18. Maar de Syriërs vluchtten voor het aangezicht van Israël, en David versloeg van de Syriërs zeven duizend wagens, 700 wagens met 10 gewapende mannen (
2 Samuël 10:18) en veertigduizend mannen, deels te voet, deels te paard; daartoe doodde hij Sofach, de krijgsoverste, die ten gevolge van de bekomen wonden de slag niet overleefde.
2. En David, die op Joabs verzoek zelf, na plechtige aftocht van Jeruzalem (zie Psalm 20), naar Rabba kwam, om de verovering van deze stad door inneming van de vesting te voltooien, nam de kroon van hun koning van zijn hoofd, en hij bevond haar in gewicht een talent goud, een zwaarte van een talent, een centenaar? goud, en daar was edelgesteente aan; en zij werd, bij gelegenheid van de plechtige inbezitneming van de opperheerschappij over het land, waarvoor zeker de 21ste Psalm bestemd was, op David's hoofd gezet, en hij voerde zeer veel door uit de stad mee.
3. Hij voerde ook al het volk uit, dat daarin in krijgsgevangenschap geraakt was; hij bracht hen voor de stad, en hij zaagde ze met de zaag, en met ijzeren dorswagens, en met bijlen (vgl. Spreuken 20:26); hij liet, tot straf voor de wreedheden, die zij aan Israël gepleegd hadden, hun lichamen met die werktuigen van elkaar scheuren; en alzo deed David aan al de steden van de kinderen van Ammon, die tegen hem gestreden hadden. Toen, na de gehele onderwerping van het land, keerde David weer met al het krijgsvolk naar Jeruzalem, terwijl de Bondskist, die ook in het veld geweest was (Psalm 68), vooruit gedragen werd.
IV. Vers 4-8. Aan de geschiedenis van den Ammonietisch-Syrischen oorlog worden hier uit een kroniek van David's oorlogen nog voorvallen toegevoegd uit de krijgen, die met de Filistijnen gevoerd zijn, en naar alle waarschijnlijkheid dezelfde, waarvan Hoofdstuk 18:1 in een kort verslag gesproken werd. Alle drie hebben betrekking op heldendaden, die David's krijgslieden in de kamp met reusachtige Filistijnen verrichten waardoor de verovering van het land Kanaän voltooid werd. (Vergelijk 2 Samuël 21:15-22).
4. En het geschiedde daarna 1), niet, na het in Vers 1-3 verhaalde, maar, ofschoon de tijd hier niet nader opgegeven wordt, worden waarschijnlijk de in Hoofdstuk 11:10, vermelde oorlogen bedoeld, als de strijd met de Filistijnen te Geser, noordwestelijk van Al lon, het tegenwoordige el Kubab (Jozua 10:33) opstond, toen sloeg Sibchaï, de Husathiet, een uit het niet nader bekende Husa (Hoofdstuk 4:4) geboortige held van David, (Hoofdstuk 11:29; 27:11)Sippaï, in 2 Samuël 21:18 "Saf" geheten, die van de kinderen van Rafa was, tot het oude reuzengeslacht van de Refaïeten (Deuteronomium 2:23) behoorde; en zij, de Filistijnen, werden, ten gevolge van deze zegepraal op een van hun sterksten, ten ondergebracht.
1) In het oorspronkelijke bericht, waaraan deze mededelingen zijn ontleend, was, zoals uit 2 Samuël 21:18 blijkt, de voor ons liggende geschiedenis gevoegd bij die van David's verlossing uit de handen van een andere Refaïet door Abisaï; laatstgenoemde geschiedenis (2 Samuël 21:15-17) heeft de Schrijver van ons boek echter niet mee opgenomen..
5. Daarna was er nog een strijd tegen de Filistijnen te Geser, of te Gob, dat er dichtbij lag (2 Samuël 21:18),en Elhanan, de zoon van Jaïr, versloeg Lachmi, de broeder van Goliath (1 Samuël 17:4), de Gethiet, een Filistijn van Gath (Jozua 13:3), wiens spiesehout, zoals eenmaal dat van zijn broeder, was als een weversboom. 6. Daarna was er nog een strijd met de Filistijnen, en wel te Gath; en daar was een zeer lang man, en zijn vingers waren zes en zes, vierentwintig tenen en vingers tezamen, en hij was ook van Rafa geboren, een afstammeling van de Refaïeten, zoals Sippaï; (Vers 4) en Lachmi (Vers 5).
7. En hij hoonde Israël, in navolging van Goliath (1 Samuël 17:8), maar Jonathan, de zoon van Simea, de broeder van David (Hoofdstuk 2:13), versloeg hem, zozeer had David's heldengeest (1 Samuël 17:26) ook zijn bloedverwanten en vrienden tot geweldige krijgshelden weten te maken.