1 Koningen 9:15-28
Wij hebben hier nog een verder bericht van Salomo's grootheid.
II. Zijn gebouwen. Hij hief een grote schatting, zowel in mensen als in geld, omdat hij zeer grote bouwplannen had, waarvoor veel handen nodig zullen zijn, en die hem zeer grote onkosten zullen veroorzaken, vers 15. En hij was een wijs bouwmeester, die eerst tijd nam om de kosten te berekenen, maar niet begon te bouwen vóór hij zich instaat wist de bouw te voltooien. Misschien waren er klachten over het drukkende van de belastingen, die de gewilde geschiedschrijver verontschuldigt met het grote van zijn ondernemingen. Hij hief geen belastingen om oorlog te gaan voeren (zoals andere vorsten deden) dat het bloed van zijn onderdanen zou kosten, maar om te bouwen, dat alleen hun arbeid en hun beurs zou vorderen. Misschien heeft David gemerkt dat Salomo's zin en neiging naar bouwen uitging en voorzag hij dat zijn hoofd er van vervuld zal zijn, toen hij dat lied van de optochten voor Salomo schreef, hetwelk begint: "Zo de Heere het huis niet bouwt, tevergeefs arbeiden de bouwlieden daar aan," Psalm 127:1, hem leidende om God te erkennen in al zijn wegen, en door gebed en geloof in Zijn voorzienigheid Hem mee te nemen in al zijn ondernemingen van die aard. En Salomo is zijn werk ook wezenlijk van de goede zijde begonnen, want hij heeft eerst Gods huis gebouwd en voltooid vóór hij aan zijn eigen huis begon. En toen heeft God hem gezegend, en is hij voorspoedig geweest in al zijn andere bouwwerken, als wij met God beginnen, dan zal Hij met ons voortgaan, laat de eerstelingen voor Hem zijn, dan zullen de latere vruchten lieflijker voor ons wezen Mattheus 6:33. Salomo heeft eerst een kerk gebouwd, en toen is hij instaat gesteld om huizen, en steden, en muren te bouwen. Diegenen gaan niet met hun eigen belangen te rade, die hetgeen zij voor Godvruchtige doeleinden bestemmen tot het laatst bewaren.
De verdere orde, die Salomo bij zijn bouwen heeft gevolgd is opmerkelijk: eerst Gods huis voor de Godsdienst, dan zijn eigen huis voor zijn eigen gerieflijkheid, daarna een huis voor zijn echtgenote, dat zij betrok, zodra het gereed voor haar was, vers 24, toen Millo het stadhuis of raadhuis, toen de muur van Jeruzalem, de koninklijke stad, daarna enige steden van aanzien en sterkte in het land, die vervallen en niet versterkt waren, Hazor, Megiddo, enz. Daar hij deze op zijn eigen kosten herbouwde en versterkte, zullen de inwoners niet alleen zijn onderdanen, maar ook zijn huurders zijn, waardoor de inkomsten van de kroon vermeerderd werden ten bate van zijn opvolgers. Onder andere bouwde hij Gezer, welke stad Farao op de Kanaänieten had veroverd, en toen ten geschenke had gegeven aan zijn dochter, Salomo's huisvrouw, vers 16. Zie hoe God de aarde de vrouw te hulp doet komen, Salomo zelf was geen oorlogszuchtig vorst, maar de koning van Egypte, die het wel was, veroverde steden voor hem om ze te herbouwen. Vervolgens bouwde hij steden voor gerieflijkheid, voor magazijnen, voor zijn wagens en zijn ruiters, vers 19. En eindelijk bouwde hij voor genoegen op de Libanon, misschien wel jachthuizen of huizen voor andere genoegens en ontspanning. Laat de Godsvrucht beginnen, het nut voortgaan en genot en genoegen het laatst komen.
II. Zijn werklieden en dienaren. Voor zulke grote werken moest hij wel zeer veel werklieden gebruiken. De eer van grote mannen is ontleend aan hun minderen, die doen hetgeen waar zij de eer van hebben. 1. Salomo gebruikte hen, die nog van de tenonder gebrachte en gevloekte volken overig waren, voor al het slaafse werk, vers 20, 21. Wij kunnen veronderstellen dat deze hun afgoderij verzaakt hebben en zich aan Salomo's heerschappij hebben onderworpen, zodat de eer hem verbood hen geheel uit te roeien, en zij waren zo arm, dat hij geen schatting in geld van hen kon heffen, daarom maakte hij gebruik van hun arbeid. Hierin heeft hij gehandeld overeenkomstig Gods wet. "Aangaande uw slaaf of uw slavin, die gij zult hebben, die zullen van de volkeren zijn, die rondom u zijn," Leviticus 25:44, en vervulde hij Noachs vloek op Kanaän: "een knecht van de knechten zal hij zijn voor zijn broederen," Genesis 9:25.
