1 Kronieken 26:20-28
1. Merk op: Dat er schatten van het huis Gods waren. Een groot huis kan niet gehouden worden, zonder dat er bergplaatsen zijn voor allerlei provisie. Veel werd iederen dag aan het altaar ten koste gelegd: meelbloem, wijn, olie, zout, brandstof, behalve de lampen, grote hoeveelheden daarvan moesten voorhanden zijn, behalve nog de heilige klederen en gereedschappen. Dat waren de schatten van het huis Gods. En omdat geld alles verantwoordt, hadden zij dit ook waarschijnlijk in overvloed, dat ontvangen was uit de offeranden des volks, waarmee zij kochten wat zij nodig hadden. En misschien werd ook veel opgelegd voor geval van nood. Deze schatten waren een type van de overvloed, die er in het huis is van onze hemelsen Vader, genoeg en nog over. In Christus, de waren tempel, zijn de schatten van wijsheid, en kennis, en onnaspeurlijken rijkdom verborgen.
2. Er waren schatten van geheiligde dingen, meestal geheiligd uit de buit in de krijg verkregen, vers 27, als een dankbare erkenning van de bescherming Gods. Abraham heeft aan Melchizedek de "tienden gegeven uit de buit," Hebreeën 7:4.
In Mozes' tijd hebben de oversten van het leger, wanneer zij als overwinnaars wederkeerden, de Heere een offerande gebracht uit de door hen behaalde buit, Numeri 31:50.
Dit vrome gebruik was nu onlangs weer verlevendigd, en niet alleen Samuël en David maar Saul en Abner en Joab hadden gedeelten van hun buit aan de eer en het onderhoud van het huis Gods gewijd, vers 28,.
Hoe meer God ons schenkt, hoe meer Hij van ons verwacht in werken van Godsvrucht en barmhartigheid. Grote voorspoed eist hiermede overeenkomende blijken van dankbaarheid.
Als wij het oog laten gaan over onze bezittingen, dan moet de gedachte bij ons opkomen: "Hier zijn gerieflijke dingen, kostbare dingen misschien, en fraaie dingen, maar waar zijn de aan God gewijde dingen?" Krijgslieden moeten God eren met de buit, die zij behalen.
3. Deze schatten hadden schatbewaarders, personen, die er over gesteld waren, vers 20, 26, wier werk het was ze te bewaren, opdat mot noch roest ze zou verderven, en geen dieven zouden doorbreken om ze te stelen, ze uit te geven naar het nodig was, en wèl toe te zien dat zij niet verspild, verduisterd, of tot gewoon gebruik vervreemd werden, en waarschijnlijk hebben zij boek gehouden van alles wat inkwam, en hoe het uitgegeven werd.