1 Koningen 10:1-13
Wij hebben hier een bericht van het bezoek dat de koningin van Scheba aan Salomo gebracht heeft, het was ongetwijfeld toen hij op zijn hoogste standpunt was van Godsvrucht, en ook de hoogste mate van voorspoed genoot. Onze Heiland noemt haar de koningin van het zuiden, want Scheba lag ten zuiden van Kanaän. Gewoonlijk denkt men dat het in Afrika lag, en tot op de huidige dag hebben de Christenen van Ethiopië de overtuiging dat zij uit hun land kwam, en dat Candace haar opvolgster was, van wie gesproken wordt in Handelingen 8:27. Meer waarschijnlijk is het dat zij uit het zuidelijk deel van gelukkig Arabië kwam. Zij schijnt regerende koningin van haar land geweest te zijn. Menig koninkrijk zou van zijn grootste zegen beroofd zijn, indien er een Salische wet geldig was.
Merk op:
I. Wat het doel van de komst van de koningin van Scheba is geweest. Zij kwam niet voor een handelsverdrag, of om hun wederzijdse grenzen te regelen, geen aanzoek te doen om een verbond met hem aan te gaan ter wederzijdse versterking, of om zijn hulp in te roepen tegen een vijand, dat zijn meestal de redenen van de samenkomsten van gekroonde hoofden, en zij maken de onderwerpen uit van hun besprekingen, maar zij kwam:
1. Om haar nieuwsgierigheid te bevredigen, want zij had gehoord van zijn roem, in het bijzonder van zijn wijsheid, en zij kwam om hem op de proef te stellen, en te zien of hij werkelijk zo'n groot man was, als waarvoor men hem hield, vers 1. Salomo's vloot voer dicht bij de kust van haar land, en kan er voor anker zijn gegaan om vers water in te nemen. Misschien was het op die wijze, dat zij het gerucht van Salomo hoorde, dat hij in wijsheid alle kinderen van het oosten overtrof, en zij kon niet tevreden zijn voor zij zelf heenging om zich van de waarheid er van te overtuigen.
2. Om onderricht van hem te ontvangen, zij kwam om Zijn wijsheid te horen, en daardoor haar eigene te vermeerderen, Mattheus 12:42, ten einde beter instaat te zijn haar eigen koninkrijk te regeren naar de grondregelen van zijn staatkunde. Zij, die door God tot enigerlei openbaar ambt geroepen zijn, in het bijzonder tot het ambt van magistraat of van bedienaar des Woords, moeten door alle mogelijke middelen zich nog oefenen in die kennis, waardoor zij er al meer en meer bekwaam voor worden gemaakt, en aldus instaat zijn om het goed en naar behoren uit te oefenen. Maar wat zij voornamelijk bedoeld scheen te hebben was onderwezen te worden in de dingen van God. Zij was Godsdienstig gezind, en had niet slechts van de roem van Salomo gehoord, maar ook aangaande de naam des Heeren, vers 1, de grote naam van die God, die Salomo aanbad, en van wie hij zijn wijsheid had ontvangen, met die God begeerde zij beter bekend te worden. Daarom wijst onze Heiland op haar vragen naar God door Salomo als een verzwaring van de stompzinnigheid van hen, die naar God niet vragen door onze Heere Jezus Christus, hoewel Hij, daar Hij in Zijn schoot was, veel beter instaat was hen te onderwijzen.
II. Met welke toerusting zij kwam. Zij kwam met een zeer groot gevolg overeenkomstig haar rang, bedoelende Salomo's rijkdom en edelmoedigheid op de proef te stellen, zowel als zijn wijsheid, welk een onthaal hij kon en wilde bereiden aan een koninklijke bezoekster, vers 2. Maar zij kwam toch niet als om iets te vragen of te bedelen, zij bracht genoeg mee om haar onkosten te dekken en Salomo overvloedig te belonen voor de beleefde opmerkzaamheid, die hij haar schonk, en wel met niets gerings of gewoons, maar met goud en edelgesteenten, en specerijen, want zij kwam om te handelen voor wijsheid, die zij tot elke prijs begeerde te kopen.
