1 Koningen 1:32-40
Wij zien hier hoe David afdoend heeft zorggedragen, zowel om Salomo's recht te verzekeren, als de openbare vrede te bewaren, door Adonia's plan in de geboorte te smoren.
Merk op:
I. De uitdrukkelijke orders, die hij gaf om Salomo tot koning uit te roepen. De personen, aan wie hij deze belangrijke zaak opdroeg, waren Zadok, Nathan en Benaja, mannen van kracht en invloed, in wie David altijd vertrouwen had gesteld, en die hij getrouw aan zich had bevonden, maar die Adonia in zijn uitnodigingen was voorbijgegaan, vers 10. David beveelt hen om Salomo terstond met alle mogelijke plechtigheid tot koning uit te roepen. Zij moeten de knechten huns heren medenemen, de lijfwacht en al de dienaren van het huis, zij moeten Salomo op de muilezelin zetten, waarop de koning placht te rijden, want hij hield niet zulke paardenstallen als zijn zoon later gehouden heeft, hij zegt hun waar zij moeten heengaan, vers 33, en wat zij moeten doen, vers 34.
1. Zadok en Nathan, de twee kerkelijke personen, moeten hem in de naam van God tot koning zalven, want hij was wel niet de eerste van zijn geslacht, zoals Saul en David geweest zijn, maar hij was een jongere zoon, werd koning door Goddelijk bestel, en zijn recht werd betwist, waardoor het noodzakelijk werd dat het aldus geregeld en vastgesteld zou worden. Deze zalving was een type van de verordinering van de Messias, de Christus, de Gezalfde, op wie de Geest, deze olie van de vreugde, zonder mate was uitgestort, Hebreeën 1:9, Psalm 89:21. En alle ware Christenen, erfgenamen zijnde des koninkrijks, Jakobus 2:5, ontvangen de zalving van Hem, 1 Johannes 2:27.
2. Aan de grootwaardigheidsbekleders, burgerlijke en militaire, wordt bevel gegeven dit ter algemene kennis te brengen, en uitdrukking te geven aan de openbare blijdschap bij deze gelegenheid door bazuingeschal, waarmee, volgens de wet van Mozes, grote plechtigheden opgeluisterd moesten worden, en daarmee moest het gejuich des volks zich paren: "De koning Salomo leve, hij zij voorspoedig, zijn koninkrijk worde bevestigd en bestendigd, hij hebbe er lang het bezit en genot van, dat was nopens hem beloofd, Psalm 72:15. Hij zal leven."
3. Zij moeten hem statig naar de stad Davids terugbrengen, en hij moet op de troon zijns vaders zitten, als zijn plaatsbekleder nu, of zijn onderkoning, om gedurende zijn zwakheid de openbare zaken af te doen, en zijn opvolger zijn na zijn dood, hij zal koning zijn in mijn plaats. Het zal voor David zelf en voor alle belanghebbenden een grote voldoening zijn als dit onmiddellijk gedaan wordt, opdat er bij het overlijden des konings geen twist zij, en geen beroering, en geen stoornis in de openbare zaken. Het was verre van David om zijn opvolger de eer te misgunnen, om reeds bij zijn leven als zodanig op te treden, maar hij was misschien op zijn ziekbed zo verdiept in oefeningen van de Godsvrucht, dat, zo hij er niet door anderen aan herinnerd ware geworden, dit grote en goede werk, dat zo nodig was voor de openbare rust, ongedaan ware gebleven.
II. De grote tevredenheid, die Benaja, in naam van de overigen, met deze orders te kennen gaf. De koning zei: "Salomo zal voor mij en na mij koning zijn", "Amen", zegt Benaja van harte, "wat de koning zegt, zeggen wij, wij zijn zeer tevreden, zeer ingenomen met die benoeming, wij stemmen in met die keus, wij geven "nemine contradicente, eenparig," onze stem aan Salomo, en daar wij niets tot stand kunnen brengen en nog veel minder bevestigen, zonder de medewerking van de gunstige voorzienigheid Gods: alzo zegge de Here, de God van mijn heer de koning, dit ook". Dit is de taal zijns geloofs in die belofte van God, waarop Salomo's regering gegrond was. Als wij spreken zoals God spreekt in Zijn woord, dan kunnen wij hopen dat Hij door Zijn voorzienigheid zal spreken zoals wij spreken. Hieraan voegt hij een gebed toe voor Salomo, vers 37, dat God met hem zal wezen, zoals Hij met David geweest is, en zijn troon groter zal maken. Hij wist dat David niet een dergenen was die aan hun kinderen hun grootheid benijden, en dat hij daarom niet ontrust zou worden door dit gebed noch het als een belediging zou opnemen, maar er van harte Amen op zou zeggen. De wijste en beste mens ter wereld begeert, dat zijn kinderen wijzer en beter zullen wezen dan hij, want hij wenst dat hijzelf wijzer en beter ware dan hij is, en wijsheid en goedheid zijn ware grootheid.
III. De onmiddellijke tenuitvoerbrenging van deze orders, vers 38-40. Men verloor geen tijd, Salomo werd statig en plechtig naar de bestemde plaats gevoerd, en daar heeft Zadok (die wel nog niet hogepriester was, maar naar wij kunnen onderstellen, suffragaan was-de Joden noemden hem de sagan of de tweede priester) hem op aanwijzing van Nathan, de profeet, en David de koning, gezalfd, vers 39. In de tabernakel, waarin nu de ark geplaatst was, werd, onder andere heilige dingen de heilige olie bewaard, die voor veel Godsdienstige doeleinden gebruikt werd, van daar heeft Zadok de oliehoorn genomen die zowel kracht als overvloed aanduidt, en daarmee heeft hij Salomo gezalfd. Wij bevinden niet dat Abjathar het op zich nam om Adonia te zalven, deze werd koning gemaakt door een maaltijd, niet door zalving, wie God roept, zal Hij bekwaam maken, hetgeen aangeduid werd door de zalving, overweldigers verkregen haar niet. Christus betekent Gezalfde en Hij is de Koning die God op Zijn heilige berg gezet heeft overeenkomstig het raadsbesluit, Psalm 2:6, 7. Ook Christenen zijn onzen Gode (en door Hem) tot koningen gemaakt, en zij hebben de zalving van de Heilige, 1 Johannes 2:20. Hierop geeft het volk grote vreugde en voldoening te kennen wegens de verheffing van Salomo, zij omringen hem met hun Hosanna's: De koning Salomo leve! en vergezellen hem met hun muziek en hun vreugdekreten, vers 40. Hiermede verklaarden zij hun instemming met de keus, betuigden zij dat hij hun niet opgedrongen was, maar dat zij hem met blijdschap aannamen. De macht van een vorst kan hem weinig voldoening geven, tenzij hij weet dat zij ook de voldoening is van zijn volk. Iedere Israëliet verblijdt zich in de verhoging van de Zone Davids.