5. Maar in het merendeel van hen, namelijk in allen, die ook uit Egypte waren getrokken, uitgezonderd alleen de twee mannen (
Numeri 14:20, ;
26:65, heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn allen, met uitzondering van die twee, in de woestijn neer geslagen (
Psalm 106:26.
Hebreeën 3:17).
De apostel is in Hoofdstuk 9:23, ertoe overgegaan om te spreken van het bedwingen van zichzelf, dat de roeping van de Christen is, als hij zijn Christelijke loopbaan zo wil volbrengen dat hij de zegeprijs behaalt. Hij heeft zichzelf als een voorbeeld voorgesteld, evenals vroeger ten opzichte van zijn afstand doen van datgene, waarop hij recht had, zo ook nu, wat het bedwingen van zichzelf aangaat. Nu blijft hij in dezelfde zamenhang van gedachten, als hij van Hoofdstuk 10 af feiten herinnert uit de gebeurenis van het volk van God, dat op de weg van Egypte naar Kanaän was, gebeurtenissen die bewijzen dat men zonder die betoming van het lichaam en van zijn behoeften en begeerten, vrezen moet om verwerpelijk bevonden te worden, ja zelfs op de weg van het heil nog verloren kan gaan. Hij gebruikt de vorm, of hij een ontzaglijke mogelijkheid wil bevestigen, die hij zelf voor ogen houdt. Hij wijst op die feiten, met een "ik wil niet, dat u onwetend bent" die inleidend. Omdat die feiten de lezers zelf bekend waren, is die inleiding alleen daardoor te verklaren dat hij ze, zowel wat de genadestaat, als wat het lot van Gods volk aangaat, wil overbrengen op het Nieuw Testamentische en dus wil toegepast hebben op de lezers, op de Christelijke gemeente. Paulus noemt het volk, dat uit Egypte naar Kanaän trok, "onze vaders" in geen andere zin, dan waarin hij ook Abraham "onze vader" noemt (Romeinen 4:1; 12, 16), namelijk in zoverre de Nieuw Testamentische gemeente, de in haar ingelijfde heidenen ook ingesloten, in het Oud Testamentische volk van God zijn voorvaderen heeft (Galaten 3:29). Hij wil nu ook duidelijk maken, die inwendige verwantschap er bestaat tussen de genade, die aan die vaderen, allen zonder onderscheid en die de Christenen, eveneens allen zonder onderscheid zijn overkomen. Daarom denkt Paulus er aan hoe de eersten onder de wolk zijn geplaatst, die beschermend en leidend boven hen zweefde en aan hun wonderbare redding door de zee. Hij voegt daar dadelijk bij dat zij hierdoor in Mozes gedoopt zijn. Hij spreekt van hun wonderbare spijziging en drenking in de woestijn en noemt voedsel en drank geestelijk, terwijl hij Christus als Degene voorstelt die hun de wonderbare drank heeft toegedeeld. De uitdrukking "zij werden in Mozes gedoopt", is alleen verstaanbaar als wij in het oog houden dat zij aan de Christelijke doop moet doen denken. Wat de Israëlieten toen gebeurde en te vergelijken was met de Christelijke doop, plaatste hen in een gelijke verhouding tot de persoon van Mozes, als deze de Christenen tot de persoon van Christus, omdat dit hen verbond gehoor te geven aan zijn leiding. In hoeverre het voorgevallene zelf een dopen kan worden genoemd, is af te leiden uit hetgeen het volk daarmee gebeurde, dat de wonderbare wolk het onder zijn bescherming nam en de zee een ruimte gaf om door te trekken. Het zijn onder de wolk en het uitgaan uit de zee komt overeen met die overstroming met water bij de doop, die, omdat zij overstroming met de Heilige Geest afbeeldt, de dopeling overbrengt uit de staat van de Adamitische mensheid in de gemeenschap van Christus. Niet alleen met de doop, maar ook met het avondmaal van de Heere is iets afbeeldends de vaderen ten deel geworden en wel, evenals het eerste bij de uitvoering uit Egypte, zo ook dit op de weg van Egypte naar Kanaän. Zij hebben eten tot