1 Koningen 13:23-34
I. Hier is de dood van de bedrogen, ongehoorzame profeet. Alsof de oude profeet, die hem misleid had, hem het kwaad, dat hij hem gedaan had, enigszins wilde vergoeden, of het bedreigde kwaad van hem wilde afwenden voorzag hij hem van een ezel om naar huis te rijden, maar op weg heeft een leeuw hem aangevallen en gedood, vers 23, 24. Hij keerde slechts terug om enige verversingen te gebruiken toen hij honger had, en zie, daar moet hij voor sterven, zie 1 Samuël 14, 43. Maar wij moeten bedenken:
1. Dat zijn zonde groot was, en het kan hem volstrekt niet rechtvaardigen dat hij ertoe gebracht was door een leugen, hij kon niet zo zeker zijn van het tegenbevel, gezonden door een ander, als hij van het bevel was, dat aan hemzelf gegeven werd. Hij had ook generlei grond om te denken dat het bevel herroepen zou worden, als de reden er voor in volle kracht bleef, welke was: zijn verfoeiing te betuigen van de goddeloosheid van deze plaats. Hij had grote reden om de eerlijkheid te betwijfelen van die oude profeet, die zelf geen getuigenis aflegde tegen de afgoderij, en God heeft het ook niet gepast geoordeeld om van hem gebruik te maken als een getuige tegen de afgoderij van de stad van zijn inwoning. Hij had ook tijd moeten nemen om God te bidden om leiding, en niet zo spoedig er in moeten bewilligen om weer te keren. Dacht hij dat het huis van deze oude profeet veiliger was dan een ander huis in Bethel om er brood in te eten, als God hem verboden had om ergens in die plaats te eten? Dat stond gelijk met wijzer te willen zijn dan God. Dacht hij er zich mee te verontschuldigen, dat hij honger had? Heeft hij dan nooit gelezen, dat de mens niet alleen van het brood leeft?
2. Dat zijn dood was ter heerlijkheid Gods, want hieruit bleek: dat niets tergender voor Hem is dan ongehoorzaamheid aan een uitdrukkelijk gebod, al is het ook in een kleine zaak, hetgeen Zijn handelwijze met onze eerste ouders wegens hun eten van verboden vruchten des te meer verklaarbaar maakt.
b. Dat God misnoegd is over de zonden van Zijn eigen volk, en dat niemand beschermd zal worden in zijn ongehoorzaamheid door de heiligheid van zijn belijdenis, de waardigheid van zijn ambt, zijn nabijheid tot God of enigerlei goede dienst, die hij voor Hem gedaan heeft. Misschien heeft God in de weg van een rechtvaardig oordeel hiermede bedoeld Jerobeams hart te verharden, daar hij niet bekeerd werd door het verdorren van zijn hand, want hij zal er allicht een slecht gebruik van maken, en zeggen dat de profeet zijn verdiende loon had voor zijn zich bemoeien met zijn altaar, en beter gedaan had met maar thuis te blijven, ja meer, hij zal zeggen dat God hem gestraft heeft voor zijn onbeschaamdheid, en dat de leeuw gedaan heeft wat zijn verdorde hand niet had mogen doen. Maar hiermede heeft Hij ook allen, die Hij in Zijn dienst gebruikt, willen waarschuwen om de orders, die zij van Hem ontvangen, strikt en nauwkeurig te volbrengen.
II. De wonderbaarlijke bewaring van zijn dood lichaam, hetgeen een teken was dat God in de toorn des ontfermens gedachtig was, de leeuw, die hem zachtkens gewurgd of verscheurd had, heeft zijn dood lichaam niet verslonden, ja niet eens de ezel verscheurd, vers 24, 25, 28. En wat meer was, hij viel ook niet aan op de voorbijgangers, die het zagen, noch op de oude profeet (die reden genoeg had om het te vrezen) toen hij kwam om het dode lichaam weg te nemen. De opdracht aan de leeuw was: de profeet te doden, tot hiertoe moest hij gaan, maar niet verder. Aldus heeft God getoond dat Hij wel toornig op hem is geweest, maar dat Zijn toorn was afgewend, en dat de straf niet verder ging dan tot de dood.
III. De zorg, die de oude profeet droeg voor de begrafenis. Toen hij van het ongewone voorval hoorde, begreep hij dat het de man Gods was, die ongehoorzaam was geweest aan Zijn meester (en wiens schuld was dat?), daarom heeft de Heere hem de leeuw overgegeven, vers 26. Het zou hem wel betaamd hebben te vragen, waarom de leeuw niet tegen hem gezonden was, tegen hem en zijn huis veeleer, dan tegen de Godvruchtige man, die hij bedrogen had. Hij nam het dode lichaam op, vers 29. Indien er enige waarheid was in de volkswaan, dan is voorzeker het dode lichaam opnieuw beginnen te bloeden toen hij het aanraakte, want hij was in waarheid zijn moordenaar en het was slechts een armzalige voldoening voor het hem aangedane onrecht, om het dode lichaam te begraven. Misschien was hij, toen hij hem door zijn bedrog ten verderve bracht, van plan om hem uit te lachen, maar nu is zijn geweten in zover ontwaakt, dat hij om hem weent en zoals Joab bij Abners begrafenis, gedwongen is een rouwdragende te zijn over hem, wiens dood hij had veroorzaakt, zij zeiden: Ach mijn broeder! Het geval was inderdaad zeer treurig dat zo'n goede man, een zo getrouw profeet, die zo kloekmoedig optrad in de zaak Gods, om een enkele overtreding moest sterven als een misdadiger, terwijl een oude, liegende profeet leeft in gerustheid en een afgodisch vorst leeft in pracht en macht. O God! Uw weg was in de zee, en Uw pad in grote wateren. Wij kunnen de mensen niet beoordelen naar hun lijden, en de zonden niet naar de tegenwoordige straf, van sommigen wordt het vlees verdorven, vernietigd, opdat de geest, de ziel, behouden worde, terwijl van anderen het vlees gekoesterd wordt, opdat de ziel rijp worde voor de hel.
