1 Koningen 17:1-7
De geschiedenis van Elia begint enigszins plotseling of onvoorzien. Gewoonlijk hebben wij, als een profeet optreedt, enig bericht van zijn afkomst, wordt ons gezegd wiens zoon hij was, en van welke stam, maar Elia komt-om zo te zeggen-uit de lucht vallen alsof hij, gelijk Melchizedek, zonder vader en zonder moeder was en zonder geslachtsrekening hetgeen sommige Joden heeft doen denken dat hij een engel van de hemel was. Maar de apostel heeft ons verzekerd, dat hij "een mens was van gelijke bewegingen als wij." Jakobus 5:17 hetgeen misschien aanduidt, niet alleen dat hij aan de gewone zwakheden van de menselijke natuur onderhevig was, maar dat hij van nature een man was met sterke hartstochten, vuriger en ijveriger dan de meeste mensen, en daarom temeer geschikt om te handelen met de vermetele zondaars van zijn tijd: Zo verwonderlijk maakt God de mensen geschikt voor het werk, dat Hij voor hen bestemt. Ruwe karakters worden geroepen tot ruw werk, de hervorming van de zestiende eeuw had een man als Luther nodig om het ijs te breken. Let op:
1. Zijn naam: Elijahoe, "Mijn God Jehovah is Hij", dat is de betekenis er van. "Hij is het die mij zendt, mij zal erkennen en doorhelpen Hij is het, tot wie ik Israël zou willen terugbrengen, en die alleen dat grote werk tot stand kan brengen".
2. Zijn land: hij was van de inwoners van Gilead, aan de andere kant van de Jordaan, hetzij van de stam van Gad of van de halve stam van Manasse, want tussen hen was Gilead verdeeld, maar of hij uit een van deze stammen geboren was, is onzeker, maar het duistere van zijn afkomst stond de uitnemendheid niet in de weg waartoe hij gekomen was. Wij behoeven niet te vragen vanwaar de mensen zijn, maar wel wat zij zijn, als het iets goeds is, doet het er niet toe of het uit Nazareth komt. Israël was zwaar gewond, toen God hun deze balsem van Gilead zond en deze heelmeester vandaar. Hij wordt de Thisbiet genoemd naar Thisbe, een stad in dat land.
Aan het begin van zijn geschiedenis hebben wij hier een bericht van twee dingen.
1. Dat hij een hongersnood heeft voorzegd een langdurige en zware hongersnood, waarmee Israël gestraft zal worden voor hun zonden. Vanwege gebrek aan regen zal dat vruchtbare land in zoute grond veranderd worden om de boosheid van hen, die daarin wonen. Hij ging dit zeggen aan Achab, fluisterde het niet onder het volk om hen afkerig te maken van de regering, maar maakte het bekend aan de koning, in wiens macht het was het land te hervormen, en aldus het oordeel af te wenden. Waarschijnlijk heeft hij Achab bestraft wegens zijn afgoderij en andere goddeloosheid, en hem gezegd dat, tenzij hij berouw had en zich bekeerde, dit oordeel over zijn land zou komen. Er zal gedurende enige jaren noch dauw noch regen zijn, tenzij dan naar mijn woord, dat is: "Verwacht er geen totdat gij weer van mij hoort". De apostel leert ons dit te verstaan, niet alleen als het woord van profetie, maar als het woord van gebed, dat de sleutel van de wolken omdraaide, Jakobus 5:17, 18. "Hij bad een gebed" (in heilige verontwaardiging over Israëls afval en in heilige ijver voor de eer van God, wiens oordelen getrotseerd werden) "dat het niet zou regenen," en overeenkomstig zijn gebed werd de hemel als koper, totdat hij weer bad, en de hemel gaf regen. In toespeling op deze geschiedenis wordt gezegd van Gods getuigen: "Dezen hebben macht de hemel te sluiten opdat geen regen zal vallen in de dagen van hun profetie," Openbaring 11:6.
Elia doet aan Achab weten: 1. Dat de Heere Jehovah is de God Israëls die hij verlaten had.
2. Dat Hij de levende God is, en niet gelijk de goden, die hij aanbad, en die dode, stomme afgoden waren.
3. Dat hij, Elia, Zijn dienstknecht was, en als bode door Hem was gezonden. "Hij is het, voor wiens aangezicht ik sta om Hem te dienen," of, "dien ik nu vertegenwoordig, in wiens plaats ik sta, en in wiens naam ik spreek, in trotsering van de profeten van Baäl en van de bossen."
