1 Koningen 6:1-10
I. De tempel wordt hier het huis des Heren genoemd, vers 1. omdat hij:
1. Gebouwd was naar Gods bevel en voorschrift. De oneindige Wijsheid was de bouwmeester, en gaf aan David het plan, of voorbeeld door de Geest, niet slechts mondeling, maar tot grotere zekerheid en nauwkeurigheid, in geschrifte, 1 Kronieken 28:11, 12, 19, zoals Hij aan Mozes op de berg een schets had gegeven van de tabernakel.
2. Geheiligd en toegewijd was aan Hem en Zijn eer, om gebruikt te worden in Zijn dienst, zozeer Zijn huis als nooit een ander huis geweest is, want hij heeft er Zijn heerlijkheid in geopenbaard (zoals nooit in een ander huis) overeenkomstig de toenmalige bedeling, want toen er vleselijke inzettingen waren, was er een wereldlijk heiligdom, Hebreeën 9, 1,10. Dit gaf er de schoonheid van de heiligheid aan, dat hij het huis des Heren was, dat alle andere schoonheid zeer verre overtrof.
II. De tijd, wanneer aan de bouw begonnen werd, is nauwkeurig opgegeven.
1. Het was juist vierhonderd en tachtig jaren nadat de kinderen Israëls uitgevoerd werden uit Egypte, veertig jaren gevende aan Mozes, zeventien aan Jozua, tweehonderd en negen en negentig aan de richteren, veertig aan Eli, veertig aan Samuël en Saul, veertig aan David en vier aan Salomo voor hij begon te bouwen, krijgen wij nu juist de som van vierhonderd en tachtig jaren. Zolang duurde het eer die heilige staat gegrondvest, eer dat heilige huis gebouwd werd, dat na minder dan vierhonderd en dertig jaren door Nebukadnezar werd verbrand. Het werd zolang uitgesteld, omdat Israël zich door hun zonden die eer onwaardig hadden gemaakt, en omdat God wilde tonen hoe weinig waarde Hij hecht aan uitwendige pracht en praal in Zijn dienst. Hij had geen haast om een tempel te hebben. Davids tent, die rein en gerieflijk was, maar noch statig noch rijk, en, voorzoveel blijkt nooit ingewijd was, wordt "het huis des Heren" genoemd, 2 Samuël 12:20, en diende er even goed voor als Salomo's tempel, maar toen God aan Salomo grote rijkdom gaf, heeft Hij het hem in het hart gegeven om die rijkdom aldus te gebruiken, en heeft Hij de tempel genadig aangenomen er een welgevallen in gehad, voornamelijk omdat hij een schaduw moest wezen van toekomende goederen, Hebreeën 9:9.
2. Het was in het vierde jaar van Salomo's regering, de eerste drie ingenomen zijnde met de regeling van de zaken des rijks, opdat hij daarvan geen belemmeringen zou hebben voor zijn werk. Het is geen verloren tijd, die wij gebruiken om ons toe te bereiden voor het werk Gods, en ons los te maken van alles, wat er ons van zou kunnen afleiden. Gedurende die tijd heeft hij aan de toebereidselen zijns vaders nog toegevoegd, 1 Kronieken 22:14, de stenen houwende en het hout pasklaar makende en alles in gereedheid brengende, zodat hij niet gelaakt moet worden omdat hij er zolang mee gewacht heeft. Wij dienen God in waarheid als wij ons bereiden voor Zijn dienst, en er ons van het nodige er toe voorzien.
III. De materialen worden aangebracht, geheel gereed om geplaatst te worden, vers 7, zo gereed en toebereid, dat noch hameren, noch bijlen of enig ijzeren gereedschap gehoord werd in het huis, als het gebouwd werd. In al dit bouwen schrijft Salomo het als een regel van wijsheid voor, om het werk te bereiden op de akker, en daarna het huis te bouwen, Spreuken 24:27. Maar hier schijnt de toebereiding meer dan gewoon te zijn geweest, volledig en nauwkeurig in zo'n mate, dat, toen de onderscheiden delen samengevoegd moesten worden, er geen gebrek was aan te vullen, niets verkeerds verbeterd behoefde te worden. Het moest de tempel wezen van de God des vredes, en daarom moet er geen ijzeren gereedschap in gehoord worden, rust en stilte betamen oefeningen van de Godsvrucht, en zijn er bevorderlijk aan. Gods werk moet met zoveel zorg en zo weinig rumoer gedaan worden, als maar mogelijk is. De tempel werd nedergeworpen met houwelen en beukhamers, en die het deden hebben in het midden van de vergaderplaatsen gebruld, Psalm 74:4, 6, maar gebouwd werd hij in stilte, door gedruis en geweld wordt het werk Gods wel dikwijls gehinderd, maar nooit bevorderd.
IV. De afmetingen worden opgegeven, vers 2, 3, naar de regelen van evenredigheid. Sommigen merken op dat de lengte en breedte juist het dubbele waren van de lengte en breedte van de tabernakel. Nu Israël talrijker was geworden, moest hun plaats van bijeenkomst worden verruimd, Jesaja 54:1, 2, en nu zij rijker waren geworden, waren zij beter instaat om haar te verruimen, waar God overvloedig zaait, verwacht Hij overvloedig te oogsten.
V. Een bericht van de vensters, zij waren breed van binnen en smal van buiten. Zo moeten de ogen onzes geestes zijn, meer ziende op onszelf dan op anderen, wel naar binnen ziende om onszelf te oordelen, maar weinig naar buiten ziende in berisping en bedilling van onze broederen. De engheid van die lichtvensters gaf het duistere te kennen van die bedeling, in vergelijking met de Evangeliedag.
De kamers worden beschreven, vers 5, 6, waarin de gereedschappen van de tabernakel zorgvuldig werden bewaard, de priesters zich kleedden en ontkleedden, en de kleren lieten, waarin zij gediend hadden. Waarschijnlijk hebben zij ook in sommige van die kamers de heilige spijzen gegeten. Salomo hield zich niet zo bezig met de pracht van het huis dat hij het gerieflijke vergat, dat nodig was voor de ambten ervan, zodat alles met betamelijkheid en orde gedaan kon worden. Er was zorggedragen, dat de balken niet bevestigd zouden worden in de muren, waardoor zij verzwakt zouden worden, vers 6. Laat de kracht van de kerk niet geschaad of verminderd worden onder voorwendsel van haar schoonheid of gerieflijkheid te vermeerderen.