "geboren in het land van Egypte", maar nu te Gath woonachtig, dat zij een inval deden in het land Gosen, om het vee van de Efraïmieten weg te drijven, en de eigenaars doodden, omdat zij zich tegen de roof verzetten. Het leven van menigeen werd aan gevaar blootgesteld door zijn rijkdom, zover is het er vandaan dat des rijken goed een stad van zijn sterkte is.
b. Anderen denken dat de Efraïmieten een aanval deden op de mannen van Gath om hen te beroven, in de veronderstelling dat de tijd gekomen was, wanneer zij in het bezit van Kanaän gesteld zouden worden, maar zij hebben hun roekeloosheid en overijling zwaar geboet.
Zij, die Gods tijd niet kunnen afwachten, kunnen Gods zegen niet verwachten. Ik denk veeleer dat de mannen van Gath op de Efraïmieten afkwamen, omdat de Israëlieten in Egypte herders waren, geen krijgslieden, overvloed van vee hadden, en dus niet licht hun leven zouden wagen om het vee hunner naburen te roven, en de woorden kunnen ook aldus gelezen worden: "De mannen van Gath doodden hen, als zij afgekomen waren om hun vee te nemen".
Dr. Lightfoot denkt dat Zabad, de zoon van Efraïm, en Suthelah, en Ezer, en Elad, zijn kleinzonen, de mannen waren, die gedood werden. Jakob had voorzegd dat het zaad van Efraïm "een volle menigte van volkeren" zal worden, Genesis 48:19, en toch wordt die plant aldus in de kiem gesmoord.
De leidingen van Gods voorzienigheid schijnen soms in tegenspraak met Zijn beloften, maar als zij dit doen dan verheerlijken zij in werkelijkheid de belofte en maken de vervulling er van zoveel treffender. De Efraïmieten waren de nakomelingen van Jozef en toch kon zijn macht hen niet beschermen, hoewel hij, naar sommigen denken, nog in leven was. Het zwaard verteert zowel deze als genen.
2. De grote smart, die de vader van het gezin hierop aangreep. "Daarom droeg Efraïm, hun vader, vele dagen leed". Niets doet de ouden van dagen met meer leed ten grave dalen dan dit, dat zij degenen, die uit hen zijn voortgekomen, naar het graf moeten brengen, inzonderheid als deze een geweldigen dood zijn gestorven. Het is dikwijls de smart van hen, die oud worden, dat zij diegenen voor hen zien heengaan, van wie zij zeiden: "Dezen zullen ons troosten".
Het was een broederlijke, vriendelijke dienst, die zijn broederen deden, toen zij "kwamen om hem te troosten" in zijn zware beproeving, hem hun deelneming te kennen te geven en hem te wijzen op hetgeen hem steunen en tot kalmte brengen kon onder zijn leed.
Waarschijnlijk herinnerden zij hem aan de belofte van toeneming, waarmee Jakob hem gezegend had, toen hij zijn rechterhand op zijn hoofd legde. Hoewel zijn huis alzo niet was bij God als hij gehoopt had, naar een huis van rouw een verstrooid gezin, was toch de belofte gewis, 2 Samuël 23:5.
3. De herstelling dier scheur enigermate door de toevoeging aan zijn gezin van nog een zoon, in zijn ouderdom, vers 23, zoals Seth, "een ander zaad voor Habel die Kaïn doodgeslagen heeft", Genesis 4:25.
Als God aldus Zijn treurenden vertroost, "verblijdt naar de dagen, waarin Hij gedrukt heeft", en de zegeningen stelt tegenover de kruisen, dan moeten wij hierin de vriendelijkheid en barmhartigheid opmerken van de voorzienigheid Gods, het is dan alsof "het Hem berouwde over Zijn knechten", Psalm 90:13, 15.
Maar de vreugde, dat een mens in zijn gezin was geboren, kon hem zijn smart niet doen vergeten, want hij geeft een treurigen naam aan die zoon, Beria, in ellende, want hij was geboren toen het kwaad was in zijn huis.
Het is goed om de beproeving en ellende, de gal en alsem in herinnering te houden, opdat onze ziel "zich in ons nederbukke", Klaagliederen 3:19, 20.
Welke naam is meer geschikt voor "de mens, die van een vrouw is geboren, dan Beria", omdat hij in een ellendige wereld geboren is? Als nog een verdere eer voor het huis van Efraïm wordt er bijgevoegd:
a. Dat een dochter van die stam, Seëra genaamd, ten tijde van Israëls vestiging in Kanaän enige steden heeft gebouwd, hetzij op haar kosten of door haar zorg, een er van droeg de naam van Uzzen-Seera, vers 24. Een deugdelijke vrouw kan een even grote eer en zegen zijn voor een geslacht als een krachtig en machtig man.
b. Dat een zoon van die stam gebruikt werd voor de verovering van Kanaän, Jozua, de zoon van Nun, vers 27. Ook hierin werd de scheur, gemaakt in Efraïms geslacht, geheeld, en misschien heeft de wrok over dit kwaad, voorheen door de Kanaänieten aan de Efraïmieten gedaan, hem zoveel te krachtiger gemaakt in deze krijg.
II. Van de stam van Aser. Sommige mannen van aanzien uit die stam worden hier genoemd. Hun krijgsmacht was niet talrijk in vergelijking met sommigen van. de andere stammen, met alles en alles slechts zes en twintig duizend man, maar hun vorsten waren "uitgelezen, kloeke helden", vers 40, en misschien was het verstandig van hen, dat zij geen al te grote krijgsmacht op de been hielden doch liever weinige, maar goed geoefende troepen hadden, die zeer geschikt waren voor de dienst.