1 Koningen 6:11-14
1. Hier is het woord Gods gezonden tot Salomo, toen hij bezig was het huis te bouwen. God liet hem weten, dat Hij acht gaf op wat hij deed, dit huis dat gij bouwt, vers 12. Niemand werkt voor God, of Zijn oog is op hem gevestigd. Ik weet uw werken, uw goede werken. Hij verzekerde hem dat, zo hij volhardde in gehoorzaamheid aan de Goddelijke wet, en op de weg des plichts en van de ware aanbidding Gods bleef wandelen, de goedertierenheid Gods van hem noch van zijn koninkrijk zou wijken. Ik zal Mijn woord met u bevestigen. Israël zal Ik als Mijn volk blijven erkennen, Ik zal in het midden van de kinderen Israëls wonen en hen niet verlaten. Dit woord heeft God hem waarschijnlijk gezonden door een profeet:
a. Opdat hij door de belofte aangemoedigd en vertroost zou worden voor en onder zijn werk, misschien hebben soms de grote zorg en onkosten en vermoeienissen hem schier doen wensen dat hij het maar nooit had begonnen, maar het zal hem nu door de moeilijkheden ervan heen helpen dat de beloofde bevestiging van zijn zaad en zijn koninkrijk hem een ruime beloning zal zijn voor al zijn moeite. Een blik op de belofte zal ons goedsmoeds door ons werk heenhelpen, en zij die het goede wensen en bedoelen voor land en volk, zullen niets te veel achten, dat zij kunnen doen om de tekenen van Gods tegenwoordigheid te verzekeren en te bestendigen.
b. Opdat hij door de daaraan toegevoegde voorwaarde opgewekt zou worden om te bedenken, dat al bouwde hij de tempel ook nog zo sterk, de heerlijkheid er van spoedig zou wijken, tenzij hij en zijn volk bleven wandelen in Gods inzettingen. God geeft hem duidelijk te kennen dat al de moeite, die hij en zijn volk zich gaven, en al de grote onkosten, die zij zich getroostten om deze tempel op te richten, hen niet zouden vrijstellen van gehoorzaamheid aan de wet van God, noch hen zouden beschutten tegen Zijn oordelen indien zij ongehoorzaam waren. Gods geboden te houden is beter en Hem meer welbehaaglijk dan kerken te bouwen.
2. Het werk, dat Salomo voor God deed. Alzo bouwde Salomo dat huis en voltooide hetzelve, vers 14. Alzo was hij bezield en bemoedigd door de boodschap, die God hem had gezonden, alzo vermaand om niet te verwachten, dat God zijn bouw zou erkennen en zegenen, tenzij hij gehoorzaam is aan Zijn wetten. De strengheid van Gods regering zal nooit een Godvruchtige wegdrijven uit Zijn dienst, maar er hem ijverig in maken. Salomo bouwde en voltooide, hij ging er mee voort, en God was met hem totdat het volbracht was. Het is gezegd beide tot Gods lof en de zijne, hij werd het werk niet moede, ontmoette er geen belemmeringen in, zoals Ezra, Ezra 4:24. Hij heeft niet boven zijn vermogen gebouwd, is niet halverwege blijven steken, maar was in staat en bereid om te voleindigen, want hij was een wijs bouwmeester.