4. Dat, niettegenstaande de tegenwoordige vrede en voorspoed van hun rijk God misnoegd op hen was vanwege hun afgoderij, en hen er voor zal kastijden door gebrek aan regen, en als Hij die terughoudt, zal het niet in de macht zijn van de goden, die zij dienen, om hem te geven, immers: "zijn er onder de ijdelheden van de heidenen die doen regenen?" Jeremia 14:22, hetgeen hun onmacht buiten alle twijfel zal doen stellen, en de dwaasheid zal aantonen van hen, die de levende God hebben verlaten, om hun hof te gaan maken aan hen, die goed noch kwaad konden doen, en dit bevestigt hij met een plechtige eed: zo waarachtig als de Heere, de God Israëls, leeft, opdat Achab des te meer ontzag zal hebben voor de bedreiging, daar het leven Gods verpand is voor de vervulling er van.
5. Hij doet hem weten welke invloed hij heeft in de hemel: Het zal wezen naar mijn woord. Met welk een waardigheid spreekt hij als hij in de naam van God spreekt, als één, die een goed besef had van deze opdracht eens profeten: `Ik stel u over de volken en de koninkrijken," Jeremia 1:10. Zie de kracht van het gebed, en de waarheid van Gods woord, want Hij volbrengt de raad van Zijn boden.
II. Hoe voor hem gezorgd werd in die hongersnood.
1. Hoe hij verborgen werd. God gebood hem heen te gaan en zich te verbergen aan de beek Krith, vers 3. Dit was bedoeld, niet zozeer tot zijn bewaring, want het blijkt niet, dat Achab hem nu reeds naar het leven stond, maar als een oordeel over het volk, voor hetwelk hij, zo hij openlijk was opgetreden, een zegen had kunnen zijn zowel door zijn onderricht, als door zijn voorbede, en aldus de dagen van die ramp had kunnen verkorten, maar God had besloten dat zij drie en een half jaar zou duren en dus ook bepaald dat Elia zich zolang zou verbergen, opdat hij niet aangezocht zou worden om het vonnis te herroepen, welks uitvoering hij gezegd had te zullen zijn naar zijn woord. Als God van een natie zegt dat Hij haar zal uitrekken en verdoen, dan vindt Hij het een of andere middel om diegenen weg te nemen of te verwijderen, die in de bres zouden staan om Zijn toorn af te wenden. Het is een slecht teken voor een volk, als aan Godvruchtige mensen en getrouwe leraren bevolen wordt zich te gaan verbergen. Toen God regen op de aarde wilde zenden, gebood Hij aan Elia om zich aan Achab te gaan vertonen, Hoofdstuk 18:1. In gehoorzaamheid aan het Goddelijk bevel, ging hij voor het tegenwoordige heen, en woonde ergens in een afgelegen, weinig bezochte plaats geheel alleen, waar hij niet ontdekt werd, waarschijnlijk tussen het riet van de beek. Als Gods voorzienigheid ons roept tot eenzaamheid en afzondering, dan betaamt het ons te berusten, als wij niet nuttig kunnen zijn, dan moeten wij geduldig wezen, en als wij voor God niet kunnen arbeiden, dan moeten wij rustig stilzitten voor Hem. 2. Hoe hij gespijzigd werd. Hoewel hij daar niet kon werken, daar hij niets anders te doen had dan peinzen en bidden, (hetgeen zou bijdragen om hem toe te bereiden voor nuttigen, zegenrijke arbeid later) zal hij toch eten, want hij is in de weg van de plicht, en dus zal hij voorzeker gevoed worden, zal hij in de dagen van de honger verzadigd worden. Als de vrouw, de kerk, in de woestijn moet vluchten, dan wordt zorg gedragen, dat zij er gevoed wordt een tijd, en tijden, en een halve tijd, dat is: drie en een half jaar, hetgeen juist de tijd was, gedurende welke Elia verborgen bleef. Zie Openbaring 12:6, 14. Elia moet water drinken uit de beek en de raven was geboden hem spijs te brengen, en zij deden het, vers 6.
A. De verzorging was overvloedig, goed en geregeld, tweemaal per dag brood en vlees, dagelijks brood, geschikt voedsel. Wij kunnen veronderstellen dat hij niet zo prachtig en weelderig leefde als de profeten van de bossen, die van de tafel van Isebel aten, maar toch beter dan de overigen van de profeten des Heeren, die door Obadja met brood en water onderhouden werden, Hoofdstuk 18:4. Het betaamt Gods dienstknechten niet-in het bijzonder niet Zijn dienstknechten de profeten- om kieskeurig te zijn ten opzichte van hun voedsel, en op lekkernijen en verscheidenheid van spijzen gesteld te zijn, als de natuur onderhouden wordt, doet het er niet toe, of het gehemelte wordt gestreeld. In plaats van hen te benijden, die keuriger spijzen hebben, moeten wij denken aan de velen, die beter zijn dan wij en genoeglijk op grover voedsel leven, en nog blij zouden zijn met hetgeen wij overlaten. Aan Elia werd slechts een maaltijd tegelijk gebracht, iedere morgen en iedere avond, om hem te leren niet bezorgd te zijn voor de dag van morgen. Laat hen die slechts van de hand in de tand kunnen leven, leren te leven op Gods voorzienigheid en er op te vertrouwen voor het brood van de dag op zijn dag, God te danken voor het brood van deze dag, en het brood voor morgen morgen verwachten.
