1 Kronieken 29:1-9
I. Hier kunnen wij opmerken op hoe schone wijze David de grote mannen Israëls toesprak om hen op te wekken om bijdragen te geven voor de bouw van de tempel.
Het is onze plicht acht op elkaar te nemen tot opscherping van de liefde en van de goede werken, niet alleen zelf goed te doen, zoveel wij slechts kunnen.
Er waren veel zeer rijke mannen in Israël, zij zullen allen delen in het voorrecht van de tempel en van de vreedzame dagen, die er de bouw van zullen bevorderen, daarom wilde hij hun wel niet een belasting er voor opleggen, maar hun de schone gelegenheid aanbevelen om vrijwillige gaven te brengen, omdat hetgeen voor werken van de Godsvrucht en van de barmhartigheid gedaan moet worden, vrijwillig gedaan behoort te worden en niet door dwang, want God heeft een blijmoediger gever lief.
1. Hij wilde dat zij zouden bedenken, dat Salomo nog jong en teder was en hulp nodig had, maar dat hij de persoon was, die God verkoren had om dit werk te doen, en die daarom hun hulp wel waardig was. Het is een goed werk, om diegenen tot de dienst van God aan te moediger, die nog jong en teder zijn.
2. Dat het een groot werk was en alle handen moesten medewerken om het voort te zetten. Het paleis, dat gebouwd moest worden, was niet voor een mens, maar voor de Heere God, en hoe meer bijgedragen werd tot het bouwen er van, zoveel prachtiger zal het worden en zoveel beter dus aan zijn doel beantwoorden.
3. Hij deelt hun mee welke grote toebereidselen er gemaakt zijn voor dit werk. Het was zijn bedoeling niet hen al de lasten er van te laten dragen, en ook niet dat het geheel en al uit bijdragen gebouwd zou worden, maar dat zij hun goeden wil zouden tonen door aan hetgeen gedaan was iets toe te voegen, vers 2. Ik heb uit al mijn kracht bereid, dat is: "ik heb er mijn voornaamste werk van gemaakt." Werk voor God moet uit al onze macht gedaan worden, of wij zullen niets tot stand brengen.
4. Hij geeft hun een goed voorbeeld. Behalve wat tot deze dienst geheiligd was uit de buit en de geschenken van de naburige volken, en bestemd was voor de bouw van het huis (dat wij tevoren hadden in Hoofdstuk 22:14), had hij uit zijn eigen aandeel mildelijk geofferd voor de versiering en verrijking ervan, drie duizend talenten gouds en zeven duizendtalenten zilvers, vers 4, 5, omdat hij zijn genegenheid, zijn hart op het huis van God gevestigd had.
Hij gaf dit alles, niet zoals de papisten kerken bouwen inplaats van hun opgelegde boetedoening voor hun zonden, noch zoals de Farizeeën aalmoezen geven, om van de mensen gezien te worden, maar zuiver en alleen omdat hij de woning van Gods huis liefhad zoals hij beleed in Psalm 26:8, en het hier bewees.
Zij, die hun genegenheid stellen op de dienst van God zullen er geen moeite of onkosten te veel voor achten. En als onze offeranden uit liefde voortkomen, zijn zij Gode welbehaaglijk. Zij, die hun genegenheid stellen op de dingen, die boven zijn, zullen hun genegenheid stellen op het huis van God, door hetwelk onze weg naar de hemel loopt.
Diegenen inzonderheid, die boven anderen bevorderd zijn in rang en waardigheid, moeten er zich zeer bijzonder op toeleggen om hun licht te laten schijnen voor de mensen, omdat de invloed van hun voorbeeld krachtiger en uitgebreider is dan dat van andere mensen.
5. Hij wekt hen op om te doen zoals hij gedaan heeft, vers 5.
En wie is er willig heden zijn hand de Heere te vullen?
a. Wij moeten een ieder van ons, in onze onderscheiden plaatsen, de Heere dienen en Hem onze dienst wijden, hem afzonderen van andere dingen, die er vreemd aan zijn of hem belemmeren, en hem bestemmen en aanwenden tot eer en heerlijkheid Gods.
b. Wij moeten van de dienst van God ons werk maken, onze hand de Heere vullen. Zij, die zich tot de dienst van God verbinden, zullen hun handen vol hebben, er is in die dienst werk genoeg voor de gehelen mens. Het vullen van onze handen met de dienst van God geeft te kennen dat wij Hem alleen moeten dienen, Hem ruim, vrijgevig moeten dienen, Hem dienen in de kracht van de genade van Hem ontvangen.
c. Wij moeten daar vrij in zijn, het gewillig en spoedig doen, het heden doen, als wij in een goede gezindheid zijn. Wie is willig? Laat hem het nu tonen.
II. Hoe mild zij allen bijgedragen hebben tot de bouw van de tempel, toen zij er aldus toe opgewekt werden. Hoewel zij er toe bewogen werden, wordt toch gezegd: zij gaven vrijwillig, vers 6.
Dat zei Hij, die hun hart kende. Ja meer, zij gaven met een volkomen hart, uit een goed beginsel en in oprechte bedoeling voor de eer Gods, vers 9. Hoe edelmoedig zij waren blijkt uit de som totaal van hun bijdragen, vers 7, 8. Zij gaven naar zij waren, als vorsten, als vorsten Israëls. En het was een lieflijke dag werke, want:
1. Het volk was verblijd, hetgeen bedoeld kan zijn van het volk zelf, dat offerde zij waren blijde met de gelegenheid om God te eren met hun goed en blijde in het vooruitzicht van dit goede werk tot volkomenheid te brengen. Of, het gewone, het geringe, volk was blijde om de edelmoedige milddadigheid van hun vorsten, blijde zulke oversten te hebben, die ijverig waren voor dit goede werk. Iedere Israëliet is blij om tempelwerk te zien geschieden met kracht en ijver.
2. David verblijdde zich met grote blijdschap om de goede uitwerking te zien van zijn psalmen en de andere hulpmiddelen van Godsvrucht, waarvan hij hen had voorzien, verblijdde zich dat zijn zoon en opvolger omringd zal zijn van degenen, die het huis Gods zo welgezind waren, en dat dit werk, waarop hij zozeer zijn hart had gezet, waarschijnlijk voortgang zal hebben. Het is voor Godvruchtigen, die de wereld gaan verlaten, een grote verkwikking, om hen, die zij achterlaten, ijverig te zien voor de Godsdienst, die zij waarschijnlijk in stand zullen houden. Nu laat Gij, Heere, Uw dienstknecht gaan in vrede.