21. U kunt de drinkbeker van de Heere bij het Avondmaal niet drinken en tevens de drinkbeker van de duivels bij een heidens offermaal, zodat u evengoed het ene als het andere zou mogen houden. U kunt niet deelachtig zijn aan de tafel van de Heere, waar Hij u in het gezegende brood het teken aanbiedt van Zijn verbroken lichaam en aan de tafel van de duivels, waarvan u in het vlees van het afgodenoffer iets neemt, dat u plaatst in gemeenschap met de altaren van de afgoden en in het zondige van de heidense afgodendienst.
Om de bezorgdheid van de lezers, die zien waar de bewijsvoering van de apostel heen wilde, weg te nemen, alsof hij deelde in de voorstelling van de zwakken over de realiteit van de afgoden en van de kracht, die in het vlees van het afgodenoffer zou zijn (Hoofdstuk 8:7), verklaart hij dat hij verre was van zo'n voorstelling en hij geeft daarmee te kennen, evenals reeds vroeger, dat er geen afgoden waren en in de afgodenoffers geen kracht was; maar daarom was toch de heidense dienst geenszins zonder invloed en zij dwaalden zeer als zij die voor volstrekt machteloos hielden. De fantasie-gedaanten van de goden bestaan wel niet, maar desalniettemin ligt aan het heidendom een macht ten grondslag, voor welke invloed men zich moet wachten. Vandaar de waarschuwing om geen deel te nemen aan de maaltijden in de tempel, alhoewel het gemis van offervlees in bijzondere kringen, zoals later volgt (Vers 25 v.), zonder bezwaar of bedenking kan plaats hebben. De apostel geeft nu ook nadere verklaring over de aard van de macht, die de heidenwereld beheerst, als hij verklaart dat de offers van de heidenen aan de demonen werden gebracht en men door deze met hen in gemeenschap kwam.
De heiden, die offert, kent wel alleen de afgoden en op deze is zijn gedachte gevestigd, als hij offert, maar hij volvoert daarmee een handeling, die in werkelijkheid niet een godsdienst is, dat zij van rechtswege moest zijn, maar in dienst van zodanige geestelijke wezens geschiedt, die, door hen niet gekend, op ongoddelijke en tegen-goddelijke manier in het leven van de volken hun gebied voeren. Is het nu niet mogelijk aan de maaltijden van de afgodenoffers op die wijze deel te nemen, alsof het slechts eten en drinken was, is deelnemen aan deze zonder deelname aan hun godsverering onmogelijk (vgl. Vers 15-18) dan brengt zij ook in gemeenschap met die God weerstrevende geesten, in welke dienst zo'n godsdienst werkelijk en zeker geschiedt. Daarom gaat de apostel voort: "ik wil niet dat u met de duivels gemeenschap heeft", waarmee de zin met de beide ontkennende beweringen van Vers 21 in verband staan. Daar is gezegd wat de apostel wil verhoeden als hij vermaant, zich van de deelname aan de maaltijden van het afgodenoffer te onthouden. Hier gaat hij daarentegen voort om te tonen, dat het op die manier met de Christelijke staat niet kan samengaan, dat er een elkaar uitsluitende strijd is tussen het heilig avondmaal en het heidense offermaal, zoals hij dat op de sterkste manier uitdrukt.
Deze plaats is van het grootste gewicht voor de juiste beoordeling van het heidendom. Waren de valse goden van de heidenen elk op zichzelf, zoals de meeste kerkvaders beweerden, zovele boze geesten geweest, dan zou alle heidense godsdienst slechts een samenweefsel zijn geweest van leugen en boosheid. Naar de Heilige Schrift echter is wel alle heidense godsdienst ontstaan onder de invloed van de bozen, maar toch schemert daarin hier en daar het verlangen naar God door en herinnert zij nu en dan aan de gemeenschap met God, die de mens verloren heeft. Waren wijders de boze geesten op zichzelf bekwaam om zich als zo vele zelfstandige wezens aan de mensen te openbaren en een eredienst voor zich op aarde te grondvesten, dan zou hen daarmee een macht zijn toegekend, waarvan de Schrift hoegenaamd niets weet, omdat niet eens van een lichamelijke verschijning van de satan wordt gesproken. Desniettegenstaande staat het ganse heidendom, maar vooral de heidense eredienst, onder de onmiddellijke invloed van het rijk van de duisternis. Alle heidense godsdiensten zijn niet uit een steeds voortgezet zoeken van het hart van de mensen naar de waarachtige God voortgevloeid, maar zij zijn de vrucht van de afval van Hem door duivelse verleiding en daardoor zijn ze een eigenlijk gezegde dienst van de duivel. Daarom is een afgod niets, een afgodenoffer is niets op zichzelf beschouwd, maar terwijl het Joodse offermaal wegens de genadige belofte, die op offer en altaar rustte, zegen meedeelde, bracht het heidense offermaal vloek wegens de zin van het gemoed, dat naar het rijk van de satan neigde. Deze zin is niet enkel en niet zo zeer van elken offeraar op zichzelf, als wel in de hele offerdienst.