III. Welk onthaal zij bij Salomo vond. Hij verachtte de zwakheid van haar sekse niet, keurde het niet af, dat zij haar werkzaamheden in haar eigen land had verlaten om zo'n verre reis te doen, zichzelf en hem moeite en onkosten veroorzakende, alleen maar om aan haar nieuwsgierigheid te voldoen, maar heette haar en haar gehele gevolg welkom, gaf haar vrijheid om hem al haar vragen te doen, hoewel sommige er van wel beuzelachtig geweest konden zijn, en sommige vitterig, en andere al te nieuwsgierig, hij stond haar toe tot hem te spreken al wat in haar hart was, vers 2, en hij gaf haar een bevredigend antwoord op al haar vragen, vers 3. Hij verklaarde haar alle woorden, hetzij over de natuur, de moraal, de staatkunde of de Godsdienst. Waren haar vragen bedoeld om hem op de proef te stellen? Hij gaf haar zo'n bescheid, dat zij overvloedig overtuigd was van zijn buitengewone kennis. Waren zij bedoeld tot haar eigen onderricht (wij veronderstellen dat de meesten dit waren)? Zij ontving overvloedig onderwijs van hem, en hij maakte de dingen verwonderlijk eenvoudig en gemakkelijk, die zij vreesde onoverkomelijk moeilijk te zijn, en overtuigde haar er van, dat een Goddelijke spreuk is op de lippen van de koning, Spreuken 16:10. Maar ongetwijfeld heeft hij haar zeer bijzonder ingelicht betreffende God, Zijn wet, en Zijn verordineerde eredienst. Hij was uitgegaan van de vaste onderstelling dat vreemden zullen horen van Gods grote naam, Hoofdstuk 8:42, en herwaarts zouden komen om naar Hem te vragen, en nu zo'n voorname vreemde was gekomen, kunnen wij er zeker van zijn, dat hij niet in gebreke is gebleven haar in haar onderzoek te helpen en aan te moedigen dat hij haar een beschrijving heeft gegeven van de tempel, van de bedienaren en de diensten er in, opdat zij bewogen zou worden de Heere te dienen, die zij nu zocht.
IV. De indruk, die zij opving van hetgeen zij zag en hoorde aan Salomo's hof. Er worden hier verscheidene dingen opgenoemd, die zij bewonderde, de gebouwen en de meubelen van zijn paleis, de dagelijkse provisie voor zijn tafel. Toen zij die zag, heeft zij zich misschien afgevraagd waar de monden waren voor al die spijze, maar toen zij de menigte zag van zijn dienaren en gasten, vroeg zij zich misschien af waar de spijs was voor al die monden. Het ordelijk zitten van zijn dienaren, ieder in zijn plaats, hoe allen hun werk verrichtten zonder enigerlei wanorde, hun rijke livreien, en de geschiktheid, waarmee zijn schenkers hem aan tafel bedienden, al die dingen bewonderde zij, als strekkende tot verhoging van zijn luister en pracht. Maar boven dit alles is het eerste, wat genoemd wordt, zijn wijsheid, vers 4, het alles overtreffende waarvan zij nu de onbetwistbare bewijzen had, en wat het laatst genoemd wordt als de kroon op alles, is zijn Godsvrucht, zijn opgang, waardoor hij heen opging naar het huis des Heeren, met welk een waardigheid en ernst, en een uitdrukking van Godsvrucht op zijn gelaat hij verscheen, als hij naar de tempel ging om God te aanbidden, met evenveel ootmoed in die ogenblikken als met majesteit op andere tijden. Veel oude vertalingen geven de lezing: De brandoffers, die hij offerde in het huis des Heeren, zij zag met welk een edelmoedige mildheid hij zijn offeranden bracht, en met welk een vrome ijver hij het offeren er van bijwoonde, nooit heeft zij zoveel vroomheid aan zoveel grootheid gepaard gezien. Alles was zo verrassend en overweldigend, dat er geen geest meer in haar was. Zij stond verbaasd, nooit had zij iets dergelijks gezien.
V. De wijze, waarop zij zich bij die gelegenheid heeft uitgedrukt. 1. Zij erkende, dat haar verwachting zeer ver was overtroffen, hoewel die hoog gespannen was geweest door het gerucht, dat zij gehoord had, vers 6, 7. Zij heeft geen spijt van haar reis of zich dwaas te vinden omdat zij haar ondernomen heeft, maar erkent dat het volkomen de moeite waard was van zo ver te zijn gekomen om datgene te zien, waarvan zij het gerucht niet had kunnen geloven. Gewoonlijk worden ons de dingen, zowel door het algemeen gerucht als door onze eigen verbeelding, veel groter voorgesteld dan wij ze bevinden als zij ons onder de ogen komen hier echter overtrof de waarheid beide gerucht en verbeelding. Zij, die door genade er toe komen om de genietingen te ervaren van gemeenschapsoefening met God, zullen zeggen dat hun de helft niet was aangezegd van de genoegens van de wegen van de wijsheid en de voordelen van haar poorten. Nog veel meer zullen de verheerlijkte heiligen zeggen dat het een waar gerucht was, dat zij van de gelukzaligheid des hemels gehoord hebben, maar dat hun toch geen duizendste deel er van was aangezegd 1 Corinthiers 2:9.
