1 Koningen 11:26-40
Hier wordt voor het eerst melding gemaakt van die eerloze naam, Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen, hij wordt hier ten tonele gevoerd als een tegenstander van Salomo, aan wie God uitdrukkelijk gezegd had dat Hij het grootste deel van zijn koninkrijk aan zijn knecht zou geven, en Jerobeam was die knecht. Wij hebben hier een bericht:
I. Van zijn afkomst, vers 26. Hij was van de stam van Efraïm, de naaste in eer en aanzien na Juda. Zijn moeder was een weduwe, aan wie Gods voorzienigheid het verlies van haar man vergoed had in een zoon, die arbeidzaam en vernuftig was, en die (naar wij kunnen veronderstellen) haar zeer tot steun en troost was.
II. Van zijn verheffing. Het was Salomo's wijsheid, om als hij werk te doen had, er geschikte personen voor te gebruiken. Hij bemerkte dat Jerobeam een zeer arbeidzame jonge man was, die acht gaf op zijn werk, er behagen in schepte, en het deed met al zijn macht, daarom heeft hij hem gaandeweg verhoogd, totdat hij hem eindelijk tot ontvanger-generaal over de twee stammen van Efraïm en Manasse had aangesteld, of hem wellicht een post had gegeven die gelijk stond met gouverneur van deze twee provincies, want hij was gesteld over de last, of de schatting, dat is: hetzij van de belastingen of van de staande krijgsmacht van het huis van Jozef. Arbeidzaamheid is het middel tot bevordering. Hebt gij een man gezien, die vaardig in zijn werk is, die er zich zorg en moeite voor geeft en er in volhardt? hij zal voor het aangezicht van de koningen gesteld worden, en niet altijd op gelijke voet blijven met minderen.
Merk op het verschil tussen David en beide zijn voorganger en zijn opvolger, als Saul kloeke mannen zag, vergaderde hij hen tot zich, 1 Samuël 14:52, als Salomo een arbeidzaam man zag, bevorderde hij hem, maar Davids ogen waren op de getrouwen in den lande, om hen bij zich te doen zitten, als hij een Godvruchtige zag, verhoogde hij hem, want hij was een man naar Gods hart, wiens aangezicht de oprechte aanschouwt.
III. Van zijn bestemming voor de regering over de tien stammen na de dood van Salomo. Sommigen denken dat hij zelf een komplot smeedde tegen Salomo, dat hij streefde naar de kroon, woelziek en eerzuchtig was. De Joden zeggen dat hij, toen hij door Salomo gebruikt werd bij het bouwen van Millo, alle gelegenheden waarnam om aanmerkingen te maken op Salomo, hem voor te stellen als een verdrukker van het volk, dingen te kennen gevende, die geschikt waren om het volk te vervreemden van zijn regering. Het is wel niet waarschijnlijk dat hij heel veel van die strekking heeft kunnen zeggen, want Salomo zou er kennis van gekregen hebben, en dan zou het zijn bevordering in de weg hebben gestaan. Maar er wordt toch duidelijk te kennen gegeven dat dit in zijn gedachten was, want de profeet zegt hem: Gij zult regeren over al dat uw ziel zal begeren, vers 37. Maar dit was de oorzaak, of liever de geschiedenis, van het opheffen van zijn hand tegen de koning. Deze stelde hem tot overste aan over de stammen van Jozef, en toen hij bezit ging nemen van zijn gouvernement, werd hem door een profeet in de naam van God gezegd dat hij koning zal zijn, hetgeen hem verstoutte om naar hoge dingen te streven in sommige zaken de koning tegen te staan en hem kwelling en onrust te veroorzaken.
1. De profeet, door wie hem deze boodschap gezonden werd, was Ahia van Silo, wij zullen nog meer van hem lezen, Hoofdstuk 14:2. Het schijnt dat Silo niet zo volkomen door God verlaten en vergeten was, of de herinnering aan vroegere dagen leefde er nog. Het was gezegend met een profeet. Hij gaf aan Jerobeam zijn boodschap over op de weg daar aan zijn dienaren waarschijnlijk bevolen was zich te verwijderen, evenals in eenzelfde geval, 1 Samuël 9:27, toen Samuël zijn boodschap overgaf aan Saul. Gods woord was er niet minder heilig en zeker om, dat het hem aldus in het verborgen, onder een heg misschien, overgeleverd werd.
2. Het teken, waarmee het hem voorgesteld werd, was het scheuren van een kleed in twaalf stukken, waarvan hem tien werden gegeven, vers 30. Het is niet zeker of het kleed van Jerobeam was, zoals gewoonlijk wordt aangenomen, of van Ahia, hetgeen waarschijnlijker is, hij, (dat is de profeet) had zich een nieuw kleed aangedaan, met het doel hem dit teken er mee te geven. Het afscheuren van het rijk van Saul werd aangeduid door het scheuren van Samuëls mantel, niet van Sauls mantel, 1 Samuël 15:27, 28. En er lag meer betekenis in, dat hem tien stukken gegeven werden van hetgeen tevoren niet van hem was, dan van hetgeen wèl het zijne was. De profeten, zowel de ware als de valse, gebruikten zulke tekenen, zelfs onder het Nieuwe Testament, zoals Agabus, Handelingen 21:11.