voedsel, drank tot verkwikking verkregen, die daarom geestelijk worden genoemd, omdat zij, hoewel in aard en werking van aardse natuur, toch hun oorsprong niet hadden in de orde van de schepping, maar in een daad van God ter zaligheid (vgl. Galaten 4:29). Door de bijvoeging: "Zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde en de steenrots was Christus", wordt die verklaring over het drenken in het bijzonder gerechtvaardigd. Het manna kwam zeker voor als wonderbrood, wat zijn gesteldheid aangaat, alsmede door de aard en de manier waarop het werd verkregen en omdat vroeger en later dusdanige voedsel niet had bestaan. Het water, dat uit de steenrots kwam na de aanraking van Mozes' staf, was geen ander, dan dat de mensen ook anders dronken, maar de oorsprong ervan maakte het tot een geestelijke drank, omdat het niet de natuurlijke rots was, die aan haar plaats bleef en het ten gevolge van natuurlijke gesteldheid opleverde, maar een geestelijke rots, die volgde. De rots, die Israël geleidde, was de Heere, die de Schrift (Jesaja 30:29 vgl. Deuteronomium 32:15; Psalm 18:30) de "rotssteen van Israël" noemt. De apostel zegt nu daarvoor, die was Christus en brengt daardoor dit toedienen van drank in verband met het Nieuw Testamentische, met het aanbinden van de drinkbeker van Christus, evenals het gebeurde bij Israëls verlossing uit Egypte door de uitdrukking: "zij werden gedoopt met de Christelijke doop" wordt in verband gebracht. Dat hij er zo toe dringt om in die rotssteen van Israël dadelijk Christus te zien, heeft zijn oorsprong in het feit, dat alle werk ter zaligheid van die God, die het Oude Testament predikt, een werk is van die God, die in de wereld komt en in zoverre van die Christus was, die de Nieuw Testamentische gemeente als haar Heer belijdt; want sinds Hij geopenbaard is, weten Zijn gelovigen Hem, die in de wereld is gekomen, die God is en de God, die Hem in de wereld gezonden heeft, te onderscheiden, terwijl te voren dit onderscheid in de éne naam van de Heere verborgen was geweest.
Paulus heeft een voorliefde voor de spreekwijze, waarmee hij hier de rij van zijn waarschuwende voorbeelden begint: "ik wil niet dat u onwetend bent" (vgl. Hoofdstuk 12:1. 2 Corinthiërs 1:8. 1 Thessalonicenzen 4:13 Zij vestigt de aandacht nadrukkelijk op een waarheid, of nog niet voldoende erkend òf nog niet geheel toegepast. Zij komt nooit anders voor dan verbonden met de uitdrukking "broeders", dat natuurlijk bedoelt niet alleen opmerkzaamheid te wekken, maar ook zich ingang te verschaffen.
Hij wil daardoor brengen tot toepassing van zijn eigen voorbeeld op de lezers, alsof hij wilde zeggen: "ik ben er voor bezorgd, dat ik niet zelf verwerpelijk wordt; draag gelijke zorg voor uzelf; denkt er aan, hoe aan Israël, ondanks alle genade die het heeft ontvangen, eindelijk het oordeel van de verwerping is uitgeoefend. Zeg niet, wij hebben doop en avondmaal, hoe kan de zaligheid ons ontgaan? Israël heeft ook iets dergelijks gehad en toch is ten slotte het grootste getal van zijn leden (die uitdrukking: "het merendeel" verkrijgt daardoor groot gewicht, dat aan de lezers het kleiner deel niet onbekend kon zijn) een prooi van het verderf geworden. " De betoningen van genade, waarin Israël zich mocht verheugen en die de voorbeelden zijn voor de Nieuw Testamentische genade van de gemeente van God, worden nu door de apostel aangevoerd.
Van groter belang is de bij elkaar plaatsing van doop en avondmaal, als van de beide Nieuw Testamentische tekenen van gemeenschap, waarvoor Paulus' Oud-Testamentische analogie opzoekt. Zij is een getuigenis voor de overtuiging van de Protestanten over het tweetal van de sacramenten.
