1 Koningen 4:29-34
Salomo's wijsheid was grotere heerlijkheid voor hem dan zijn rijkdom, wij hebben er hier een algemeen bericht van.
I. De bron van zijn wijsheid. God gaf ze hem, vers 29. Hij erkent dit zelf, Spreuken 2:6. "De Here geeft wijsheid Hij geeft de zin het verstand," Job 38:36, bewaart het en doet het toenemen. De gewone toeneming van het verstand zijn wij verschuldigd aan Gods voorzienigheid, en de heiliging er van aan Zijn genade, en de buitengewone hoogte, waartoe het bij Salomo was gekomen, had hij te danken aan Gods gunst over hem, in verhoring van zijn gebed.
II. De volheid er van. Hij had wijsheid en zeer veel verstand, grote kennis van verre landen en van de geschiedenis van vroegere tijden, grote vlugheid van begrip en sterk geheugen en helderheid van oordeel, zoals nooit enig mens gehad heeft. Het wordt een wijd begrip des harten genoemd of ruimte van hart, want het hart wordt dikwijls voor de verstandelijke vermogens genomen. Hij had een zeer uitgebreide kennis, kon de dingen in hun geheel overzien, en hij had een verwonderlijke gave om de dingen samen te voegen, en met elkaar in verband te brengen. Sommigen verstaan door zijn ruimte van hart zijn stoutmoedigheid, de grote zekerheid waarmee hij zijn besluiten en bepalingen te kennen gaf. Het kan ook bedoeld zijn voor zijn gezindheid om er goed mee te doen. Hij deelde zijn kennis mee aan anderen, had de gave van het woord om zijn denkbeelden te uiten, zowel als wijsheid, hij was even vrijgevig met zijn geleerdheid als met zijn spijze en onthield geen van beide aan hen, die hem omringden. Het is zeer begerenswaardig dat zij, die grote gaven hebben, van welke aard het zij, daarbij ook een ruim hart hebben om ze te gebruiken ten nutte van anderen, en dit is van de hand Gods, Prediker 2:24, Hij zal het hart verwijden. De grootheid van Salomo's wijsheid wordt in het licht gesteld door vergelijking. De Chaldeërs en Egyptenaren waren beroemd om hun geleerdheid, aan hen hebben de Grieken de hunne ontleend, maar de grootste geleerden onder deze volken bleven achter bij Salomo, vers 30. De natuur overtreft de kunst, en nog veel voortreffelijker is genade. De kennis, die God geeft door bijzondere gunst, overtreft zeer ver die, welke de mens zich door arbeid eigen maakt. Er waren sommige mannen in Salomo's tijd, die grote vermaardheid hadden verkregen, inzonderheid Heman en anderen, die Levieten waren, en door David voor de dienst van de tempelmuziek gebruikt werden, 1 Kronieken 15:19. Heman was zijn ziener in de woorden Gods, I Kronieken 25:5. Chalcol en Darda waren eigen broeders, en ook zij waren bekend om hun geleerdheid en wijsheid, maar Salomo overtrof hen allen, vers 30, zijn raad was van veel meer waarde.
III. Het gerucht er van. Onder alle heidenen rondom werd er van gesproken. Zijn grote rijkdom en heerlijkheid deden zijn wijsheid des te meer uitblinken, en gaven hem een gelegenheid om haar te tonen, die zij niet kunnen hebben, die in armoede en onbekendheid leven. Het juweel van de wijsheid kan grote schittering verkrijgen door zijn zetting.
IV. De vruchten er van, daaraan wordt de boom gekend. Hij heeft zijn talent niet begraven, hij toonde zijn wijsheid.
1. In zijn geschriften. Die, welke door Goddelijke ingeving samengesteld werden, worden hier niet genoemd, want zij zijn nog in wezen, en zullen tot aan het einde van de wereld monumenten zijn van zijn wijsheid, en zijn, evenals andere delen van de Schrift, nuttig om ons wijs te maken tot zaligheid. Maar behalve deze, blijkt uit hetgeen hij sprak of dicteerde om van hem geschreven te worden:
a. Dat hij een moralist was, want hij sprak drie duizend spreuken, wijze gezegden, "apophthegmen" of zinrijke spreuken, bewonderenswaardig nuttig ter leiding van het menselijke levensgedrag. De wereld wordt grotendeels geregeerd door spreuken en nooit was zij beter voorzien van nuttige, dan door Salomo. Of de spreuken van Salomo, die wij hebben, deel uitmaakten van de drie duizend, is onzeker.
b. Dat hij een dichter was, en een man van groot vernuft. Zijn liederen waren duizend en vijf, waarvan slechts een nog in wezen is, omdat dit een door Goddelijke ingeving was geschreven, en daarom zijn Lied van de liederen wordt genoemd. Zijn wijze leringen werden meegedeeld door spreuken, opdat zij gemeenzaam bekend zouden zijn aan hen die hij bedoelde te onderwijzen, en voor alle gelegenheden gereed, door liederen, opdat zij aangenaam zouden zijn, en op de genegenheden zouden werken.
c. Dat hij bedreven was in de natuurwetenschappen, een man van grote geleerdheid en diep inzicht in de geheimenissen van de natuur. Uit zijn eigen en anderer waarnemingen en ervaringen schreef hij over planten en dieren, vers 33, gaf hij beschrijvingen van hun aard en hoedanigheden, en (naar sommigen denken) over het medicinale gebruik er van.
2. In zijn gesprekken. Van overal kwamen personen, die meer begerig waren naar kennis dan hun naburen, om de wijsheid van Salomo te horen, vers 34. Koningen, die er het gerucht van vernomen hadden, zonden hun gezanten om haar te horen, en er hun het onderricht van te brengen. Salomo's hof was de zetel van de geleerdheid en de plaats van samenkomst voor wijsgeren, die allen kwamen om hun kaars aan zijn lamp aan te steken en van hem te leren. Laat hen, die de hedendaagse geleerdheid verheffen boven die van de ouden, ergens in de latere eeuwen zo'n schat van kennis aanwijzen als die van Salomo was, maar het doet de menselijke geleerdheid eer aan, dat Salomo er voor geprezen werd, en beveelt haar aan de groten van de aarde aan, als wel waardig om naarstig door hen onderzocht te worden. Maar eindelijk, Salomo was hierin een type van Christus, in wie al de schatten van de wijsheid en van de kennis verborgen zijn, en, verborgen ten gebruike, want Hij is geworden wijsheid van God.