1 Kronieken 19:1-5
Laat ons hier opmerken:
1. Dat het Godvruchtigen betaamt goede buren te wezen, en inzonderheid dankbaar te wezen. David wil achting betonen aan Hanun, omdat hij zijn buurman is, en de Godsdienst leert ons beleefd en vriendelijk te zijn jegens allen, alle mensen te eren, en bereid te zijn om vriendelijke diensten te betonen aan hen in wier midden wij wonen, en hiervoor moet het verschil van Godsdienst geen hinderpaal zijn.
Maar behalve dat: David gedenkt aan de weldadigheid, die zijn vader hem had bewezen. Zij, die vriendelijkheid ontvangen hebben, moeten haar vergelden, van hun zijde vriendelijkheid geven naar zij er het vermogen en de gelegenheid toe hebben, die haar van de ouders ontvangen hebben, moeten haar vergelden aan de kinderen, als de ouders er niet meer zijn.
2. Dat, naar het spreekwoord van de ouden "van de goddelozen goddeloosheid voortkomt," 1 Samuël 24:14.
Een dwaas spreekt dwaasheid en eens gierigaards gehele gereedschap is kwaad, "om de ellendigen te verderven met valse redenen, en het recht, als de arme spreekt", Jesaja 32:6, 7.
Zij, die slecht zijn en zelf kwaad voorhebben, zijn geneigd tot achterdocht, en zullen anderen zonder oorzaak van kwaad verdenken. Hanuns knechten opperden de mening dat Davids gezanten spionnen waren, alsof zo groot en machtig een man, als David was, het nodig had zo min een daad te doen.
Indien hij vijandige bedoelingen had jegens de Ammonieten, hij zou er open en rond voor kunnen uitkomen, geen bedrieglijke handelingen behoeven te plegen, of alsof een man van zo grote deugd en eer zo iets laags willen doen. Maar Hanun luisterde naar de inblazing en, tegen het volkenrecht, deed hij Davids gezanten een schandelijke behandeling aan.
3. Meesters behoren hun dienaren te beschermen en hun de grootste deelneming te betonen, indien hun in hun dienst schade of nadeel wordt berokkend.
Dat deed David voor zijn gezanten, vers 5, en dat zal Christus doen voor Zijn dienstknechten, en laat alle heren aldus hun dienstknechten recht en gelijk doen.