1 Koningen 13:1-10
I. Hier wordt een bode gezonden aan Jerobeam om hem Gods misnoegen te kennen te geven wegens zijn afgoderij, vers 1. Het leger van Juda, dat hem had willen verderven, mocht niet tegen hem optrekken, mocht het zwaard niet tegen hem trekken, Hoofdstuk 12:24, maar in plaats daarvan wordt een profeet uit Juda tot hem gezonden, om hem af te brengen van zijn boze weg, en hij wordt ter rechter tijd gezonden, toen hij zijn altaar nog slechts inwijdde eer zijn hart verhard was door de bedriegelijkheid van de zonde, want God heeft geen lust in de dood van de zondaren, maar wil dat zij zich bekeren en leven. Hoe kloekmoedig was die bode, die de koning durfde aanvallen in zijn hoogmoed, en de plechtigheid durfde onderbreken, waarop hij zo trots was! Zij, die op een boodschap Gods uitgaan, moeten het aangezicht des mensen niet vrezen, zij weten wie hen zal doorhelpen. Hoe vriendelijk was Hij, die hem zond om Jerobeam te waarschuwen voor de toorn van God, die geopenbaard is van de hemel over zijn goddeloosheid en ongerechtigheid!
II. De boodschap wordt in de naam van God overgebracht, niet gefluisterd maar met luider stem uitgeroepen, waardoor de moed van de profeten wordt aangeduid, en dat hij noch bevreesd was noch zich schaamde, om er voor uit te komen, alsmede zijn wens om gehoord te worden door allen die tegenwoordig waren, en die bij deze grote gelegenheid niet weinig talrijk zijn geweest, in de hoop tevens dat zij zijn woorden ter harte zullen nemen. De boodschap is gericht, niet tegen Jerobeam, noch tegen het volk, maar tegen het altaar, waarvan de stenen eerder zullen horen dan zij, die verzot waren op hun afgoden en doof waren voor de roepstemmen Gods. Maar door zijn dreigen van het altaar, dreigt hij de stichter er van en hen, die daar aanbaden, aan wie het zo lief is als hun eigen ziel, en die er toe kunnen komen om te zeggen: "Indien Gods toorn het levenloze, schuldeloze altaar treft, hoe zullen wij dan ontvlieden?" Hetgeen voorzegd is betreffende het altaar, vers 2, is dat na verloop van tijd een vorst uit het huis van David, Josia genaamd, dit altaar zal verontreinigen door er de afgodische priesters zelf op te offeren en er de beenderen van doden op te verbranden. Jerobeam wete en zij er van verzekerd:
1. Dat het altaar, dat hij nu inwijdde ontwijd zal worden. De afgodische eredienst zal geen stand houden, maar het woord des Heeren zal bestaan tot in eeuwigheid.
2. Dat de priesters van de hoogten, die hij nu maakte, zelf tot offers aan de gerechtigheid Gods gemaakt zullen worden, en de eerste en enige offers op dit altaar zullen wezen, die Hem welbehaaglijk zullen zijn. Indien de offeranden een verfoeisel zijn voor God, dan zal hier vanzelf uit volgen, dat de offeraars zelf onder Zijn toorn zullen vallen, en die toorn zal op hen blijven, daar hij op geen ander offer overgebracht kan worden.
3. Dat dit gedaan zal worden door een loot uit het huis van David. Dat geslacht, door hem en zijn koninkrijk veracht en trouweloos verlaten, zal zoveel macht herkrijgen, dat het dit altaar, hetwelk hij dacht te bevestigen zal afbreken, zodat recht en waarheid eindelijk de overhand zullen hebben, beide in burgerlijke en heilige zaken, in weerwil van de triomf van heden van hen, die er naar staan om de vreze, beide van God en van de koning, te veranderen. Het duurde ongeveer driehonderd zes en vijftig jaren eer deze voorzegging vervuld werd, en toch werd er van gesproken als van, iets dat zeker en nabij was, want duizend jaren zijn voor God als een dag. Niets is meer toevallig en willekeurig als het geven van namen aan de mensen, toch wordt Josia hier genoemd meer dan driehonderd jaren eer hij was geboren. Niets toekomstigs is verborgen voor God. Er zijn "namen in het boek" van de Goddelijke alwetendheid, Filipp. 3:4, namen, `opgeschreven in de hemel."
