1 Koningen 2:35-46
I. Hier is de bevordering van Benaja en Zadok, twee getrouwe vrienden van Salomo en zijn regering, vers 35. Joab ter dood gebracht zijnde, werd Benaja aangesteld tot opperbevelhebber van de krijgsmacht in zijn plaats, en Abjathar uit zijn ambt ontzet zijnde, werd Zadok hogepriester in zijn plaats, en hierin werd het woord van God vervuld, waarin Hij gedreigd heeft het huis van Eli af te snijden, 1 Samuël 2:35. Ik zal Mij een getrouwe priester verwekken, die zal Ik een bestendig huis bouwen. Heilige ambten kunnen wel onteerd maar niet vernietigd worden door de slechte bediening van hen, die er mee belast werden, en Gods werk zal nooit stilstaan uit gebrek aan handen om het te doen. Geen wonder dat een koning, die zo onmiddellijk door God tot koning was gemaakt, gemachtigd was, om hem die hij er geschikt toe vond, tot hogepriester aan te stellen, en hij deed het in billijkheid want het aloude recht was voor Zadok, daar hij van het geslacht van Eleazar was, terwijl Eli en zijn huis van Ithamar afstamden.
II. De maatregelen, die ten opzichte van Simeï genomen werden. Hij wordt door een bode van zijn huis te Bahurim opgeroepen, en verwachtte misschien geen beter lot dan dat van Adonia, zich bewust zijnde van zijn vijandschap jegens het huis van David, maar Salomo weet te onderscheiden tussen misdaden en misdadigers. David had aan Simeï zijn leven beloofd gedurende zijn tijd, Salomo is door die belofte niet gebonden, en toch wil hij niet dadelijk in strijd er mee handelen.
1. Hij beperkte hem tot Jeruzalem, en verbood hem om, onder welk voorwendsel het ook zij, verder dan tot aan de beek Kidron buiten de stad te gaan, vers 36, 37. Hij vergunde hem niet op zijn bezitting op het land te wonen, uit vrees dat hij er onheil onder zijn naburen zou stichten, maar hield hem te Jeruzalem als gevangene op vrije voeten. Dit kon Simeï's gevangenschap licht en degelijk voor hem maken want Jeruzalem was een schone stad, de vreugde van de gehele aarde, de koninklijke stad, de heilige stad, hij had geen reden tot klagen in zo'n paradijs opgesloten te zijn. Dit zou ook veiliger zijn voor Salomo, want daar had hij hem onder het oog, kon hij zijn bewegingen nagaan, en hij zegt hem klaar en duidelijk dat, zo hij niet binnen die omtrek bleef, hij er gewis voor sterven zou. Dit was een goede en geschikte beproeving van zijn gehoorzaamheid en trouw, waarover hij geen reden tot klagen had, zijn leven wordt hem op gemakkelijke voorwaarden geschonken, hij zal leven, zo hij slechts tevreden wil wezen om te Jeruzalem te leven.
2. Simeï onderwerpt zich aan die gevangenschap op vrije voeten, en neemt dankbaar zijn leven aan op die voorwaarde. Hij neemt de verplichting op zich, vers 38, om Jeruzalem niet te verlaten, en hij erkent dat het woord des konings goed is. Zelfs zij, die omkomen, kunnen niet anders dan erkennen dat de voorwaarden van vergeving en leven onwraakbaar zijn, zodat hun bloed, evenals dat van Simeï op hun eigen hoofd is. Simeï beloofde onder ede zich binnen de omtrek te zullen houden vers 42.
3. Simeï verbrak zijn woord, hetgeen Salomo wel verwacht heeft en God was rechtvaardig in het hem toe te laten, opdat hij nu de straf van zijn misdrijf zou ondergaan. Twee van zijn knechten (het schijnt dat hij, hoewel hij een gevangene was, toch zijn gewone leven leidde en zijn dienstpersoneel had behouden) liepen van hem weg naar het land van de Filistijnen, vers 39. Daarheen vervolgde hij hen, en van daar bracht hij hen terug naar Jeruzalem, vers 40. Om dit geheim te houden heeft hijzelf zijn ezel gezadeld, vertrok hij waarschijnlijk in de nacht en kwam-naar hij dacht-zonder ontdekt te zijn tehuis. "Zijn knechten zoekende", zegt bisschop Hall, verloor hij zichzelf. De aardse dingen zijn, of behoorden te zijn, onze dienstknechten. Hoe gemeenlijk zien wij de mensen de perken verlaten, die hun door Gods wet gesteld zijn, teneinde ze na te jagen, totdat een ontzettend oordeel komt over hun ziel."
4. Salomo wordt er van verwittigd, dat Simeï de stad had verlaten, vers 41. De koning ontbiedt hem, en:
a. Legt hem zijn tegenwoordige misdaad ten laste, vers 42, 43, namelijk dat hij grote minachting had betoond voor het gezag en de toorn beide van God en de koning, dat hij de eed des Heren niet heeft gehouden, en ongehoorzaam is geweest aan het bevel van zijn vorst, dat hieruit bleek van welke geest hij was, dat hij noch door de banden van de dankbaarheid, noch door die van het geweten, gehouden kon worden. Indien hij aan Salomo de noodzakelijkheid van het geval had voorgesteld, en hem om verlof had gevraagd om naar Gath te gaan, Salomo zou hem dat verlof misschien gegeven hebben, maar te vertrouwen òf op zijn onwetendheid, òf op zijn oogluiking, dat was hem in de hoogste mate beledigen.
b. Hij veroordeelt hem voor zijn vroegere misdaad, David vloekende en met stenen naar hem werpende, ten dage van zijn beproeving: de boosheid, die uw hart weet, vers 44. Het was niet nodig getuigen te horen voor het bewijs van de zaak, zijn eigen geweten was zo goed als duizend getuigen, die boosheid, welke des mensen hart alleen weet, is genoeg, zo er behoorlijk acht op wordt geslagen, om hem met schrik en ontzetting te vervullen, in de verwachting, dat zij op hun eigen hoofd zal wederkeren, want zo hun hart het weet, God is groter dan het hart. Anderen wisten dat Simeï David heeft gevloekt, maar Simeï zelf wist welke goddeloze beginselen van haat en boosaardigheid tegen David het waren, die hij in zijn vloeken heeft geopenbaard, en dat zijn onderwerping slechts geveinsd en gedwongen was.
c. Hij verklaart zich en zijn regering gezegend, vers 45, maar de koning Salomo is gezegend, niettegenstaande Simeï's machteloos vloeken, waaraan hij misschien nu in zijn woede en wanhoop ten volle lucht gaf. Laat hen vloeken, maar zegen Gij. En de troon Davids zal bevestigd zijn door hen weg te doen, die hem ondermijnen. Het is met betrekking tot de vijandschap van de vijanden van de kerk een troost dat, hoe zij ook woeden het toch ijdel is wat zij bedenken: Christus troon is bevestigd, en zij kunnen hem niet doen wankelen.
d. Hij geeft bevel voor de onmiddellijke terechtstelling van Simeï, vers 46. Al het oordeel is de Here Jezus overgegeven, en hoewel Hij de Koning des vredes is, zal Hij toch ook een Koning van de gerechtigheid worden bevonden, en weldra zal dit Zijn woord van bevel zijn betreffende al Zijn vijanden, die niet willen, dat Hij koning over hen zal zijn: Brengt hen hier, en slaat hen hier voor mij dood. De smaadheden van hen, die Hem gelasterd hebben, zullen, tot hun eeuwige verdoemenis op henzelf vallen.