2 Kronieken 20:31-37
Wij naderen nu tot het einde van de geschiedenis van Josafats regering. Zij die leefden in de tijd toen dit boek werd uitgegeven, worden voor meer bijzonderheden verwezen naar een authentieke geschiedenis ervan, geschreven door Jehu, de profeet, Hoofdstuk 19:2, die toen aanwezig was, vers 34.
De algemene hoedanigheid van zijn regering was, dat hij deed wat recht was in de ogen des Heeren, zelf zich dicht en nauwgezet hield aan de aanbidding Gods en deed wat hij kon om ook zijn volk er aan te houden. Twee dingen zijn hier echter te betreuren.
1. Het volk behield nog voorliefde voor de hoogten, vers 33.
Die, welke opgericht weren ter ere van vreemde goden, werden weggenomen, Hoofdstuk 17:6, maar die, waar de ware God werd aangebeden, minder zondig zijnde, werden toelaatbaar geacht, en Josafat was er afkerig van zijn volk te ontstemmen door ze weg te nemen, want het volk had nog zijn hart niet geschikt tot de God hunner vaderen.
Zij berustten in Josafats reformatie omdat zij uit schaamtegevoel niet anders durfden, maar zij deden het niet van harte, hebben er hun hart niet tot God in geschikt, deden het niet uit een goed beginsel, niet met ijver en vastberadenheid, en ook de beste magistraten kunnen niet tot stand brengen wat zij wensen h1 een reformatie, als het volk er koel en koud voor is.
2. Josafat zelf behield vriendschap en genegenheid voor het huis van Achab, omdat hij zijn zoon aan een dochter van die familie had uitgehuwelijkt, hoewel hij er onomwonden voor bestraft was geworden en het hem eens bijna het leven heeft gekost. Hij zag en wist dat Ahazia, de zoon van Achab, goddelooslijk handelde in zijn doen, en dus kon hij niet verwachten voorspoedig te zullen zijn, toch heeft hij zich met hem verenigd, niet in oorlog, zoals met zijn vader, maar in koophandel, werd zijn deelgenoot in een Oostindische vloot met bestemming naar Ofir, vers 35-36.
Er wordt nadruk gelegd op de tijd: na dezen, nadat God zulke grote dingen voor hem gedaan had, hem zonder enigerlei ergerlijke en verderflijke verbintenissen, niet alleen de overwinning had gegeven, maar ook rijkdom, en dan toch nadezen zich met een goddeloze koning te gaan verbinden, was zeer ondankbaar.
Zal hij, nadat God hem zo'n verlossing had gegeven, nu wederkeren om Gods geboden te vernietigen en zich te verzwageren met het volk van deze gruwelen? Wat kon hij dan anders verwachten dan dat God tegen hem zou toornen? Ezra 9:13, 14.
Toch zendt Hij hem een boodschap, om hem zijn dwaling te doen inzien en hem tot berouw en bekering te brengen:
a. Door een profeet die de vernietiging van zijn plan voorzeide vers 37.
b. Door een storm, die de schepen in de haven vernielde, eer zij nog waren uit gezeild, waardoor hij vermaand en gewaarschuwd werd om zijn verbintenis met Ahazia te verbreken, en het schijnt dat hij de waarschuwing ter harte nam, want toen Ahazia hem later drong om zich met hem te verenigen, wilde hij niet, 1 Koningen 22:49, 50.
Zie hoe verderflijk het is om zich vriendschappelijk te vergezelschappen met boosdoeners, het is moeilijk om er zich weer los van te maken. Men kan er zich veel beter voor bewaren om in een strik gevangen te worden, dan iets doen om uit de strik te ontkomen, als men er eenmaal in is.