1 Koningen 16:1-14
1. Hier wordt het verderf van het geslacht van Baesa voorzegd. Hij was een man, die zijn geslacht wèl had kunnen verheffen en bevestigen, hij was actief, had veel beleid en stoutmoedigheid, maar hij was een afgodendienaar, en hiermede heeft hij verderf gebracht over zijn geslacht. God heeft er hem vooruit een waarschuwing voor gezonden, opdat:
1. Zo hij er door tot bekering en reformatie gebracht werd, het verderf voorkomen zou worden, want God dreigt opdat Hij niet zou behoeven te slaan, daar Hij geen lust heeft aan de dood van de zondaar.
2. Opdat, zo hij zich niet bekeert en verbetert, het zou blijken dat het verderf, als het komt, de daad was van Gods gerechtigheid, en de straf van de zonde wie er ook de uitvoerder van mocht wezen. De waarschuwing werd gezonden door Jehu, de zoon van Hanani. De vader was tegelijker tijd een ziener, of profeet, 2 Kronieken 16:7. Hij werd gezonden tot Asa, koning van Juda, maar de zoon, die jong was en meer actief, werd op deze langere en meer gevaarlijke expeditie gezonden tot Baesa, koning van Israël. Juniores ad labores-arbeid en gevaar zijn voor de jongen. Deze Jehu was een profeet en de zoon van een profeet. De profetie, aldus als een erfgoed overgaande van vader op zoon, was dubbele eer waardig. Deze Jehu heeft lang zijn nuttige arbeid voortgezet, want meer dan vijf en veertig jaren later vinden wij hem, Josafat bestraffende en de annalen schrijvende van die vorst, 2 Kronieken 20:34. De boodschap, die deze profeet tot Baesa bracht, is ongeveer gelijk aan die, welke Ahia aan Jerobeam door diens huisvrouw gezonden heeft.
A. Hij herinnert hem aan de grote dingen, die God voor hem gedaan heeft, vers 2. Ik heb u uit het stof verheven op de troon van de heerlijkheid, een groot blijk van de Goddelijke soevereiniteit en macht, 1 Samuël 2:8. Baesa scheen zichzelf verheven te hebben door zijn eigen verraad en zijn wreedheid, maar de hand van Gods voorzienigheid was er in, ten einde Gods raad betreffende het huis van Jerobeam tot stand te brengen, en dat God zijn verhoging erkent als Zijn eigen daad, betekent geenszins dat Hij zijn eerzucht en verraad in bescherming neemt of goedkeurt. Het is God die macht geeft in de handen van slechte mensen, ten einde Zijn goede doeleinden tot stand te doen komen, in weerwil van het slechte gebruik, dat zij er van maken. Ik heb u tot een voorganger over Mijn volk Israël gesteld. God noemt Israël nog Zijn volk, of schoon zij ellendig verdorven waren, omdat zij het verbond van de besnijdenis nog hielden, en er nog veel Godvruchtigen onder hen waren, het was niet dan lang daarna, dat zij Lo-Ammi, niet Mijn volk, genoemd werden, Hosea 1:9.
B. Hij beschuldigt hem van grote misdaden.
a. Dat hij Israël heeft doen zondigen, Gods onderdanen van hun trouw en gehoorzaamheid aan Hem had afgetrokken, hen er toe gebracht heeft om de hulde, die Hem alleen toekomt, aan afgoden te brengen, en hierin gewandeld heeft in de weg van Jerobeam, vers 2, en dat hij gelijk zijn huis was, vers 7.
b. Dat hijzelf God tot toorn had verwekt door het werk van zijn handen, dat is: door beelden te aanbidden, het werk van mensen handen: hoewel anderen ze gemaakt hebben, heeft hij ze misschien gediend en daardoor het maken er van erkend, derhalve zij het werk van zijn handen genoemd worden.
c. Dat hij het huis van Jerobeam verslagen had, vers 7, omdat hij hem gedood heeft, namelijk de zoon van Jerobeam en al de zijnen. Indien hij dit gedaan had met het oog op God en op Zijn wil en heerlijkheid, en uit heilige verontwaardiging tegen de zonde van Jerobeam en zijn huis, hij zou Gode welbehaaglijk zijn geweest, en geprezen zijn als een dienaar van Gods gerechtigheid, maar zoals hij het deed, was hij slechts het werktuig van Gods gerechtigheid, maar een dienaar van zijn eigen lusten, en wordt hij rechtvaardig gestraft voor de boosheid en de eerzucht, die hem bestuurden bij alles wat hij deed. Zij, die op enigerlei wijze gebruikt worden om Gods gerechtigheid aan te kondigen of uit te voeren (zoals magistraten en leraren), moeten dit doen uit een goed beginsel, en op een heilige wijze, opdat het bij hen niet in zonde verkere, en zij zichzelf niet er door aan Gods gerechtigheid blootstellen.
d. Hij voorzegt dat hetzelfde verderf zal komen over zijn geslacht, dat hij gebracht heeft over het huis van Jerobeam, vers 3, 4. Zij, die op anderen gelijken in hun zonden, kunnen verwachten op hen te zullen gelijken in hun plagen, zij in het bijzonder, die ijverig schijnen tegen zulke zonden in anderen, als waaraan zij zelf toegeven. Met het huis van Jehu werd afgerekend voor het bloed van het huis van Achab, Hosea 1:4.
