28. Ook alles wat Samuël, de ziener, geheiligd had, die in zijn tijd reeds de toekomstige tempelbouw in het oog had (
Hoofdstuk 9:22), en Saul, de zoon van Kis (
1 Samuël 14:47 vv.), en Abner de zoon van Ner, Sauls opperbevelhebber (
1 Samuël 14:50), en Joab, de zoon van Zeruja, Davids opperbevelhebber (
2 Samuël 8:16): al wat iemand geheiligd had, was onder de hand van Selomith en zijn broederen.
Drie soorten van schatten worden in onze afdeling onderscheiden, waar van de bewaring aan verschillende beambten was toevertrouwd. 1. De Jehiëlieten, Zetham en Joël (Vers 21, 26:21) hadden het toezicht over de schatten van het huis van God, die, volgens Hoofdstuk 29:6-8, uit vrijwillige gaven waren samen gebracht; 2. Sebuël (Vers 23) was overste over de schatten, die door de geregelde opbrengst van het hoofdgeld (Exodus 30:11), door de losgelden voor de eerstgeborenen (Numeri 18:16), of voor de geloften (Leviticus27:1, vgl. 2 Koningen .12:4) inkwamen; 3. Selomith en zijn broeders (Vers 25) hadden het toezicht op de geschenken, die de Heere geheiligd waren, die ook in 2 Koningen 12:18 als een bijzondere afdeling van de tempelschatten voorkomen. Omdat Zetham en Joël tot het geslacht van de Gersonieten, maar Sebuël en Selomith tot dat van de Kehathieten behoorden, zo had het geslacht van de Merarieten aan de bewaring van de schatten geen deel ontvangen; eveneens bleef bij het ambt van de poortiers (Vers 1) het geslacht van de Gersonieten buiten aanmerking; daarentegen werden voor het uitwendige werk van de ambtlieden en rechters (vers 29) uitsluitend Kehathieten gekozen, waarschijnlijk, omdat men dit werk voor een vergoeding van het vroegere aanzag, omdat zij zorg moesten dragen over het afbreken, het dragen en opstellen van de heilige tent, welke werkzaamheid met de bouw van een vast Godshuis voor altijd wegviel..
Wij hebben deze opmerking van Dächsel laten staan, omdat zij het gevoelen van ook andere uitleggers weergeeft. Wij voor ons verwerpen die verdeling in 3 soorten van schatten, omdat in Vers 20 slechts van tweeërlei soort van schatten gesproken wordt, die van het huis van God en de schatten van de geheiligde dingen. De eerste soort waren de vaste en geregelde inkomsten van het huis van God, in de bovenstaande aanmerking onder 1, 2 vermeld, de tweede soort bestond uit de aan het huis van de Heere geheiligde geschenken (2 Koningen .12:19). Deze beide soorten worden in Vers 22 en Vers 26 ook weer vermeld, terwijl in Vers 24 alleen staat, dat Sebuël was overste over de schatten. En nu betekent overste (in het Hebreeën dygn (nagid)) hier niets minder dan opper-rentmeester. Sebuël was derhalve opper-rentmeester of schatbewaarder, onder wie de in Vers 22, 26 genoemden als gewone schatbewaarders stonden. Het valt dan ook op, dat in Vers 22, 26 van meerderen wordt gesproken, van helpers, terwijl Sebuël's naam alleen staat vermeld.
In Hoofdstuk 23:16 komt hij voor als het hoofd van de vier van Kehath afstammende geslachten van Levieten en van daar dat hij niet vóór Vers 21, maar in Vers 24 vermeld wordt.
VIII. Vers 29-32. Eindelijk de vierde klasse, die van de ambtlieden en rechters, bestaande uit Kehathieten van de beide geslachten Jizhar en Hebron, verdeelde zich in die, die aan deze zijde van de Jordaan in het Westland, en in de andere, die aan de andere zijde van de Jordaan in het gebied van de twee en een halve stammen, het ambt moesten bedienen en zowel tot allerlei werkzaamheden van het huis van de Heere als tot de dienst van de koning bestemd waren.