III. Er wordt een teken gegeven ter bevestiging van de waarheid van deze voorzegging: het altaar zal door een onzichtbare macht in stukken gescheurd en de as van het offer verstrooid worden, vers 3, hetgeen onmiddellijk geschiedde vers 5. Dit was:
1. Een bewijs, dat de profeet door God was gezonden, "die het woord bevestigde door tekenen die daarop volgden," Markus 16:20.
2. Een aanduiding van Gods misnoegen tegen deze afgodische offeranden. Hoe kon de gave welbehaaglijk zijn, als het altaar, dat haar behoorde te heiligen, een verfoeisel is?
3. Het was een verwijt aan het volk, wier harten harder waren dan deze stenen en niet scheurden onder het woord des Heeren.
4. Het was een proef van hetgeen er aan gedaan zal worden bij de vervulling van deze profetie door Josia, thans was het gescheurd ten teken, dat het alsdan neergeworpen en verdorven zal worden.
IV. Jerobeams hand verdorde, die hij uitgestrekt had om de man Gods te grijpen, of te slaan. In plaats van te sidderen bij het horen van deze boodschap, zoals hij wel had mogen sidderen, viel hij aan op hem, die haar bracht, in trotsering van de toorn, waarvoor hij gewaarschuwd werd, en in minachting van de genade, die hem de waarschuwing zond. Bestraf de zondaar en hij zal u haten, en u kwaad doen, zo hij kan, maar toch moeten Gods profeten zich eerder aan gevaar blootstellen dan ontrouw zijn aan hun opdracht, Hij, die hen gebruikt in Zijn dienst, zal hen beschermen en de toorn des mensen opbinden, zoals hier de toorn van Jerobeam door zijn hand te doen verdorren, zodat hij noch de profeet kon schaden of kwetsen, noch zichzelf kon helpen. Toen zijn hand uitgestrekt was, om reukwerk te branden voor zijn kalf, werd zij niet verdord, maar toen zij uitgestrekt was tegen de profeet, zal hij het gebruik er niet van hebben, voor hij zich verootmoedigd heeft. Van al de goddeloosheid van de goddelozen is er niets, dat God zo tergt en tot toorn verwekt, dan hun boosaardige aanslagen tegen Zijn profeten, van wie Hij gezegd heeft: "Doet hun geen kwaad". Gelijk dit een straf was voor Jerobeam, beantwoordende aan zijn zonde, zo was het de verlossing van de profeet. God heeft velerlei middelen om de vijanden van Zijn kerk de macht te benemen, om hun boze raadslagen te volvoeren. Jerobeams onmacht om zijn hand weer tot zich te trekken, maakte hem tot een schouwspel voor allen, die hem omringden, opdat zij zouden zien en vrezen. Indien God in Zijn gerechtigheid het hart van de zondaren verhardt, zodat zij de hand, die zij hebben uitgestrekt om te zondigen, niet weer tot zich kunnen trekken in berouw, dan is dit een geestelijk oordeel, voorgesteld door dit oordeel, en veel meer ontzettend.
