5. Zulke mensen over te geven de satan (
1 Timotheus 1:20), tot verderf van het vlees, opdat de geest behouden moge worden in de dag van de Heere Jezus (vgl.
1 Petrus 4:6.
2 Corinthiërs 10:8;
13:10 "Ik heb al besloten", schrijft de apostel, om uit te drukken dat zijn oordeel reeds gesproken is, dat alleen nog op de uitvoering wacht. Lichamelijk afwezig, maar aanwezig in de geest, heeft hij zijn oordeel geveld, terwijl de gemeente, in wier midden de gruwelijke misdaad heeft plaats gehad, niets gedaan heeft, om zich van de schande te zuiveren. Hij wil nu ook zelf de uitspraak doen, die de misdadiger aan de satan overlevert, zoals hij alleen, hoewel afwezig, dit kan doen, dus door een woord, dat schriftelijk tot de gemeente gaat en in haar vergadering moet worden bekend gemaakt.
Wat een krachtig, het onzichtbare als het ware zichtbaar, levendig omvattend geloof woonde er in de apostel, zodat als het ware ook de beperkingen van het lichaam en de grenzen van de ruimte schenen te verdwijnen en hij in de geest en in het geloof als het ware leefde en handelde in de meest verwijderde gemeenten van de Heere! (V.).
De gedachte, die in het woord van de apostel, Vers 4, vervat is, is de volgende: "ik heb reeds besloten, dat u een vergadering van de gemeente zult houden, mijzelf, met de macht van Christus voorzien, daarbij als tegenwoordig zult beschouwen en in deze vergadering zult uitspreken: Paulus geeft in de naam van Christus, met wiens macht hij hier in de geest onder ons is, de bloedschender aan de satan over. " Dit "overgeven de satan" in Vers 5 met zijn nadere bepaling is karakteristieke benaming van de zwaardere, Christelijke ban, waarmee werkelijk de apostolische macht verbonden was, dat de satan de aan hem overgegevenen met lichamelijke plagen pijnigde; daardoor onderscheidt zich deze soort van ban, die uit de synagoge in de kerk is overgegaan Joh 9:23, van het eenvoudige "van u wegdoen" in Vers 2 en 13 dat de gemeente ten uitvoer kon leggen, terwijl het "overgeven aan de satan" hier en in 1 Timotheus 1:20 schijnt voorbehouden te zijn aan de apostolische macht. De eenvoudige uitsluiting was dus het werk van de gemeente zelf en de apostel eist nog aan het slot van onze afdeling van de Corinthiërs, dat zij volgens deze macht handelen, nadat zij het in hun onverschilligheid tot hiertoe hadden verzuimd. Hemzelf kwam in de kracht van Christus het recht en de macht toe van de zwaardere ban, de overgave aan de satan, waarvan hij niet zegt dat de gemeente die moet ten uitvoer leggen, maar hij heeft reeds daartoe besloten. Dit overgeven aan de satan nu is door de apostel als uitdrukkelijke en uitvoerende daad van verbanning uit de Christelijke gemeenschap in de macht van de vorst van de wereld bedoeld. Hij doet dit met het doel, dat de satan, die zeker van zijn kant slechts met anti-Christelijke bedoeling handelt en zo mogelijk ook de ziel in de hel zou willen verderven, de hem overgegevene met lichamelijke ellende kan slaan en dit tot redding van de mens volgens de wil van God moge dienen. Deze redding denkt zich Paulus niet slechts als mogelijk, maar hij verwacht die als een gevolg, dat niet zal uitblijven, nadat de zondige begeerten door het verderven van het vlees zullen zijn gedood, bij hem, die daaronder tot belijdenis en bekering is gebracht, door middel van de reddende macht van Christus. Het overgeven van het vlees aan de satan tot verderf van het vlees is toch een maatregel, waarbij de geest buiten de macht van de satan blijft en toegankelijk voor de werking van Christus' genade.
Vlees is hier het organisme, dat de zonde in zich draagt en haar dient. Dit, dat op een zo'n schandelijke manier door de man is misbruikt als werktuig van de zonde, moet aan de satan worden overgegeven, dat die een verderving daaraan volbrengt en zo het oordeel van God daaraan volvoert. Volgens juiste woordverklaring geeft dan verderf van het vlees een dodelijke ziekte of plaag te kennen (vgl. Hoofdstuk 11:30, waar ook sprake is van theocratische bestraffing van profaneren met het heilige door een dodelijke ziekte), die daartoe moet leiden, dat de mens niet geheel en al een prooi van het verderf wordt, maar door het oordeel over zijn vlees tot bekering wordt gebracht. Gaat hij ook, wat het lichaam betreft, te gronde, toch wordt hij naar de geest, de binnenste kern van zijn persoonlijkheid, die voor de goddelijke invloed nog vatbaar is, aan het verderf ontrukt en in de gemeenschap van de eeuwige zaligheid teruggebracht en zo onder de geredden gevonden ten dage van de grote scheiding en beslissing.