3. De boodschap zelf, die zeer nauwkeurig is.
A. Hij verzekert hem dat hij koning zal zijn over tien van de twaalf stammen Israëls, vers 31. De geringheid van zijn afkomst en van zijn tegenwoordig ambt, zal zijn verheffing niet in de weg staan, als de God Israëls (door wie de koningen regeren), zegt: Ik zal u tien stammen geven.
B. Hij deelt hem de reden er van mede. Het is niet om zijn goed karakter of om zijn verdiensten, maar ter kastijding van Salomo's afval, omdat hij en zijn familie en ook velen van zijn volk met hem, Mij hebben verlaten, en zich neergebogen hebben voor andere goden vers 33. Het was omdat zij kwaad gedaan hebben, niet omdat het waarschijnlijk was dat hij beter zou doen. Zo moest Israël weten dat het niet om hun gerechtigheid was, dat zij meesters van Kanaän zijn gemaakt, maar om de goddeloosheid van de Kanaänieten, Deuteronomium 9:4. Jerobeam heeft zo'n goede post niet verdiend maar Israël verdiende zo'n slechte vorst. Door hem te zeggen dat de reden waarom Hij het koninkrijk van het huis van Salomo afscheurde, was dat zij God hadden verlaten, waarschuwt Hij hen om niet evenzo zijn verhoging weg te zondigen.
C. Hij beperkt zijn verwachtingen tot de tien stammen, en wel alleen na de dood van Salomo, opdat hij niet het geheel zou beogen en reeds terstond stoornis en onrust aan de regering zou veroorzaken. Hem wordt hier gezegd:
a. Dat twee stammen (hier slechts een stam genoemd, omdat Benjamin, de kleine zich als het ware verloor in de duizenden van Juda) aan het huis van David verzekerd zullen blijven, en dat hij dus nooit op hen een aanslag moest doen, een stam zal hij hebben, vers 32, en wederom, vers 36, zijn zoon zal ik een stam geven, opdat Mijn knecht David altijd een lamp voor Mijn aangezicht hebbe, dat is: een schitterende naam en gedachtenis, Psalm 132:17, en zijn geslacht als koninkrijk geslacht in stand blijve. Hij moet niet denken dat David, evenals Saul, verworpen was, neen, God zal Zijn goedertierenheid niet van hem wegnemen zoals Hij die van Saul weggenomen heeft. Het huis van David moet in stand en eer worden gehouden, omdat daaruit de Messias zal voortkomen. Verderf het niet, want die zegen is er in. b. Dat Salomo gedurende zijn leven in het bezit moet blijven, vers 34, 35. Daarom moet Jerobeam niet beproeven hem te onttronen, maar geduldig wachten totdat zijn dag komt. Salomo moet een vorst zijn al de dagen van zijn leven, niet om zijnentwil (hij had zijn kroon aan de gerechtigheid Gods verbeurd) maar terwille van Mijn knecht David, die Mijn geboden en Mijn inzettingen gehouden heeft. Kinderen, die niet wandelen in de voetstappen van hun ouders, varen toch dikwijls te beter in deze wereld om de Godsvrucht van hun ouders.
D. Er wordt hem te verstaan gegeven dat hij zich goed zal hebben te gedragen. De schenking van de kroon zal gelden quamdiu se bene gesserit-zolang hij zich goed gedraagt. Indien gij zult doen dat recht in Mijn ogen is, dan zal Ik u een bestendig huis bouwen, maar anders niet, vers 38 te kennen gevende dat, zo hij God verlaat, zijn verhoging zelf op de troon zijn familie mettertijd in het stof zal leggen, terwijl het zaad van David wèl beproefd maar niet voor altijd verootmoedigd zal worden, vers 39, maar weer zal bloeien zoals dit ook geschied is in velen van de doorluchtige koningen van Juda, die met roem geregeerd hebben, toen Jerobeams geslacht uitgeroeid was.
IV. Jerobeams vlucht naar Egypte, vers 40. Op de een of andere wijze is Salomo dit te weten gekomen, waarschijnlijk doordat Jerobeam zelf er van gesproken heeft, hij kon het niet zoals Saul, verbergen noch er over zwijgen. Indien hij er wel over gezwegen had, hij zou in zijn eigen land hebben kunnen blijven, om zich daar voor zijn toekomstige verhoging te bereiden, maar daar hij het ruchtbaar maakte:
1. Heeft Salomo dwaas getracht zijn opvolger te doden. Heeft hij anderen niet geleerd dat, welke raadslagen er ook zijn in het hart van de mensen, de raad des Heeren toch bestaan zal? En denkt hijzelf nu die raad teniet te kunnen doen?
2. Jerobeam trok zich voorzichtig terug in Egypte, hoewel Gods belofte hem overal beveiligd zou hebben, wilde hij toch middelen gebruiken voor zijn veiligheid, en was hij tevreden om in ballingschap te leven voor een tijd in onbekendheid daar hij zeker was ten slotte een koninkrijk te zullen hebben. En zullen wij dit dan niet zijn, wij die weten dat ons een beter koninkrijk is weggelegd?