1 Koningen 20:1-11
Hier is Benhadads dreigement om een inval te zullen doen in het rijk van Achab, en het beleg, dat hij sloeg voor Samaria, de koninklijke stad, vers 1. Wat de oorzaak van de twist was, wordt ons niet gezegd, hebzucht en eerzucht waren de voornaamste redenen, en die zijn nooit om het een of andere voorwendsel verlegen. David had in zijn tijd de Syriërs geheel tenonder gebracht en hen schatplichtig gemaakt aan Israël, maar door Israëls afval van God krijgen de Syriërs weer macht. Asa had de Syriërs eens overgehaald om een inval te doen in Israël, Hoofdstuk 15:18-20, en nu deden zij het uit eigen beweging. Het is gevaarlijk om een vreemde krijgsmacht in een land te brengen, het kan aan het nageslacht duur te staan komen. Er waren tweeën dertig koningen met Benhadad, die hem of schatplichtig waren en verplicht om hem te volgen of in verbond met hem waren, en wier belangen het dus meebrachten hem te helpen. Welk een gering, nietig aanzien had de titel van koning, als al deze kleine heersers er aanspraak op maakten!
V. Het verdrag tussen deze twee koningen, gewis moest Israëls schaduw van hen geweken zijn, want anders zouden de Syriërs niet zo gemakkelijk en met zo weinig tegenstand naar Samaria hebben kunnen oprukken, naar Samaria het hoofd en het hart van het land, een stad nog kortgeleden gebouwd, en dus-naar wij kunnen veronderstellen niet goed versterkt, en die bijgevolg spoedig de aanvallers in handen zou vallen. Van beide zijden was men zich hiervan wel bewust, en daarom:
1. Doet Benhadad in zijn hoogmoed een beledigender eis, vers 2,3. Een trompetter wordt-naar wij kunnen onderstellen-naar de stad gezonden, om aan Achab de voorwaarden bekend te maken, waarop het beleg zou worden opgebroken. Achab moet zijn vazal of nog erger zijn lijfeigene worden, hem niet slechts schatting betalen uit hetgeen hij heeft, maar zijn recht er op op Benhadad doen overgaan, alles houden naar zijn-Benhadads-wil en goedvinden, tot zelfs zijn vrouwen en kinderen de besten er van. De wijze van uitdrukking is bedoeld om hem te verbitteren: "Alles zonder uitzondering, is mijn".
2. Achab, even laf en laaghartig als Benhadad trots en laatdunkend was, wil zich schandelijk aan hem onderwerpen. Wel betuigt hij zijn onderwerping in algemene bewoordingen, hij kan er de bijzonderheden niet met evenveel genoegen van opsommen, als waarmee Benhadad ze genoemd heeft in zijn eis, maar zij is toch afdoend. ik ben van u, en al wat ik heb, vers 4. Zie de uitwerking van de zonde.
a. Indien hij door zijn zonde God er niet toe gebracht had hem te verlaten, zou Benhadad niet zo'n eis hebben kunnen doen. De zonde brengt de mensen in zulke engten door hen buiten de bescherming Gods te stellen. Als God niet over ons heerst zullen onze vijanden over ons heersen, een rebel tegen God is een slaaf van de mensen. Achab had zijn zilver en goud gebruikt voor Baäl, Hosea 2:7, met recht wordt het hem dus ontnomen, want zulk een vervreemden doet het verbeuren.
b. Indien hij door zijn zonde geen onrecht had gedaan aan zijn eigen geweten, hij zou niet tot zo'n laaghartige onderwerping zijn gekomen. Schuld slaat de moed van de mensen neer en maakt hen lafhartig. Hij wist dat Baäl niet kon helpen, en hij had geen reden te denken dat God hem wilde helpen, en daarom wilde hij zijn leven kopen tot iedere prijs, huid voor huid, en alles wat hem lief is, zal hij er voor geven. Hij wil liever leven als bedelaar dan sterven als vorst.
3. Benhadads trotse ziel verheft zich, hij wordt na deze onderwerping van Achab nog meer beledigend en gebiedend, vers 5, 6. Achab had alles aan zijn voeten gelegd, alles in zijn macht gegeven, verwachtende dat de ene koning wel grootmoedig zal zijn tegenover een andere koning, en dat zijn erkenning van Benhadads soevereiniteit hem tevreden gesteld zou hebben, voor het ogenblik was de eer genoeg, later zou hij, als hij er oorzaak toe vond, gebruik er van kunnen maken, Satis est prostrasse leoni-Het is de leeuw genoeg zijn tegenstander neergeworpen te hebben. Maar dit was hem niet genoeg.
a. Benhadad is even hebzuchtig als trots, en kan niet heengaan of hij moet het bezit hebben, zowel als de heerschappij. Hij acht het niet genoeg het alles het zijne te noemen, hij moet het ook in handen hebben. Hij wil Achab zelfs geen dag langer het gebruik van zijn eigen goed toestaan.