IV. De last, die de oude profeet gaf aan zijn zonen voor zijn eigen begrafenis, zij moesten hem begraven in hetzelfde graf, waarin de man Gods begraven was, vers 31. "Legt mijn beenderen bij zijn beenderen, zo dicht er bij als maar mogelijk is, opdat mijn stof zich vermenge met het zijne". Hoewel hij een liegende profeet was, begeerde hij toch de dood te sterven van een waar profeet. "Raap mijn ziel niet weg met de zondaren van Bethel, maar vergader haar met de man Gods". De reden, die hij geeft, is dat het woord des Heeren, dat hij uitgeroepen heeft tegen het altaar, dat te Bethel is, dat er mensenbeenderen op verbrand zullen worden, gewis geschieden zal, vers 32. Aldus:
1. Bevestigt hij de voorzegging, opdat uit de mond van twee getuigen (en een van hen een zodanige als door de apostel Paulus wordt aangehaald, Titus 1:12 :Een uit hen zijnde hun eigen profeet) het woord bestaan zal, ten einde, zo mogelijk, Jerobeam te overtuigen en tot bekering te brengen.
2. Hij doet de gestorven profeet eer aan als een man, wiens woord niet ter aarde zei vallen, hoewel hijzelf ter aarde gevallen is. Evangeliedienaren sterven, sterven misschien een vroege dood, maar het woord des Heeren blijft tot in eeuwigheid, en sterft niet met hen.
3. Hij gaat te rade met zijn eigen belang, er was voorzegd dat mensenbeenderen op Jerobeams altaar verbrand zullen worden. "Legt de mijne", zegt hij, "dicht bij de zijne, dan zullen zij niet verontrust worden", en dienovereenkomstig is het ook werkelijk hun beveiliging geweest, zoals wij zien in 2 Koningen 23:18. Slapend en wakend, levend en stervend, is het veilig om in goed gezelschap te zijn. Er wordt hier geen melding gemaakt van de inscriptie op het graf van de profeten, maar in 2 Koningen 23:17, vraagt Josia: "Wat is dat voor een grafteken?" En hem wordt gezegd: "Het is het graf van de man Gods, die uit Juda kwam, en deze dingen, die gij tegen dit altaar van Bethel gedaan hebt, uitgeroepen heeft." Zodat het grafschrift op het graf van de profeten de gedachtenis aan zijn profetie heeft bewaard en een blijvend getuigenis was tegen de afgoderijen van Bethel, dat niet zo merkwaardig zou geweest zijn, indien hij elders gestorven en begraven was. De steden Israëls worden hier steden van Samaria genoemd, hoewel die naam toen nog niet bekend was, want, hoewel de oude profeet sprak, de gewilde geschiedschrijver schreef in de taal van zijn eigen tijd.
V. Jerobeams hardnekkig blijven bij zijn afgoderij, vers 33. Hij keerde zich niet van zijn boze weg. Er werd een hand gevonden, die het altaar durfde herstellen, dat God gescheurd had, en toen heeft Jerobeam er offers op geofferd, en zoveel stoutmoediger, omdat de profeet, die hem tevoren gestoord had, in zijn graf was, Openbaring 11:10, en omdat het nog lang zou duren eer de profetie vervuld zal worden. Verschillende methodes zijn gevolgd om hem van de slechte weg terug te brengen maar bedreigingen noch tekenen, oordelen noch genadebetoningen vermochten iets op hem, zo vreemd en onbegrijpelijk was hij aan zijn kalveren gehecht. Hij bekeerde zich niet, hij bracht geen verandering in zijn leven, noch in zijn priesterschap, al wie wilde vulde hij de hand en maakte hem tot priester, al was hij ook nog zo ongeletterd, of nog zo onzedelijk en van welke stam hij ook was, en dit werd zonde, vers 34 dat is: eerst tot een strik, en daarna tot verderf voor het huis van Jerobeam, om het te doen afsnijden en verdelgen van de aardbodem. De afneming, onrust en verwoesting van geslachten zijn de vruchten van de zonde. Hij vleide zich, dat door de kalveren de kroon in zijn geslacht verzekerd zou blijven, maar het bleek dat zij haar aan zijn geslacht deden verliezen, en het geslacht zelf te gronde deden gaan. Diegenen plegen verraad aan zichzelf, die zich in stand zoeken te houden door zonde.