Dat de bestraffing, die de apostel zich voorbehoudt, door de werkzaamheid van de satan moet worden teweeg gebracht, berust niet op de bijbelse idee van de fysisch verdervende en kwellende werkzaamheid van de satan, zoals zich die bij Job (1:12, ; 2:6 v., Paulus (2 Corinthiërs 12:7), op andere manier bij de door de duivel bezetenen Uit 8:34 openbaarde. Dat echter de satan zelf en een door hem teweeg gebracht lijden als werktuig en middel tot zedelijke genezing en eeuwige redding van de zondaar tegenover de wil van de eerste wordt gebruikt, rust op de verdere idee van de bijbel over de machtsbeperking van deze in het algemeen (Mattheus 10:28) en in het bijzonder omtrent haar gebroken zijn door de kracht van de verlossing. Nu is de vraag, wat het verband is van het apostolisch besluit ter bestraffing met 2 Corinthiërs 2:6, Dit is niet zonder invloed op de opvatting van onze plaats. Volgens die plaats betekent het "ik heb besloten" alleen het voornemen tot zo'n vonnis bij de apostel, dat de uitvoering zelf ten eerste nog onbeslist liet.
Het kwam niet tot een werkelijk volvoeren, omdat de Corinthiërs het verzuim inmiddels weer herstelden door de eis in Vers 13 te volbrengen. Deze latere ijver van de gemeente en de indruk daarvan op de zondaar maakte het door de apostel gedreigde strenge tuchtmiddel onnodig.
EPISTEL OP HET HEILIGE PAASFEEST
Niet het typische van het paaslam, maar het voorafschaduwende van de Joodse paasgebruiken is de levenszenuw van de tekst. De gemeente moet daaruit leren wat het wezenlijke stuk is van elke Christelijke paasviering, namelijk de gehele uitdelging van het oude zuurdeeg, om in een nieuw leven te wandelen.
Dit epistel is niets anders dan een vermaning tot Christelijke, goede wandel en werken aan hen, die het Evangelie gehoord en in `Christus geloofd hebben. Dat noemt hij in waarheid ongezuurde broden of koeken eten.
De keuze van ons epistel voor de eerste paasdag houden wij voor minder juist, omdat zij niet de nodige punten van overeenkomst aanbiedt, om de geschiedenis van de opstanding van Christus en haar betekenis goed uit te drukken. Ons blijft alleen over, aan het woord: "Ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus" de paasgeschiedenis en haar betekenis vast te knopen; de prediking moet zich aan de tekst hechten, maar ligt niet daarin. Met recht vindt Ranke het onliturgisch, dat de brief van een hoge feestdag, waarop men verwacht dat de feestelijkheid ook in de voorlezing een hogere toon zal doen aanslaan een is, die begint met: "uw roem is niet goed. " Door Nitsch is voorgeslagen 1 Corinthiërs 15:12-20; in Wurtemberg wordt voor eerste epistel genomen 1 Corinthiërs 15:1-20, als tweede 1 Corinthiërs 15:51-58; in Saksen wordt 1 Petrus 1:3-9 gelezen. Omdat echter deze plaats nu eenmaal in gebruik is, geven wij daarvoor het volgende thema: de ware paasviering van de Christen; 1) in dankbare vreugde troost hij zich met de overwinning van zonde, dood en hel door Christus; 2) in de kracht van het geloof wijdt hij elke dag tot een dag van de opstanding door een wandelen in een nieuw leven.
Wat eist de paasdag van de Nieuw-Testamentische gemeente: 1) reiniging tot de bodem toe; 2) wandelen in heiligmaking en waarheid. De ware roem van een Christen bestaat daarin, dat wij ongezuurd zijn, 2) ons ongezuurd bewaren, 3) en zo ook ons pasen vieren.
Laat ons pasen houden: 1) een paasfeest in herinnering, 2) een paasfeest in ervaring, 3) een paasfeest in hoop!
Het feest van de opstanding van de Heere als het paasfeest van het nieuwe verbond; wij bedenken, hoe de Herrezene 1) ons bevrijdt van de dienstbaarheid, 2) ons leidt door de woestijn, 3) ons inleidt in het beloofde land, ons waar vaderland.