V. De hand, die plotseling verdord was werd plotseling genezen, nadat hij zich onderworpen had, vers 6. Het woord van God, dat zijn geweten had moeten treffen, heeft hem niet verootmoedigd, maar wat zijn gebeente en zijn vlees trof, brengt zijn trots hart naar beneden. Nu zag hij uit om hulp:
1. Niet naar zijn kalveren, maar alleen naar God, naar Zijn gunst en Zijn macht. Hij heeft doorwond, en geen hand dan de Zijne kan genezen. 2. Niet door zijn eigen offer en reukwerk, maar door het gebed van de profeet, die hij zoëven had gedreigd en zoeken te verderven. De tijd kan komen, wanneer zij, die de prediking haten, blijde zouden zijn met de gebeden van getrouwe leraren. "Aanbidt toch het aangezicht des Heeren, uws Gods, ernstig", zegt Jerobeam, "gij hebt invloed bij Hem, wend die aan ten mijnen behoeve". Doch merk op: hij vraagt hem niet te bidden dat zijn zonde vergeven zal worden en zijn hart veranderd, maar alleen dat zijn hand weer tot hem zal komen. Zo wilde Farao, dat Mozes zou bidden, dat God "slechts deze dood van hem zou wegnemen," niet deze zonde. Zoals het een man Gods betaamde heeft de profeet kwaad met goed vergolden, hij verwijt Jerobeam zijn machteloze boosaardigheid niet, triomfeert ook niet in zijn onderwerping, maar spreekt terstond voor hem tot God. Alleen diegenen hebben recht op de zegen, die Christus uitgesproken heeft over de vervolgden, die van Hem leren te bidden voor hun vervolgers, Mattheus 5:10, 44. Toen de profeet aldus God eerde door vergevingsgezindheid te tonen, heeft God nog deze eer op hem gelegd, dat Hij op zijn woord, zijn voorbede, het oordeel herriep, en door opnieuw een wonder de verdorde hand genas, opdat Jerobeam door de goedheid Gods tot bekering mocht geleid worden, en zo hij. niet verbroken was door het oordeel, vertederd zou worden door de goedertierenheid. Door beide schijnt hij voor het ogenblik getroffen te zijn, maar de indruk verflauwde.
Vl. Des profeten weigering van Jerobeams vriendelijke uitnodiging, waarin wij moeten opmerken:
1. Dat God aan Zijn bode had verboden in Bethel te eten of te drinken, vers 9, om Zijn verfoeiing te tonen van hun afgrijselijke afgoderij en afval van God, en ons te leren geen gemeenschap te hebben met de werken van de duisternis, opdat wij er niet door besmet worden of er aanmoediging aan geven. Hij moest door de weg, die hij gegaan was, niet wederkeren, maar zijn boodschap als het ware "in transitu-in het voorbijgaan" overleveren. Hij moet niet expres, niet opzettelijk gezonden schijnen (zij waren zo'n gunst niet waardig) maar alsof hij slechts, op weg zijnde, even aankwam, daar evenals in Paulus, zijn geest in hem ontstoken was, toen hij hun stad doorging en hun heiligdommen aanschouwde. God wilde door dit gebod Zijn profeet op de proef stellen zoals Hij Ezechiël op de proef gesteld heeft, of hij ook "weerspannig was gelijk dat weerspannige huis," Ezechiël 2:8.
2. Dat Jerobeam zo getroffen was door de genezing van zijn hand, dat hij, hoewel wij niet lezen van zijn dankzegging aan God voor die zegen, of dat hij een offer gezonden heeft naar het altaar te Jeruzalem in dankerkentenis er voor, toch zijn dankbaarheid aan de profeet heeft willen tonen, en hem wilde betalen voor zijn gebed, vers 7. Gunsten, die het lichaam ten goede komen, zullen mensen, die geen genade hebben, nog dankbaar doen schijnen jegens goede leraren.
3. Dat de profeet, hoewel hij hongerig en vermoeid en misschien arm was, in gehoorzaamheid aan het gebod van God beide het onthaal en de beloning heeft afgewezen, die hem aangeboden waren. Hij zou hebben kunnen denken dat hij, zo hij het onthaal aannam, nog verder gelegenheid zou kunnen hebben om met de koning te spreken, en bij hem aan te dringen op bekering, nu hij overtuigd was geworden van zijn zending door God, maar hij wil niet wijzer zijn dan God, maar als een getrouwe nauwlettende bode spoedt hij zich naar huis, nu zijn boodschap volbracht is. Diegenen hebben de les van de zelfverloochening niet goed geleerd, die zich niet van een verboden maaltijd kunnen onthouden.