B. De leveranciers van de spijzen waren zij, van wie men dit weinig verwacht zou hebben: de raven brachten het hem. Obadja en anderen in Israël, die de knie voor Baäl niet gebogen hadden, zouden Elia graag onderhouden hebben, maar hij was een bijzonder buitengewoon man, en zal op bijzondere, buitengewone wijze gevoed worden, hij was een type van Johannes de Doper, wiens spijze uit sprinkhanen en wilde honing bestond. God kon engelen gezonden hebben om hem te dienen, zoals Hij later gedaan heeft, Hoofdstuk 19-5, en zoals Hij voor onze Heiland gedaan heeft, Mattheus 4:11. maar Hij verkoos hem het voedsel te zenden door gevleugelde boden van een andere natuur, om te tonen dat Hij, zo het Hem behaagt, Zijn doeleinden kan doen dienen door de geringste schepselen, evengoed en afdoend als door de machtigste. Indien men vraagt, hoe de raven aan die spijzen kwamen, hoe en waar zij bereid waren, en of zij er eerlijk aan gekomen zijn, dan moeten wij met Jakob antwoorden: "de Heere heeft ze (de raven) doen ontmoeten," Genesis 27:20, de Heere, van wien de aarde is met haar volheid, en zij die er in wonen. Maar waarom raven?
a. Zij zijn roofvogels, gulzige verslindende schepselen, van wie het waarschijnlijker was dat zij hem het voedsel zouden ontstelen, of zijn ogen uitgepikt zouden hebben, Spreuken 30:17, maar aldus is Simsons raadsel weer opgelost: spijze ging uit van de eter.
b. Het zijn onreine schepselen. "Alles wat naar haar aard" was door de wet verboden om gegeten te worden, Leviticus 11:15, maar Elia heeft de spijze, die zij hem brachten, er niet minder om geacht, maar at, en dankte God voor de spijze, niets ondervragende om des gewetens wil. Noachs duif was hem een getrouwer bode dan zijn raaf, maar hier zijn de raven standvastig getrouw aan Elia. c. Raven voeden zich met insekten en aas, maar brachten aan de profeet spijze voor mensen, gezond voedsel. Het is jammer dat zij, die aan anderen het brood des levens brengen, zelf tevreden zijn met hetgeen geen brood is.
d. Raven konden slechts weinig brengen slechts resten of afval, maar Elia was tevreden met hetgeen hij had, en was dankbaar gevoed te zijn, al was het met geen feestmaal.
e. Raven veronachtzamen haar eigen jongen, en voeden ze niet, maar als het Gode behaagt, zullen zij Zijn profeet voeden, jonge leeuwen en jonge raven kunnen armoede lijden en hongeren, maar niet zij, die de Heere zoeken, Psalm 34:11.
f. Raven worden zelf door Gods bijzondere voorzienigheid gevoed, Job 39:3, Psalm 147:9, en nu voeden zij de profeet. Hebben wij Gods bijzondere goedheid ervaren over ons en de onzen? Zo laat ons er ons verplicht door achten om Zijnentwil vriendelijk te zijn voor degenen, die de Zijnen zijn. Laat ons hieruit leren:
Ten eerste. Gods soevereiniteit en macht te erkennen over al Zijn schepselen, Hij kan hen gebruiken voor hetgeen Hem behaagt, hetzij voor oordelen of voor genadebetoningen.
Ten tweede. Om ook in de grootste nood bemoedigd te zijn in God en Hem nooit te wantrouwen. Hij, die een tafel kon toerichten in de woestijn en raven tot spijsverzorgers en dienaren kon maken van Zijn profeet, is machtig om te voorzien in al onze noden naar de rijkdom van Zijn heerlijkheid.
Zo heeft dan Elia gedurende lange tijd zijn maaltijd alleen gegeten, en zijn voorraad van water die hij in de gewone, natuurlijke, weg had uit de beek, faalt hem, voordat hem hetgeen hij door een wonder verkreeg, heeft gefaald. De krachten van de natuur zijn beperkt, maar niet de krachten van de God van de natuur. Elia's beek droogde uit, vers 7, want er was geen regen in het land geweest. Als de hemel faalt, zal de aarde natuurlijk ook falen. Aldus is het met al onze lichamelijke genietingen, wij verliezen ze als wij ze het meest nodig hebben zoals beken in de zomer. Maar er is een rivier, `die de stad Gods verblijdt, en nimmer uitdroogt", Psalm 46:5, een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven. Heere, geef ons dat levende water!