17. In het heilig Avondmaal komt echter bij deze een gemeenschap, waarvan zo-even sprake was, nog een tweede: Want één brood is het, dat aan alle tafelgenoten wordt toegereikt, zo zijn wij velen a) één lichaam; wij vormeneen eenheid, die de veelheid van de leden insluit (
Romeinen 12:5), omdat wij allen, die het Sacrament ontvangen, een brood krijgen, ieder zijn aandeel daaraan heeft.
a) 1 Corinthiërs 12:27.
In deze afdeling bestrijdt de apostel, zoals blijkbaar is, een zogenaamd vrijzinnige mening, die uitging van de gedachte, dat de deelname aan heidense offermaaltijden alleen voor hem ter bevlekking was, die ze als offer at, zodat het verontreinigende geenszins gelegen was in de zaak zelf, die hij deed, maar alleen in de beschouwing, die men ervan had. Volgens die mening zou het dus geoorloofd zijn met de heidenen aan hun afgodische maaltijden deel te nemen, als men zich slechts vrij hield van de voorstelling, alsof men daarmee iets deed, dat op afgodendienst en afgodenoffer betrekking had. De apostel stelt zich tegenover deze mening, die alle deelgenootschap aan afgodische gemeenschap losscheurt van de handeling zelf, waardoor deze gemeenschap plaats vond en alleen stelt in de voorstelling van hen, die er aan deel neemt. Hij wijst op de gemeenschap, die door het Heilig Avondmaal wordt teweeggebracht, of welke ook in Israël reeds plaats had bij hen, die het offer aten, om te tonen, dat diensvolgens ook het eten van afgodenoffer zelf tot een gemeenschap bracht, die de Christen niet betaamde, dat dit niet de voorstelling, die men had van de hier besproken handeling, maar de daad zelf moest worden beschouwd, als de vraag werd behandeld of een Christen er zich mee mocht inlaten.
Paulus noemt in de eerste plaats de drinkbeker, omdat hij dan verder wil spreken van het brood en vooral het eten van Israëlitische offeranden, zoals dat met zijn thema van offervlees overeenkwam; daarom behandelt hij in het kort het punt van de drinkbeker.
De apostel noemt de drinkbeker die van de dankzegging of van de zegening. Het zijn namelijk heidense offermaaltijden, die hem nopen op het Avondmaal van de Heere te wijzen. Hij vergelijkt die echter niet wat het wezen betreft met deze, maar met het paasmaal van de Oud-Testamentische gemeente, waarbij de derde beker met wijn, die werd toegereikt, de drinkbeker van de zegening heette Numeri 9:5. Dat toch de apostel bij zijn naamgeving aan de drinkbeker van het avondmaal deze benaming bedoelde, kan moeilijk in twijfel worden getrokken. Daar nu echter de drinkbeker van het Pascha daarvan zijn naam had, dat zijn aanbieding met een verheerlijking van God was verbonden, zegt de bijvoeging: "die wij zegenen" iets van de drinkbeker van het avondmaal, dat meer is dan zijn aanwijzing van het paasmaal als van een drinkbeker van de dankzegging; en die van de drinkbeker van het Pascha onderscheidt en juist daardoor zoals vanzelf spreekt een betekenis geeft overeenstemmend met het "die wij zegenen. " Een zegenen heeft bij het een zowel als bij het andere plaats; maar de ene keer is het een zegenen van de verheerlijking, die God en de andere keer een zegening van de wijding, die de drinkbeker zelf tot voorwerp heeft. De drinkbeker van het Pascha gaat alleen gepaard met een godsdienstige handeling daarvan onafhankelijk, de drinkbeker van het avondmaal daarentegen is bepaald een genade, daaraan verbonden. Bij het brood werd zo'n nadere bepaling behoefte; hierbij weidt echter de apostel verder uit op een wijze, dat hij herinnert, die gevolgen de eenheid van een en hetzelfde brood voor de zielen heeft, die het verkrijgen.
