1 Kronieken 2:1-17
1. Hier is het geslecht van Jakob. Zijn twaalf zonen worden hier allen genoemd, dat doorluchtige getal, zo dikwijls schier door geheel de Bijbel gevierd, van het eerste tot het laatste boek ervan. Bij iedere gelegenheid ontmoeten wij de twaalf stammen, die uit deze twaalf patriarchen zijn voortgekomen. Het persoonlijk karakter van verscheidenen van hen was alles behalve loffelijk (de eerste vier waren wel zeer te laken) en toch ging het verbond over op hun geslacht, want het was uit genade, vrije genade, dat gezegd is: "Jakob heb Ik liefgehad. Niet uit de werken, opdat niemand roeme."
2. Het geslacht van Juda. Die stam werd het meest geprezen, het meest vermenigvuldigd, en het meest geëerd, en daarom is zijn geslachtsregister het eerst vermeld, en het uitvoerigst van allen. In het bericht, dat hier gegeven wordt van de eerste takken van die statiger boom, waarvan Christus de bovenste tak zal zijn, vinden wij sommigen,
a. Die zeer slecht waren. Hier is Er, Juda's oudste zoon, die kwaad was in de ogen des Heeren, en afgesneden werd in het begin van zijn dagen door een slag van de Goddelijke wraak, de Heere doodde hem.
Zijn broeder, die op hem volgde, was niet beter, en het verging hem niet beter. Hier is Thamar, met wie Juda, haar schoonvader bloedschande bedreef, vers 4.
En hier is Achan, Achar genaamd, een beroerder, die Israël beroerde, door zich aan het verbannene te vergrijpen, vers 7. De beste en eerzaamste families kunnen leden hebben, wier karakter bevlekt is.
b. Sommigen, die zeer wijs en Godvruchtig waren, zoals Heman en Ethan, en Chalcol, en Dara, die misschien niet de eigen zonen waren van Zerah, maar van hem afstamden, en genoemd worden, omdat zij de eer waren van huns vaders huis, want als de Heilige Geest de wijsheid van Salomo wil verheffen, verklaart Hij hem wijzer dan deze vier mannen, die, hoewel zij de zonen zijn van Mahol, Ezrahieten genoemd werden, naar Zerah, 1 Koningen 4:31. Dat vier broeders uitgemunt hebben in wijsheid en genade is wel iets zeer zeldzaams.
c. Sommigen, die zeer groot waren, zoals Nahesson die vorst van de stam van Juda is geweest toen het leger Israëls in de woestijn gerangschikt werd, en dus de voorhoede leidde op die glorierijken tocht, en Salma of Salmon, die op die post van eer was, toen zij Kanaän binnentrokken, vers 10, 11.
3. Het geslacht van Isai, waarvan een bijzonder bericht wordt gegeven om de wille van David, en van de Zone Davids, die een "rijsje was, voortgekomen uit de afgehouwen tronk van Isai", Jesaja 11:1.
Hieruit blijkt dat David een zevende zoon was, en dat zijn drie grote legerhoofden, Joab, Abisai en Asahel, de zonen waren van een van zijn zusters, en Amasa de zoon was van een andere zuster. Drie van deze vier werden door het zwaard gedood.