Waarop de apostel bij het optellen van de goddelijke zegeningen aan de vaderen hoofdzakelijk wil drukken, toont het vijfmaal herhaalde "allen", waarmee hij terugwijst op het gezegde in Hoofdstuk 9:24 "allen goed lopen. " Het slotwoord van het Septuagesima Evangelie, "velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren" gaat samen met het einde van het Septuagesima-hoofdstuk: "allen hebben de daden van Gods genade, waardoor zij werden geroepen, ondervonden, maar aan de meesten van hen heeft God geen welgevallen gehad. " Evenals nu Petrus in het water van de zondvloed, dat de reddingsark boven de veroordeelde wereld droeg, het doopwater afbeeldt, zo laat ons Paulus in de Rode zee, die door de wolk gewijd is tot reddingswater, een voorbeeld zien van onze doop. Het sacramentele voorbeeld van de doop, de besnijdenis, droegen de kinderen van Abraham, elk in het bijzonder aan hun lichaam, maar met wolk en zee werden zij tot een volk gedoopt, allen tot één lichaam (Hoofdstuk 12:18). Daarom zegt Paulus: zij werden met de wolk en de zee gedoopt, in Mozes, de middelaar van het verbond van de wet en de leidsman, die met de staf van God ontvangen, het volk leidde en regeerde. Maar in Mozes was voor hen Christus aanwezig, in wie wij gedoopt zijn met water en geest, want begrepen in het woord en de daden van Mozes bood de Heiland en Overste van hun zaligheid Zich hun aan en het geloof van het volk vestigde zich door Mozes op Christus in het beginsel van het geloof van het hele volks, zodat het hele leger van de Heere op een dag uit Egypte trok en, zoals Melanchton zegt, in vertrouwen op het woord van Mozes in de zee daalde. Als Paulus verder het voedsel en de drank van de vaderen in de woestijn "geestelijk" noemt, dan doet hij het in de eerste plaats daarom, omdat het manna en het rotswater geen voortbrengselen van de natuur waren, maar gaven door het woord van God voortgebracht (zoals ook in Galaten 4:29 Izaak gezegd wordt naar de Geest geboren te zijn); ook het brood, dat op aarde groeit, tot het water, dat men uit de put schept, zijn gaven van God, maar is het manna, dat van de hemel neerdaalde en in het water, dat uit de droge rotssteen sprong, aten en dronken de Israëlieten een voedsel en een drank, waardoor zij ook hun geestelijk leven voedden, want zij aten en dronken in geloof in het woord van de genade van God, die hen voedde in de woestijn (Deuteronomium 8:3). Daarom wordt hun voedsel en hun drank ook geestelijk genoemd, omdat de zegen van dit voedsel en van deze drank tevens voor de geest en niet slechts voor het lichaam een zegen bedoelde. Van de kant van God was nu voor allen, die aten en dronken geestelijke voedsel en geestelijke drank bereid tot het geestelijke, eeuwige leven. De ongelovigen daarentegen aten en dronken zichzelf daaraan het oordeel van de dood en als nu Paulus uitdrukkelijk zegt dat zij allen hetzelfde voedsel gegeten en dezelfde drank gedronken hebben, dan is eveneens het brood van het avondmaal, het lichaam van de Heere en de wijn van het avondmaal, het bloed van de Heere, in de mond van allen, die aan het avondmaal van de Heere deelnemen, gewerkt niet door het geloof van degenen die het ontvangen, maar door het woord van de Gever, hoewel dezelfde wonderbare voedsel en dezelfde wonderbare drank volgens Hoofdstuk 11:27 alleen voor de gelovigen ten leven, voor de ongelovigen ten dode is.
