2 Kronieken 15:1-7
I. Het was een groot geluk voor Israël, dat er profeten onder hen waren, en toch waren zij, toen zij aldus gezegend waren, op vreemde wijze geneigd tot afgoderij, terwijl zij, toen de geest van de profetie had opgehouden onder de tweede tempel, en de canon des Ouden Testaments voltooid was (die gedurig in hun synagogen gelezen werd) vrij waren van afgoderij, want de Schrift is het meest vaste woord van de profetie, en het krachtigste in uitwerking, en de gemeente kan niet zo gemakkelijk bedrogen worden door een nagemaakte Bijbel als door een nagemaakte profeet.
Hier was een profeet, gezonden tot Asa en zijn leger toen zij zegevierend terugkeerden van de krijg met de Ethiopiërs, niet om hen te complimenteren en geluk te wensen met hun succes, maar om hen aan te sporen tot hun plicht, dat is het gepaste werk van Godsdienstknechten dat zij te doen hebben zelfs bij vorsten en de groten van de aarde. De Geest Gods kwam op de profeet, vers 1, om hem instructies te geven voor wat hij te zeggen had, en om hem de gave te verlenen om het duidelijk en met vrijmoedigheid te zeggen.
1. Hij zei hun duidelijk hoe zij stonden voor God. Laat hen niet denken dat, nu zij deze overwinning hebben behaald, alles nu voor altijd het hun was, neen, hij laat hun weten dat zij zich te verantwoorden zullen hebben voor hun gedrag. Laat hen wèl doen, en het zal wel met hen wezen, maar anders niet.
a. De HEERE is met ulieden, terwijl gij met Hem zijt. Dit is een woord van troost, dat zij, die zich dicht aan God houden, altijd Zijn tegenwoordigheid zullen genieten, maar ook een woord van waarschuwing: Hij is met u terwijl gij met Hem zijt, maar niet langer. Gij hebt nu een merkbaar teken van Zijn tegenwoordigheid, maar de voortduring daarvan hangt af van uw volharding in de weg des plichts."
b. Zo gij Hem zoekt, Hij zal van u gevonden worden. Begeer oprecht Zijn gunst, streef er naar, en gij zult haar verwerven. Bid, en gij zult overmogen. Nooit heeft Hij gezegd, en nooit zal Hij zeggen: "Zoekt Mij tevergeefs." Hebreeën 11:6. Maar:
c. Indien gij Hem verlaat, Hem en Zijn inzettingen, Hij is niet aan u gebonden, maar zal gewis u verlaten, en dan zijt gij verloren, uw tegenwoordige triomf zal u geen veiligheid bieden, wee u als God van u weggaat."
II. Hij stelt hun de gevaarlijke gevolgen voor van God en Zijn inzettingen te verlaten en dat er geen ander middel is om onheilen te voorkomen of rampen weggenomen te zien dan door berouwvol wederkeren tot God. Toen Israël zijn plicht verzaakte, werden zij overstelpt door een vloed van atheïsme, goddeloosheid, ongodsdienstigheid en alle ongeregeldheid vers 3 , werden zij voortdurend gekweld door verwoestende oorlogen, buitenlandse en burgeroorlogen, vers 5, 6.
Maar toen hun benauwdheid hen uitdreef tot God, bevonden zij dat het niet tevergeefs is om Hem te zoeken vers 4. Maar nu is de vraag: op welke tijd ziet dit?
1. Sommigen denken dat dit terugziet naar de tijd van de richteren. Vele dagen is Israël zonder de waren God geweest, want zij aanbaden valse goden. Het was een tijd van onwetendheid, want hoewel zij priesters hadden, hadden zij geen lerende priesters, hoewel zij oudsten hadden, hadden zij toch geen wet want zij werd niet gehandhaafd, en dus ook niet gehoorzaamd, vers 3.
Het waren treurige tijden, toen zij dikwijls, nu eens door deze dan weer door die vijand verdrukt werden, gekweld en geteisterd door Moabieten, Midianieten, Ammonieten en andere volken, zij waren met allen ernst verschrikt, vers 6, maar als zij zich in hun verlegenheid met berouw, gebed en bekering des harten tot God wendden, dan heeft Hij hun verlossers verwekt.
Toen werd die grondstelling dikwijls bewaarheid, dat God met ons is terwijl wij met Hem zijn. Alle dingen van die aard, die tevoren geschreven zijn, zijn tot onze lering geschreven.
2. Anderen denken dat het de toestand beschrijft van de tien stammen, (die nu in eigenlijke zin Israël genoemd worden) in de tijd van Asa. Sedert Jerobeam zijn kalveren had opgericht, heeft hij wel voorgewend God te eren, die hen uit Egypte had uitgevoerd, maar zijn afgoderij heeft hen naar volstrekt ongeloof heengevoerd, zij zijn nu zonder de ware God en geen wonder, nu zij zonder lerende priesters zijn.
Jerobeams priesters waren geen leraren, en zo kwamen zij er toe zonder wet te zijn, het is zo goed als onmogelijk dat iets van de godsdienst in stand kan blijven zonder predikende leraren. In die tijd was er geen vrede, vers 5.
Hun oorlog met Juda gaf hun menigvuldige verschrikkingen, evenals nu onlangs de opstand van Baesa en andere voorvallen, die niet genoemd zijn.
Zij tergden God met allerlei ongerechtigheid, en Hij verschrikte hen met angst, maar als zij zich tot God wendden, dan liet Hij zich van hen verbidden.
Laat Juda dit opmerken, laat het leed hunner naburen hun tot waarschuwing strekken. Heb geen liefde tot gesneden beelden, gij ziet welk kwaad zij teweegbrengen.
3. Anderen denken dat die gehele passage in de toekomende tijd gelezen kan worden. Later zal Israël zonder de ware God zijn en zonder een lerende priester, en zij zullen door het een oordeel in het andere getroffen worden, totdat zij wederkeren tot God en Hem zoeken, zie Hosea 3:4, 5.
III. Hierop grondde hij zijn vermaning om het werk van de reformatie met kracht voort te zetten, vers 7. Weest gij sterk en laat uw handen niet verslappen, want daar is loon naar uw werk. Gods werk moet vlijtig en blijmoedig gedaan worden, maar zal niet gedaan worden zonder vastberadenheid.
Het moet ons opwekken voor het werk van de Godsdienst, dat wij de zekerheid hebben er in het einde niets bij te verliezen. Het zal niet onbeloond blijven. Hoe kan dit ook, daar toch het werk zijn eigen beloning is?