b. Hij is even boosaardig als hij trots is. Indien hijzelf was gekomen om uit te kiezen wat hem behaagde, hij zou nog enige eerbied voor een gekroond hoofd betoond hebben, maar hij zal zijn dienaren zenden om de vorst te honen en te grieven, het paleis te plunderen, het van al zijn sieraden te beroven. Ja meer: om Achab nog meer ergernis te geven, wordt hun bevolen, niet slechts weg te nemen wat hun behaagde, maar als zij te weten kunnen komen aan welke personen of zaken Achab zeer bijzonder gehecht is, dan moeten zij deze wegnemen: al het begeerlijke van uw ogen zullen zij wegnemen. Wij worden dikwijls gegriefd in hetgeen waarop wij verzot zijn, en wat ons het dierbaarst is, blijkt het minst veilig te zijn.
c. Hij was even onredelijk als onrechtvaardig, en geeft aan de onderwerping, die Achab voor zichzelf gedaan heeft, de betekenis, dat hij haar ook voor al zijn onderdanen gedaan heeft zodat ook deze aan zijn genade zijn overgegeven. "Zij zullen niet alleen uw huis, maar ook de huizen van uw knechten bezoeken, en ze plunderen naar hun lust". Geloofd zij God voor vrede en eigendom, zodat wij wat wij hebben het onze kunnen noemen.
4. Bij deze toenemende belediging en onbeschaamdheid, begint Achabs terneergeslagen moed zich te verheffen, en zo hij al niet kloekmoedig wordt, wordt hij wanhopig, en wil nu liever zijn leven wagen, dan aldus alles op te geven.
a. Nu vraagt hij om het advies van zijn geheime raad, die hem aanmoedigt om tegenstand te bieden. Hij spreekt nog slechts op armzalige, lafhartige wijze, vers 7, vraagt hun of Benhadad niet een onredelijke vijand was, die kwaad zocht te stichten. Wat kon hij anders verwachten van iemand, die zonder dat hem reden tot misnoegen was gegeven, een inval had gedaan in zijn land en zijn hoofdstad belegerde? Hij bekent hun dat hij zich tevoren aan hem onderworpen had, en vroeg hun raad hoe hij nu in deze benauwdheid moest handelen. Zij spreken kloekmoedige taal, vers 8. Hoor niet en bewillig niet, hem ongetwijfeld belovende hem bij te staan en te steunen in zijn weigering.
b. Toch drukt hij zich nog met grote bescheidenheid uit in zijn weigering, vers 9. Hij erkent Benhadads heerschappij over hem. Zegt mijn heer de koning, het is mijn bedoeling niet hem te beledigen of terug te komen op de onderwerping, die ik hem reeds aangeboden heb, bij hetgeen ik in het eerst gezegd heb, zal ik blijven, maar deze zaak kan ik niet doen: ik moet niet geven wat het mijne niet is". Het was een vernedering voor Benhadad, dat iemand met zo'n lage ziel als Achab was, hem iets durfde weigeren, maar naar de wijze, waarop hij zich uitdrukte scheen het, dat hij het niet gedurfd zou hebben, indien zijn volk er hem niet toe had aangemoedigd.
5. Benhadad zweert trots het verderf van Samaria. De dreigende golven van zijn toorn, die tegenstand ontmoetende, woeden en schuimen en bruisen, in zijn woede roept hij de machteloze wraak in van zijn goden. Indien het stof van Samaria genoeg zal zijn tot handvollen voor zijn leger, vers 10. Zo talrijk zo sterk een leger zal hij op de been brengen tegen Samaria, en zo overtuigd is hij van de overwinning te zullen behalen, dat het even gemakkelijk zal geschieden als het opnemen van een handvol stof, alles zal weggevoerd worden, tot de grond toe waar de stad op staat. Zo zeker is hij in zijn hoogmoed, zo wreed in zijn boosaardigheid. Dit bereidt hem voor het verderf, hoewel zo'n vorst en zo'n volk niet waardig zijn om de voldoening te hebben van zijn verderf te zien.
6. Achab zendt hem een betamelijke bestraffing voor dit overgrote vertrouwen. Hij durft zijn bedreigingen niet trotseren, hij herinnert hem slechts aan de onzekere kansen van de oorlog, vers 11. "Laat hem, die een krijg begint zijn zwaard, zijn wapenrusting aangordt, niet roemen op de overwinning, er zich niet zo zeker van wanen, alsof hij zwaard en wapenrusting weer had afgelegd en als overwinnaar was weergekeerd". Dat was een van de verstandigste woorden, die Achab ooit gesproken heeft, en voor ons allen is het goed om dat woord in gedachtenis te houden. Het is dwaasheid om vooruit op enigerlei dag te roemen daar wij toch niet weten wat hij zal opleveren, Spreuken 27:1, maar inzonderheid te roemen op een dag van strijd, die blijken kan evenzeer tegen ons te zijn, als wij ons vleiden dat hij voor ons wezen zou. Het is onstaatkundig om een vijand gering te achten, al te zeker te zijn van de overwinning is het middel om geslagen te worden. Pas dit toe op onze geestelijke strijd. Petrus viel door zijn al te groot vertrouwen op zichzelf, zolang wij op aarde zijn, gorden wij onze wapenrusting nog slechts aan, en daarom moeten wij nooit roemen alsof wij haar reeds aflegden. Zalig is de man, die gedurig vreest en nooit ophoudt te waken.