De rots, waaruit het water kwam op het woord van Mozes, wordt ook een geestelijke genoemd, niet als was die, wat zijn gesteldheid aangaat, geen werkelijke, geen natuurlijke rots geweest, maar omdat daaraan de werking van God duidelijk werd, waardoor het water daaruit ontsprong. Nu gebeurde dit voortkomen van het water uit de rots niet eenmaal, maar voor zover ons verhaald is, tweemaal. Het was dus niet een enkele bepaalde rots, waaraan die wonderdaad verbonden was, maar zo vaak dezelfde behoefte terugkeerde, was ook de watergevende rots weer aanwezig, want elke kon dezelfde dienst doen door dezelfde werking. In die betekenis komt de rots voor als een, die de kinderen van Israël op hun tocht vergezelde. Ging de steenrots niet van haar plaats, zij vonden toch overal, waar zij het nodig hadden, de rots weer, die hun water gaf. De rots zelf is het veelbetekenende niet, de kracht, die water toedeelt, is de hoofdzaak en deze kan elke rots tot haar dienst gebruiken. Maar deze kracht is van God en wel van die God, die in Christus Jezus wordt gekend, van die God, die bij God was in het begin, die vlees is geworden en onze Verlosser. Hij wordt de rots genoemd, die volgde, omdat Hij het is, door wiens werking verschillende rotsen na elkaar dezelfde kracht verkregen, dat zij water konden geven.
Het is waar dat onze zaligheid niet in onze hand ligt, dat het aankomt op de daden en de leidingen van God en niet op ons gedrag, wanneer wij zalig worden. De zielzorgers moeten ook juist bij de nauwgezetste leden van de gemeente zeer vaak waarschuwen tegen te grote betekenis hechten aan eigen inwendig leven, eigen geestelijke ervaringen en toestanden. Vele Christenen dringen met een soort van wettelijkheid op inwendig leven aan en kwellen zichzelf en anderen, als zij bij zichzelf die hoogte en volkomenheid niet kunnen vinden, die zij zoeken. Dergelijke waarnemingen brengen hen soms niet tot verootmoediging en kleinheid, maar tot wanhopen aan hun zaligheid. Dan moet gepredikt worden dat God meer is dan ons hart en dat wij in de sacramenten dierbare onderpanden hebben van Zijn barmhartigheid, genade en lankmoedigheid en van Zijn redding aan het einde ten eeuwigen leven. Men kan in dergelijke gevallen vaak niet genoeg wijzen op de voldoening van de verdienste van Jezus Christus, omdat ieder ogenblik het hart wil overgaan tot wanhoop bij het gevoel van de diepte van de zonde. Wat zou men doen als men niet kon wijzen op de beloften van God? Nog een ander geval! Waarmee zouden de zielverzorgers zich troosten met het oog op de meesten, die aan hen zijn toevertrouwd? Wat uitwendig bij de meesten op te merken is, is zo armzalig en gering; zo weinig geestelijke vrucht en zegen wordt bij hen zichtbaar, dat men omwille van hen, vaak ook bij het sterven, zou moeten vrezen als men in de genademiddelen geen zo krachtige tekenen had van de onuitsprekelijke liefde van God en zulke onderpanden voor de verborgen, inwendige werking van de Heilige Geest aan de zielen, dat men zich daaraan kon in de hoogte richten. Hoe langer men in een bediening is, des te meer hoopt men op God, des te minder neigt men ertoe aan de mens het geluk van het eeuwige leven toe te kennen of te ontzeggen naar het uitwendige van zijn toestand. Gods genadewerk wordt te groter en heerlijker, naarmate men minder vertrouwen stelt op de staat van de mensen. Maar zo waar als dit is en zoveel vaster men kan vertrouwen op Gods onuitsprekelijke genade en haar krachtige middelen, dan op de zichtbare trap van het inwendig leven en van de heiligmaking, zo zeker is het toch ook dat de mens zelf alle reden heeft om zijn inwendig en uitwendig gedrag en de voortgang van zijn heiligmaking te beproeven en in het oog te houden. Of waarom zijns ondanks alle genade en alle wonderen zo vele duizende Israëlieten in de woestijn neergeslagen en begraven, dan omdat hun persoonlijk gedrag God niet behaagde. En waarom zijn van de vele duizenden Israëlieten in de tijden van het Nieuwe Testament zo weinigen slechts zalig geworden? Heeft het hen aan genade ontbroken? Is er voor hen geen opgang uit de hoogte, geen schijnsel van die zon, die Jezus Christus heet, geen prediking, geen uitnodiging ter zaligheid geweest? Zeker zal niemand dat kunnen zeggen: maar zij hebben niet gewild, evenals hun vaders zo ook zij en evenals daarom Jezus Christus in het begin van Zijn lijdensweek over hen heeft geweend, omdat zij Zijn genadige roeping niet wilden volgen, zo is ook nu nog voor ieder waar vriend van Israël de blindheid en verharding van het uitverkoren volk, het zelf de schuld is, beklagens- en bewenenswaardig. Evenals Israël zo ook wij! Wij mogen inderdaad al die vragen wel aan ons zelf doen, of niet de donkerrode, bloedige stroom, waarop het Israël van de Nieuw Testamentische tijd tot eeuwige verdoemenis is voortgevaren, ook het vaarwater is dat ons meesleurt en onze eeuwige ellende bevordert. Er ligt zoveel aan ons eigen gedrag gelegen dat niemand zich kan of mag verlaten op de hemelse roeping en de genademiddelen, die met eigen wil op de verkeerde baan volhardt.
