1 Koningen 18:17-20
Wij hebben hier de ontmoeting van Achab en Elia, zo'n slechte koning, als waarmee ooit de wereld geplaagd was, en zo'n goede profeet, als waarmee ooit de kerk gezegend was.
1. Achab, zichzelf gelijk blijvende, beschuldigt laaghartig Elia. Hij durft hem niet slaan, zich herinnerende dat Jerobeams hand verdord was, toen hij haar tegen een profeet had uitgestrekt, maar spreekt scheldwoorden tot hem, hetgeen niet minder een belediging was voor Hem, die Elia had gezonden. Het is wel een zeer grof kompliment, waarmee hij hem aanspreekt: Zijt gij die beroerder Israëls? vers 17. Hoe weinig geleek dit op het woord, waarmee zijn dienaar Obadja hem had begroet, vers 7. Zijt gij mijn heer Elia Obadja was de Heere zeer vrezende, Achab had zich verkocht om goddeloosheid te doen, en beide toonden hun aard en karakter in de wijze waarop zij de profeet toespraken. Men kan wel raden hoe de mensen staan tegenover God aan de wijze, waarop zij zich gedragen jegens Zijn volk en Zijn dienaren. Elia kwam nu om aan Israël zegen te brengen, de tijding van het weerkeren van de regen, en toch wordt hij aldus beledigd. Indien het waar was geweest dat hij de beroerder Israëls was, Achab zou, als koning, verplicht zijn geweest hem te bestraffen. Er zijn van dezulken, die Israël beroeren door hun goddeloosheid, en zij, die voor de openbare vrede hebben te waken, zijn verplicht om een onderzoek naar hen in te stellen. Maar het was volkomen onwaar van Elia, zover was het van hem een vijand te zijn van Israëls welvaart, dat hij er de steun van was, wagens Israëls en zijn ruiters. Het is het lot geweest van de beste en nuttigste mensen om beroerders des lands te worden genoemd, en er voor te worden gehouden. Zelfs Christus en Zijn apostelen zijn aldus verkeerd voorgesteld geworden, Handelingen 17:6.
2. Elia blijft zich gelijk, en werpt de beschuldiging stoutmoedig terug op de koning, en bewees dat hij de beroerder Israëls was vers 18. Elia is de Achan niet, "ik heb Israël niet beroerd, heb hun noch enigerlei kwaad gedaan, noch enig leed voor hen bedoeld." Zij, die Gods oordelen teweegbrengen, doen het kwaad, niet hij die ze slechts voorzegt en er voor waarschuwt, opdat de natie zich bekere en de oordelen voorkomen worden. Ik zou Israël hebben genezen, maar zij wilden niet genezen worden. Achab is de Achan, de beroerder, die de Baäls navolgt, de Baäls, die gevloekte dingen. Niets brengt meer beroering teweeg in een land dan de goddeloosheid en onheiligheid van vorsten en hun geslachten.
3. Als één, die onmiddellijk door de koning van de koningen met gezag was bekleed, beveelt hij dat terstond een vergadering van de staten belegd zal worden op de berg Karmel, waar een altaar voor God gebouwd was, vers 30. Waarschijnlijk hadden zij op die berg een voorname hoogte, waar vroeger de zuivere aanbidding Gods plaats had, zo goed als zij ergens buiten Jeruzalem plaatshebben kon. Daar moet geheel Israël bijeenkomen om Elia te ontmoeten, en de profeten van Baäl, die over het gehele land verspreid waren, met die van de bossen welke Izebels huiskapelanen waren, moeten daar ook in eigen persoon verschijnen.
4. Dienovereenkomstig worden door Achab bevelschriften uitgevaardigd ter bijeenroeping van deze grote vergadering, vers 20, hetzij omdat hij Elia vreesde en hem niet durfde tegenstaan, (Saul had meer ontzag voor Samuël dan voor God), of omdat hij hoopte dat Elia het land zou zegenen en het woord zou spreken, dat zij regen mochten hebben, en op die voorwaarden zullen zij hem allen op zijn wenken gehoorzamen. Zij, die zijn raadgevingen minachtten en haatten, zullen hem nu gaarne verplicht zijn voor zijn gebeden. Nu heeft God hen, die zeiden dat zij Joden waren en het niet waren, maar van de synagoge des Satans waren doen komen, in werkelijkheid, om voor zijn voeten te aanbidden, en te bekennen dat God hem liefhad, Openbaring 3:9.