1 Koningen 14:21-31
I. De geschiedenis van Juda en die van Israël zijn in dit boek dooreengemengd. Jerobeam heeft Rehabeam vier of vijf jaren overleefd, maar zijn geschiedenis wordt het eerst ten einde gebracht, en ook het bericht van Rehabeams regering is zeer droevig.
1. Hier wordt geen goeds gezegd van de koning. Al wat ons hier van hem bericht wordt is, dat hij een en veertig jaar oud was toen hij begon te regeren, naar welke berekening hij geboren moet zijn in het laatste jaar van David en zijn opvoeding, de vorming van zijn geest in de beste dagen van Salomo gehad moet hebben, maar hij heeft er niet naar geleefd. Salomo's afwijking in zijn ouderdom deed meer om hem te verderven, dan zijn wijsheid en Godsvrucht gedaan hebben om hem goede beginselen te geven.
2. Dat hij zeventien jaren geregeerd heeft te Jeruzalem, de stad, die de Heere verkoren had uit al de stammen Israëls, om Zijn naam daar te zetten, waar hij dus gelegenheid genoeg had om zijn plicht te kennen, indien hij slechts een hart had gehad om hem te doen.
3. Dat de naam van zijn moeder was Naama een Ammonietische, dit wordt tweemaal vermeld, vers 21, 31. Het was vreemd dat David zijn zoon Salomo aan een Ammonietische wilde huwen (want dit huwelijk werd nog bij zijn leven gesloten), maar Salomo is waarschijnlijk verliefd op haar geweest, omdat zij Naama een schoonheid was, want dit is de betekenis van de naam, en zijn vader was er afkerig van hem te dwarsbomen, maar het bleek van zeer slechte invloed te zijn op zijn nageslacht. Waarschijnlijk was zij de dochter van Sobi, de Ammoniet, die aan David vriendelijkheid had betoond, 2 Samuël 17:27, en David was maar al te bereid om hem zijn vriendelijkheid te vergelden door zijn zoon in zijn familie te doen huwen. Niemand kan zich voorstellen hoe blijvend en hoe noodlottig de gevolgen kunnen zijn van zulk geen ander juk aantrekken met de ongelovigen."
4. Dat er voortdurend strijd was tussen hem en Jerobeam, vers 30, hetgeen niet anders dan een gedurige onrust voor hem zijn kon.
5. Dat hij stierf na slechts zeventien jaren geregeerd te hebben, en zijn troon naliet aan zijn zoon. Zijn vader, zijn grootvader en zijn kleinzoon, die goed geregeerd hebben, regeerden lang, ieder veertig jaren, maar de zonde verkort dikwijls van de mensen leven en genietingen.
II. Hier wordt veel gezegd ten nadele van de onderdanen, zowel betreffende hun karakter als hun toestand.
1. Zie hoe goddeloos en onheilig zij waren. Het is een uiterst treurig bericht, dat hier gegeven wordt van hun afval van God, vers 22-24. Juda, het enige belijdende volk, dat God had in de wereld, deed wat kwaad was in Zijn ogen in minachting en trotsering van Hem en de tekenen van Zijn bijzondere tegenwoordigheid onder hen, zij verwekten Hem tot ijver, zoals de overspelige vrouw haar echtgenoot tot ijver verwekt door de huwelijksband te verbreken. Hun vaderen waren reeds slecht genoeg, in het bijzonder in de tijd van de richteren, maar zij deden afschuwelijke dingen meer dan al hun vaderen gedaan hadden. De pracht van hun tempel, de praal van hun priesterschap en al de wereldlijke voordelen, die aan hun Godsdienst verbonden waren, vermochten niet hen er aan te verbinden, niets minder dan de uitstorting van de Geest van boven zal Gods Israël in hun trouw aan Hem doen volharden. Het bericht, dat hier gegeven wordt van de goddeloosheid van de Joden, komt overeen met dat hetwelk de apostel geeft van de goddeloosheid van de heidenwereld, Romeinen 1:21, 24, zodat beide, "Joden en heidenen, allen gelijkelijk onder de zonde zijn," Romeinen 3:9. Zij zijn verijdeld geworden in hun overleggingen betreffende God, hebben de heerlijkheid van de onverderflijke God veranderd in de gelijkenis van een beeld, want zij bouwden zich hoogten, en opgerichte beelden, en bossen, vers 23, Gods naam ontheiligende door hem te verbinden aan hun beelden, en Gods inzettingen door er hun afgoden in te dienen. Zij hebben zich dwaas verbeeld God te verhogen, toen zij Hem op hoge heuvels aanbaden, en Hem te behagen, toen zij Hem onder de aangename schaduw van groene bomen aanbaden.
b. Zij gaven zich over aan lage lusten, evenals deze afgodendienaars, Romeinen 1:26, 27, want er waren schandjongens in het land, vers 24, mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende, hetgeen waaraan niet gedacht en dat nog veel minder genoemd moet worden zonder afschuw en verontwaardiging. Zij onteerden God door de ene zonde, en toen heeft God hen overgelaten om zichzelf te onteren door een andere zonde. Zij ontwijdden de voorrechten van een heilige natie, en daarom heeft God hen overgegeven aan de begeerten van hun eigen hart om de verfoeiselen na te volgen van de gevloekte Kanaänieten, en hierin was de Heere rechtvaardig. En toen zij deden gelijk degenen, die uitgeworpen werden, konden zij toen verwachten niet evenzo uitgeworpen te worden?
2. Zie hier hoe zwak en arm zij waren, en dit was het gevolg van hetgeen voorafging. Door de zonde wordt ieder volk verarmd, verzwakt en aan gevaar blootgesteld. Sisak, koning van Egypte, toog tegen hen op, en heeft zich hetzij door geweld, of door overgave, in zoverre meester gemaakt van Jeruzalem dat hij de schatten wegnam, beide van de tempel en van de schatkist, van het huis van de Heer en van het huis van de koning, die David en Salomo vergaderd hadden, vers 25, 26. Dezen hebben hem waarschijnlijk uitgelokt om de inval te doen, en, om het overige te redden heeft Rehabeam ze misschien gedwee overgegeven, zoals Achab, Hoofdstuk 20:24. Hij nam ook de gouden schilden weg, die pas in de tijd van zijn vader gemaakt waren, vers 26, deze voerde de koning weg als trofeeën van zijn overwinning, en in de plaats er van maakte Rehabeam koperen schilden, die de lijfwachten voor hem uitdroegen, als hij in staatsie naar de tempel ging, vers 27, 28. Dit was een embleem van het tanen van zijn heerlijkheid. De zonde maakt dat het goud verdonkerd wordt, zij verandert het fijnste goud en maakt het tot koper. Wij prijzen Rehabeam voor zijn gaan naar het huis van de Heer, misschien des te vaker vanwege de bestraffing, waaronder hij lag, en veroordelen hem niet omdat hij er in staatsie heenging. Hoge personen moeten God eren met hun hoogheid en eer, en dan zijn zij zelf er het meest door geëerd.