Het "wij" in de zinnen: "wij zegenen, wij breken", wordt het best verklaard met hen, die het uitdelen en van hen, die het ontvangen. Bij de drinkbeker wordt de zegening of wijding door het gebed op de voorgrond gesteld, bij het brood wordt daarvan geen melding gemaakt, omdat het vanzelf sprak. Daarentegen wordt de functie van het breken genoemd, evenals ook in Hoofdstuk 11:24 op deze handeling door Christus verricht, gewicht gelegd wordt. Ja de uitdrukking: "het broodbreken" was volgens Handelingen 2:42, 20:7 de eerste vaste uitdrukking voor het Heilig Avondmaal.
Gemeenschap met de Heere en in de Heere, dat is in het algemeen de hoofdidee van het Heilig Avondmaal: Hij in ons en wij in Hem en wij zo onder elkaar verenigd leden van het een lichaam, die het geheel vormen van degenen die met Hem in gemeenschap staan. Deze gemeenschap is echter niet een zuiver geestelijke alleen, door het in geloof aangenomen woord van de Heere, waardoor Zijn Geest aan onze Geest getuigenis geeft dat wij kinderen van God zijn en het eigendom door Jezus verlost, in Hem rechtvaardig, uit de macht van de dood gerukt en met het recht van deelgenootschap aan Zijn hemels rijk begaafd. Zij is niet een zuiver geestelijke, zodat Jezus in de Geest woning in ons maakt door het geloof, maar zij is een, die bron en omvang van het lichamelijk leven omvat. Het is het leven voor ons ter verzoening geofferd, Zijn lichaam voor ons in de dood gegeven, Zijn voor ons vergoten bloed, dat wij door middel van brood en wijn in het Avondmaal deelachtig worden. Dit Zijn leven in zijn geheel wordt ons meegedeeld als voedend, versterkend en verfrissend ons leven, als voedsel en drank voor ons leven in zijn totaliteit, namelijk voor ons nieuw leven uit God, dat, in Christus begonnen, ook in de opstanding lichamelijk wordt voleindigd (Johannes 6:54. Romeinen 8:11). Maar hoe heeft dit plaats? Dit is de vraag waarin de confessies van elkaar verschillen. Beschouwen wij de Paulinische uitdrukking "gemeenschap van het lichaams van Christus", dan wordt geenszins aan de betekenis daarvan genoeg gedaan door de voorstelling dat door de kracht van het priesterlijk woord wijn en brood zouden ophouden te bestaan en dus alleen lichaam en bloed aanwezig zouden zijn; dan toch kan niet meer van gemeenschap worden gesproken. Maar ook dit is niet voldoende, als men alleen een symbolische betekenis aanneemt, of zich voorstelt dat het lichaam en bloed van Christus door brood en wijn aan het bewustzijn van het geloof wordt voorgesteld en zo een gemeenschap van het gelovige subject wordt teweeg gebracht, hetzij op die wijze, dat het aan het geofferde lichaam en het vergoten bloed deel heeft in zo verre de daardoor bevestigde vergeving van de zonden wordt verzekerd (ZWINGLI), of dat een geheime vereniging met het leven van Christus, die in de hemel verhoogd is, daarvan het gevolg is Het apostolisch woord "het brood, de wijn is een gemeenschap van het lichaam, van het bloed van Christus", betekent toch zeker meer; is brood en wijn middel van de gemeenschap van het lichaam en bloed van Christus, dan ligt de onderstelling voor de hand dat het zelf daaraan deel heeft, zoals naar Johannes 11:25 Christus Zichzelf de opstanding en het leven noemt, d. i. voor hen, door wie het leven weer hersteld en meegedeeld wordt, in zoverre Hij in Zijn persoon het leven is en het weer herstelde leven van de mensheid. Dit leidt dus tot de geheimvolle, door de kracht van Christus' Geest in Zijn woord teweeg gebrachte vereniging van de elementen met Christus' lichaam en bloed, met Zijn verzoenend leven, dat niet alleen geweest is, maar ook aanwezig is. Men zegt nu wel: hoe past dit bij de inzetting van het avondmaal? Daar kon die vereniging nog geen plaats vinden, er moest dus hier een onderscheid zijn tussen de eerste avondmaalsviering en al de volgende? Zeker, zo moeten wij zeggen en met Oetinger aannemen, dat ook hier evenals bij de doop een versterking plaats vond: "voordat Christus gestorven en weer levend geworden was, ontvingen de discipelen het vlees en bloed van Christus meer efficiënter (wat de werking aangaat) dan substantialiter (wat de substantie aangaat), na de hemelvaart echter substantialiter en efficienter. " Door deze vereniging worden brood en wijn een geestelijke voedsel en drank, d. i. een voedsel van het nieuwe geestelijke leven, dat zeker bij onvatbaarheid van hem, die het geniet, niet voedend maar oordelend werkt, zoals het Evangelie voor de ene een reuk van de dood, voor de anderen een reuk van het leven wordt.