II. Een uitstel verleend gedurende enige tijd, zolang totdat Baesa zelf sterft in vrede en met eer in zijn eigen koninklijke stad begraven wordt, vers 6, zover is het van hem om een prooi te zijn, hetzij van de honden of van de vogelen, waarmee zijn huis bedreigd werd, vers 4. Hij beleeft het niet om de bedreigde straf te zien of te gevoelen, en toch was hijzelf de grootste schuldige. Zeer zeker moet er een toekomstige staat zijn, waarin onboetvaardige zondaars in hun eigen persoon zullen lijden en niet zullen ontkomen, zoals zij maar al te dikwijls in deze wereld ontkomen. Baesa stierf, voorzover blijkt onder geen zichtbare of merkbare slag de, wraak Gods, maar "God heeft zijn geweld weggelegd voor zijn kinderen," zoals Job spreekt, Hoofdstuk 21:19, aldus worden de zonden dikwijls door Hem bezocht.
Merk op: Baesa wordt gestraft door het verderf over zijn kinderen, na zijn dood, en zijn kinderen worden gestraft met de mishandeling van hun lichaam na hun dood, dat is het enige, dat door de bedreiging in bijzonderheden wordt vermeld, vers 4, namelijk dat de honden en de vogelen des hemels hen zullen eten, alsof hierin een stilzwijgende aanduiding lag opgesloten, dat er straffen zijn na de dood, als de dood zijn ergst gedaan heeft, en deze zullen de zwaarste straffen zijn, en die het meest gevreesd moeten worden, deze oordelen over het lichaam en het nageslacht geven de oordelen te kennen over de ziel, als zij afgescheiden is van het lichaam, door Hem die nadat Hij gedood heeft, macht heeft om in de hel te werpen.
III. De volvoering van de bedreiging. Baesa's zoon Ela heeft, evenals Jerobeams zoon Nadab, twee jaren geregeerd, en werd toen gedood door Zimri, een van zijn eigen krijgsoversten, zoals Nadab door Baesa gedood werd, zo gelijk werd zijn huis gemaakt aan dat van Jerobeam, zoals hem bedreigd was, vers 3. Omdat zijn afgoderij gelijk was aan de zijne, en een van de zonden, waarom God met hem streed het ombrengen was van Jerobeams geslacht. Hoe meer zijn eigen verderf gelijk was aan dat verderf, hoe meer de straf gelijk was aan de zonde, zoals het aangezicht is tegen het aangezicht in het water of in een spiegel. 1. Evenals toen, zo werd ook nu de koning zelf het eerst gedood, maar Ela is met meer schande gevallen dan Nadab. Nadab werd gedood op het slagveld, het veld van eer, toen hij en zijn leger Gibbethon belegerden, Hoofdstuk 15:27. Daar echter na deze ramp het beleg opgeheven werd, en de stad in de handen van de Filistijnen is gebleven, werd nu door het leger van Israël de poging hernieuwd, vers 15, en Ela had bij dat leger behoren te wezen om het opperbevel er over te voeren, maar hij beminde zijn gemak en zijn veiligheid meer dan zijn eer en plicht, of het publieke welzijn, en daarom bleef hij achter om zich aan vermaak over te geven, en toen hij zich dronken dronk in het huis van zijn knecht, heeft Zimri hem gedood, vers 9, 10. Laat het een waarschuwing zijn aan dronkaards, in het bijzonder aan die welke zich opzettelijk dronken drinken, dat zij niet weten of de dood hen niet in die toestand zal overvallen.
a. De dood komt gemakkelijk, komt licht, tot de mensen als zij dronken zijn. Behalve de chronische krankheden, die de mensen dikwijls over zich brengen door sterk drinken, waardoor zij afgesneden worden in het midden van hun dagen, worden zij ook in die toestand gemakkelijker overvallen door een vijand, zoals Amnon door Absalom, en zijn zij ook meer onderhevig aan boze ongevallen, omdat zij niet bij machte zijn zichzelf te helpen.
b. De dood komt met verschrikking over mensen in die toestand, hen vindende in het bedrijven van zonde, terwijl zij tot geen gebed instaat zijn, zal hun die dag "onvoorzien overkomen als een dief", Lukas 21:34.
2. Evenals toen, werd ook nu de gehele familie gedood, uitgeroeid. De verrader was de opvolger, aan wie het onnadenkende volk zich gedwee onderwierp, alsof het hun volkomen om het even was, welke koning zij hadden, zo zij er slechts een hadden. Het eerste wat Zimri deed, was: het gehele huis van Baesa te slaan, en zo behield hij door wreedheid wat hij verkregen had door verraad. Zijn wreedheid schijnt zich verder te hebben uitgestrekt dan die van Baesa tegen het huis van Jerobeam, want hij liet hem niemand over van zijn bloedverwanten en vrienden, vers 11, geen van zijn wrekers luidt het oorspronkelijke, niemand van hen, die waarschijnlijk zijn dood zouden wreken, toch heeft Gods gerechtigheid hem spoedig op zo merkwaardige wijze gewroken, dat nog lang daarna als spreekwoord gezegd werd: Had Zimri vrede, die zijn heer heeft gedood? Hierin:
a. Werd het woord Gods vervuld, vers 12.
b. Werd met de zonden van Baesa en Ela afgerekend, waarmee zij de Heere, de God Israëls, door hun ijdelheden tot toorn hadden verwekt, vers 13. Hun afgoden worden hun ijdelheden genoemd, want zij kunnen geen nut doen, noch helpen. Ongelukkig zijn zij, wier goden ijdelheden zijn.