En hoe velen zijn er door alle tijden geweest, hoe velen worden er ook in onze dagen gevonden, die altijd weer willen delen, waar toch eigenlijk eens beslissend gekozen moest worden en niet aflaten kunnen op twee gedachten te hinken. Er is, wanneer wij nauwkeurig onderscheiden een vrij grove een meer verfijnde een zeer verfijnde vereniging van godsdienst en werelddienst in menig hart, die niet ernstig genoeg bestreden kan worden. Ook die zich aan de eerste niet schuldig maakt is vaak van de tweede niet vrij te pleiten; ja, ook waar de Christen door Gods genade uit het diensthuis van de wereld is uitgeleid, is er vaak nog een of ander zwak punt, waarin men met haar vrienden tezamen stemt en een stilzwijgende uitzondering op de wet van een onvoorwaardelijke toewijding maakt. Al zit men niet meer vooraan in de grote afgodstempel, toch heeft men vaak in een verborgen schuilhoek van het hart nog wel een kleine afgodskapel en ook wie de beker niet meer opheft voor de goden van de eeuw, heeft nog wel een enkele lonk of handkus voor de verborgen afgod gereed, waaraan zijn ziel is gekluisterd. Ach, hoe jammerlijk ongelijk is ook in dit opzicht zo menigeen aan zichzelf en van hoe velen mag het wellicht, zoals van die koning van Juda gezegd worden: hij diende de Heere, maar niet met een volkomen hart (2 Kronieken 25:2). Jammerlijke gesteldheid, hoezeer met allerlei verontschuldiging gedekt en bepleit; is het mogelijk, zo'n gemoedsbestaan juist te leren kennen, zonder het onbepaald te veroordelen? Maar in overeenstemming met het doorgaand onderwijs van de Heilige Schrift kan ons eigen geweten zo'n vereniging van het tegenstrijdige niet anders dan ongerijmd, onheilig en verderfelijk noemen. Ongerijmd, zo waarlijk het nu eenmaal volstrekt onmogelijk is twee heren gelijktijdig te dienen, wier bevelen, belangen en beloften onverzoenlijk tegenover elkaar staan. Onheilig, omdat hij, die van ganser harte de beker van de zondige wereldvreugd drinkt, reeds daardoor toont dat er op dat ogenblik althans geen sprake kan zijn van waarachtige gemeenschap met de Heere, wiens naam hij beleden heeft en voor de wereld verheerlijken moet. Onze eigen voornemens en beloften aan de tafel van de Heere en zo vaak later herhaald, hoe luid getuigen zij tegen de houding, door ons niet zelden bij wereldse verstrooiingen aangenomen! Wat is daarvan anders de oorzaak dan die valse schaamte, die ons vaak lijnrecht tegen onze heiligste overtuiging doet handelen en beven voor het afkeurend oordeel van een wereld, waarvan wij zelf al de ijdelheid en jammerzaligheid kennen. Maar zo'n dubbelzinnigheid (want wat is het anders?) kan dan ook wel niet anders dan hoogst verderfelijk wezen. Zij is dodelijk voor de rust van ons hart, want geen waarachtige vrede is mogelijk, zonder eenparigheid van ons geestelijk leven en streven. Zij benadeelt de zaak van de Heere, omdat zij bij de wereld slechts minachting voor een Christendom wekt, dat zo karakterloze voorstanders telt; zij maakt ons bovenal het heilig misnoegen waardig van Hem, die lust aan waarheid in het binnenste heeft.
Als in de Schrift in het algemeen aan de duivelleer grote invloed wordt toegeschreven op de mensheid en de wereld, de menigte buiten God wordt voorgesteld als staande onder zijn macht en hij haar vorst is, dan is bij een zo ontzaglijke openbaring van menselijke verkeerdheid en menselijk verval, zoals het heidendom is, het verband met het rijk van de duisternis niet te miskennen, omdat de duivel de vijand en mededinger van God is (Mattheus 4:9); ja het is de vraag of het heidendom, hoewel in het zinnelijke en natuurlijke element weggezonken, zonder een bovennatuurlijke daarin werkende macht het tot zo'n heerschappij in de mensheid zou hebben kunnen brengen en zulke diepe wortels daarin zou hebben kunnen vestigen. Als duivelendienst treedt de afgodendienst òf direct op, zoals in de verering van boze godheden, geesten enz., zoals die in zovele dualistische godsdiensten is ingedrongen en in Afrika bijna de alleen heersende is, òf indirect, in zoverre de duivel door de afgodendienst God de eer ontrooft, die Hem alleen toekomt en deze zo zichzelf, de verleider tot deze valse dienst, aanmatigt (Openbaring :20). In elk geval kan men zeggen dat de afgodendienst een duivelendienst geweest is, alhoewel niet volgens de bedoeling van vele heidenen, als bijvoorbeeld van de Hellenen, toch in de werking. Verder plaatst Paulus in deze afdeling niet de naam van de éne vorst van de duisternis, van de duivel, maar van de boze geesten, de duivels, om de uitgebreide werking en macht van het rijk van de duisternis in de veel vertakte afgodendienst te kennen te geven.
Waarschijnlijk koos de apostel om het afschuwelijke van deelneming aan afgodendienst voor te stellen, opzettelijk een uitdrukking (demonen), die wel bij de heidenen op hun goden (vgl. Handelingen 17:18 in de grondtekst) maar tevens bij de Joden op de boze geesten wees.
Het genieten van het heilig avondmaal verplicht, omdat het de innigste verbindtenis met Christus is, tot de strengste afzondering van al wat onheilig is. Daarom kan de Christen na het genieten van de avondmaal zich niet ontdoen van een zekere ernstige vrees.