Niemand moet de bemiddeling of verwezenlijking van de gemeenschap van het lichaam en bloed van Christus, die in het heilig Avondmaal plaats vindt, uit de handeling van het mondeling eten en drinken verplaatsen in iets, dat naast het mondeling eten en drinken zou gebeuren; want alleen dan dient het heenwijzen op de maaltijd van de Heere tot hetgeen waartoe het moet dienen, namelijk om te bewijzen dat niet de voorstelling, die iemand van het afgodenoffer had, maar alleen het genieten van het afgodenoffer zelf verontreinigend was, als in deze maaltijd de gemeenschap van het lichaam en het bloed van de Heere op zo'n manier wordt teweeggebracht, dat de kracht even ver reikt als het uitreiken en het ontvangen van brood en wijn. Het hemelse goed zweeft niet boven de elementen, zodat iemand de elementen zou kunnen genieten zonder het hemelse goed deelachtig te worden; maar in brood en wijn wordt Christus' lichaam en bloed gegeten en gedronken. Het hemelse goed wordt niet toegedeeld naast de elementen, zodat een dubbel ontvangen zou plaats vinden, het een lichamelijk, het andere geestelijk, maar in brood en wijn wordt Christus lichaam en bloed toegedeeld en ontvangen. Eindelijk niet zonder brood en wijn of alleen bij schijnbaar brood en wijn wordt de gemeenschap van Christus lichaam en bloed tot stand gebracht, maar met werkelijk onveranderd brood en wijn. Overeenkomstig de bedoeling van de tekst om de tafel van de Heere als heilige parallel te stellen tegenover de onreine tafel van de duivelen, voegt de apostel bij de gemeenschap van het lichaam en het bloed van Christus, die in het avondmaal plaats heeft voor allen, die eten en drinken, de vereniging, die het avondmaal tussen de deelhebbenden daaraan teweeg brengt. Evenals hier het ene brood alle deelgenoten aan de tafel van de Heere tot één lichaam verbindt, zo treden de gasten in het huis van de afgod en aan de tafel van de afgoden door het genieten van éne voedsel in een gemeenschap, die het tegendeel is van het verenigd worden aan de avondmaalstafel.
De deelgenoten van het avondmaal vormen een avondmaalsgemeente, zonder dat het van elk in het bijzonder afhangt of hij een lid daarvan wil zijn of niet; het brood dat hij eet, maakt hem daartoe, omdat niet alleen een ieder brood eet, maar allen tezamen het éne brood delen, dat hetzelfde is voor allen, daarom voor ieder, of hij wil of niet, dat brood, waarvan het breken en uitdelen ook deel geeft aan het lichaam van Christus. Eveneens verbindt de afgodische aard van de maaltijden van de afgodenoffers allen, die er aan deelnemen, tot een eenheid, zonder dat iemand zou kunnen zeggen dat hij slechts een maaltijd hield en niet een afgodische.
Vgl. de Aanm. v. Oosterzee: "Mt 26:29"