Hoewel onze goede Christelijke werken Gods welgevallen niet kunnen verdienen, kunnen toch onze boze onchristelijke werken Gods welgevallen van ons verdrijven en ons de zegen ontroven, waarmee wij door de prediking van het Evangelie en door de sacramenten begiftigd zijn.
EPISTEL OP NEGENDE ZONDAG NA TRINITATIS
Dit epistel sluit zich dadelijk aan de voorgaande van de achtste zondag na Trinitatis aan (Romeinen 8:12). Hoe gemakkelijker het kindschap van God, daar besproken, door verkeerde verklaring zou kunnen verleiden tot een zeer bedenkelijk gevoel van gerustheid, des te noodzakelijker scheen het ter waarschuwing te wijzen op het volk van Israël, dat zich veilig waande in het trots gevoel Gods uitverkoren volk te zijn en daarom de goddelijke gerichten ten prooi werd.
De onrechtvaardige rentmeester in het Evangelie van dezen negende zondag na Trinitatis (Lukas 16:1) handelde "voorzichtig" en werd om die sluwheid door zijn heer geprezen. Hij zorgde voor Zijn behoud en maakte zich de korte tijd, die hem gegeven was, ten nutte. Van hem moeten wij de ware voorzichtigheid leren, dat wij denken aan ons eeuwig leven en gebruik maken van de tijd van de genade. Dat heeft Israël niet gedaan, het heeft integendeel Gods genade moedwillig weerstaan en nu moeten wij aan hen een waarschuwend voorbeeld nemen.
Israëls overtredingen in de tijd van zijn reis: zij moeten ons dienen 1) tot een spiegel van onze schuld, 2) tot een beteugeling van onze zonde.
Israëls vallen in de woestijn een krachtige waarschuwing voor het reizende Christenvolk. Laat u terughouden 1) van Israëls afgoderij, 2) van Israëls vleselijke gezindheid, 3) van Israëls mopperen tegen God. De bestrijding en de hulp bij onze pelgrimstocht: 1) Geef acht, vijf vijanden bestrijden u: 2) houd moed, een vriend zal ze overwinnen.
Twee valse toestanden van ons hart in de verzoekingen, die ons treffen 1) valse gerustheid, 2) valse angstvalligheid.
Wat moet ons bewaren voor vleselijke gerustheid? 1) de rijkdom van de goddelijke genade, 2) de ernst van de goddelijke oordelen, 3) de menigte van verzoekingen, die ons omringen en 4) de zwakheid van ons arm hart.
De gevaren, die op de weg door de woestijn van dit leven naar het beloofde land daarboven ons bedreigen: 1) welke zijn deze gevaren niet en welke zijn ze in waarheid? 2) hoe overwinnen wij de verzoekingen van de duivel, van de wereld en van ons vlees en hoe doorstaan wij de beproevingen van God. (EIG. ARB.).