2. Hij gebruikte Israëlieten voor de meer eervoller dienst, vers 22-23. Van hen maakte hij geen slaaf, want zij waren Gods vrijen, maar hij maakte hen tot krijgslieden en hovelingen en gaf hun ambten naar hun aanleg en bekwaamheid onder zijn wagens en ruiters, sommigen aanstellende om de dienst van de mindere arbeiders te ondersteunen. Aldus hield hij de waardigheid en vrijheid van Israël in stand, en eerde hun betrekking tot God als een koninkrijk van priesters.
III. Zijn Godsvrucht, vers 25. Driemaal per jaar offerde hij buitengewone brandoffers namelijk op de drie jaarlijkse feesten, het paasfeest, het pinksterfeest en het Loofhuttenfeest, ter ere van de Goddelijke inzettingen, behalve wat hij op andere tijden offerde, zowel op gezette tijden als bij bijzondere gelegenheden. Met zijn offeranden brandde hij reukwerk, niet hijzelf (dat was de misdaad van koning Uzzia) maar de priester deed het voor hem, op zijn kosten en ten behoeve van hem. Er is gezegd: hij offerde op het altaar dat hij zelf gebouwd had. Hij droeg zorg om het te bouwen, en toen:
1. Maakte hijzelf er gebruik van. Velen zullen bevorderlijk zijn aan de Godsvrucht van anderen, terwijl zij hun eigen veronachtzamen. Salomo heeft niet gedacht dat zijn bouwen van een altaar hemzelf vrijstelde van te offeren, integendeel het spoorde er hem te meer toe aan.
2. Hijzelf had er het voordeel en de vertroosting van. Welke moeite wij ons ook geven ter ondersteuning van de Godsdienst en tot stichting van anderen, wij zelf zullen er het nut en voordeel van hebben.
IV. Zijn koophandel. Hij bouwde een vloot van koopvaardijschepen te Ezeon Geber, vers 26, een zeehaven aan de kust van de Rode Zee, de verste pleisterplaats van de Israëlieten, toen zij in de woestijn omwandelden, Numeri 33:35. Die woestijn begon nu waarschijnlijk bevolkt te worden door de Edomieten, maar is het toen niet geweest. Aan hen had die zeehaven behoord, daar echter David de Edomieten onderworpen had, behoorde zij nu aan de kroon van Juda. Die vloot voer naar Ofir in Oost-Indië dat wordt ondersteld het eiland te zijn, dat nu Ceylon heet. Goud was de handelswaar waar zij op uitgingen, degelijke rijkdom. Salomo schijnt tevoren Hirams deelgenoot te zijn geweest dat hem een winst van honderdtwintig talenten in goud opbracht, vers 14, waardoor hij aangemoedigd werd om een eigen vloot te bouwen. Het succes van anderen in enigerlei werk of onderneming moet ons aansporen tot vlijt en inspanning, want in alle arbeid is winst. Salomo zond zijn eigen knechten als agenten, en kooplieden, en supercargo's, maar huurde Tyriërs tot zeelieden, want zij hadden kennis van de zee, vers 27. Zo heeft het ene volk het andere nodig, Gods voorzienigheid heeft het zo beschikt, opdat er onderling verkeer en bijstand zij, want niet alleen als Christenen, maar ook als mensen, zijn wij elkanders leden. De vloot bracht aan Salomo vier honderd en twintig talenten goud, vers 28. In Kanaän, het heilige land, de roem van alle landen, is geen goud, waaruit wij kunnen leren, dat dat deel van de rijkdom van deze wereld hetwelk bestemd is om opgelegd te worden of er handel mee te doen, niet het beste deel er van is, maar wel dat deel, hetwelk meer onmiddellijk strekt voor het onderhoud en de aangenaamheid van het leven, het onze en dat van anderen, en dat waren de voortbrengselen van Kanaän. Salomo verkreeg veel door zijn koophandel, maar het schijnt dat David meer verkregen heeft door zijn veroveringen. Wat waren Salomo's vier honderd en twintig talenten vergeleken bij Davids honderd duizend talenten goud? I Kronieken 22:14. Salomo verkreeg veel door zijn handel, maar heeft ons toch op een betere handel gewezen, die binnen het bereik is van de armsten, ons uit zijn eigen ervaring van beide verzekerende, dat de koophandel van de wijsheid beter is dan de koophandel van zilver en haar inkomst dan het uitgegraven goud Spreuken 3:14.