2. Zij verklaarde hen gelukzalig, die steeds bij hem waren, hem bedienden aan zijn tafel. "Welgelukzalig zijn uw mannen, welgelukzalig deze uw knechten, vers 8, zij kunnen hun eigen wijsheid vermeerderen door de uwe te horen". Zij was in verzoeking hen te benijden, te wensen dat zij tot hen behoorde. Het is een groot voorrecht in een goed gezin te zijn, de gelegenheid te hebben om dikwijls te spreken tot hen, die wijs, Godvruchtig en spraakzaam zijn. Velen hebben dit geluk, die het niet weten te waarderen. Met veel meer reden kunnen wij dit zeggen van Christus' dienstknechten. Welgelukzalig zijn ze, die in Zijn huis wonen, zij zullen Hem gestadig prijzen.
3. Zij loofde God, de gever van Salomo's wijsheid en rijkdom, en de werker van zijn verhoging, die hem koning gemaakt heeft.
a. In goedheid over hem, opdat hij zoveel te ruimer gelegenheid zou hebben om goed te doen met zijn wijsheid. Hij heeft behagen in u gehad om u op de troon Israëls te zetten, vers 9. Salomo's verhoging begon toen de profeet hem Jedidjah heeft genoemd, omdat de Heere hem liefhad, 2 Samuël 12:24, 25. Onze genietingen en vertroostingen worden meer dan verdubbeld, als wij reden hebben om te hopen dat zij voortkomen uit Gods welbehagen in ons. Het was Zijn welbehagen u betreffende (zo kan het ook gelezen worden) om u op de troon te zetten, niet ter wille van uw verdiensten, maar omdat het aldus goed was in Zijn ogen.
b. In goedheid jegens het volk, omdat de Heere Israël in eeuwigheid bemint, een duurzamer zegen voor hen bestemde, een geluk dat hem, die er de grondlegger van was, lang zou overleven. Hij heeft u koning gemaakt, niet opdat gij in pracht en weelde zoudt leven en zoudt doen wat u behaagt, maar om recht en gerechtigheid te doen. Hieraan heeft zij Salomo vriendelijk herinnerd, en hij heeft dit ongetwijfeld ook vriendelijk opgenomen. Beide magistraten en Evangeliedienaren moeten meer bezorgd zijn om de plichten van hun ambt naar behoren te vervullen, dan om zich van de eer en de voordelen er van te verzekeren. Hieraan schrijft zij zijn voorspoed toe, niet aan zijn wijsheid, want de spijs is niet altijd "van de wijzen," Prediker 9:11, maar hem, "die recht en gerechtigheid doet, zal het wel gaan," Jeremia 22:15. Aldus moet dank gezegd worden voor koningen, voor goede koningen, voor zulke koningen, zij zijn wet God hen doet zijn.
Vl. Hoe zij scheidden. 1. Zij gaf aan Salomo een aanzienlijk geschenk in goud en specerijen, vers 10. David had van Salomo voorzegd, dat `hem het goud van Scheba gegeven zal worden," Psalm 72:15. Het geschenk van goud en specerijen, dat de wijzen uit het oosten aan Christus hebben gebracht, werd hierdoor afgeschaduwd, Mattheus 2:11. Aldus betaalde zij voor de wijsheid, die zij geleerd had, en achtte niet dat zij haar te duur had gekocht. Laat hen, die van God geleerd zijn, Hem hun hart geven, en dit geschenk zal aangenamer zijn, dan dit van goud en specerijen. Er wordt melding gemaakt van de grote overvloed, die Salomo zelf er van had, en toch gaf zij hem dit goud, en nam hij het aan. Wat wij aan Christus geven, heeft Hij niet nodig, maar Hij wil dat wij Hem aldus onze dankbaarheid betonen. Van het almuggimhout wordt hier gesproken, vers 11, 12, als van iets buitengewoons, misschien wel omdat het door de koningin van Scheba zeer bewonderd werd.
2. Salomo bleef niet achter bij haar. Hij gaf haar al wat zij begeerde, modellen, naar wij kunnen onderstellen, van kunstige of merkwaardige dingen, zodat zij dezelfde kon laten maken. Of misschien gaf hij haar zijn regels van wijsheid en Godsvrucht op schrift, behalve dat hij haar gaf naar het vermogen van de koning Salomo, vers 13. Zo zullen zij, die tot de Heere Jezus gaan, Hem niet alleen groter bevinden dan Salomo, en wijzer, maar ook vriendelijker, al wat wij vragen zal ons worden gegeven, ja, naar Zijn Goddelijk vermogen, dat koninklijk vermogen, dat zelfs dat van Salomo oneindig overtreft, voor ons doen boven wat wij kunnen bidden of denken.