Richteren 4:17-24
Wij zien hier het leger van de Kanaänieten volkomen verslagen. Er wordt gezegd in Psalm 83:10, 11 (waar gepleit wordt op de nederlaag van dit leger als op een precedent, dat God in latere tijden hetzelfde zal doen) dat zij geworden zijn als drek van de aarde. Nu hebben wij hier:
I. De val van hun generaal, Sisera, de overste van het leger, in wie Jabin waarschijnlijk volkomen vertrouwen had gesteld, en daarom niet zelf tegenwoordig was in het leger. Laat ons de voetstappen nagaan van deze machtige in zijn val.
1. Hij verliet zijn wagen en vluchtte te voet vers 15, 17. Zijn wagens waren zijn trots en zijn houvast, en wij kunnen veronderstellen dat hij deswege de heirscharen van de levende Gods heeft gehoond en getart, daar zij allen te voet waren, paard noch wagen hadden, zoals hij er had, terecht wordt hij dus beschaamd in zijn vertrouwen, en genoodzaakt zijn wagen te verlaten, en hij achtte zich pas veilig en gerust, toen hij zijn wagen kwijt was, hoewel wij kunnen veronderstellen dat die wagen de beste was in zijn soort, en het best was bespannen. Zo worden diegenen teleurgesteld, die op het schepsel steunen als op een gebroken rietstaf, hij breekt niet slechts onder hen, maar dringt hun hand binnen, en vervult hen van velerlei smart. De afgod kan spoedig tot een last worden, Jesaja 46:1, en God kan ons ten slotte doen walgen van hetgeen, waarnaar wij zo gesmacht en verlangd hebben. Hoe gluiperig ziet Sisera er uit, nu hij van zijn wagen is afgeklommen! Het is moeilijk te zeggen of hij meer bloost of beeft. Vertrouw niet op prinsen, als zij toch zó spoedig naar beneden gebracht kunnen worden, indien hij, die zo kort tevoren met zoveel verzekerdheid op zijn armen vertrouwde, nu genoodzaakt is om met zo weinig zekerheid alleen op zijn voeten te rekenen.
2. Geen versterkte plaats onder zijn bereik hebbende, vluchtte hij naar de tenten van de Kenieten, om er een schuilplaats te vinden. De geringe en eenzame wijze van leven van de Kenieten had hij tevoren misschien veracht en bespot, temeer omdat de Godsdienst onder hen werd waargenomen, maar nu is hij blij zich onder de beschutting te plaatsen van een van deze tenten en hij kiest de tent van de vrouw, hetzij omdat deze minder verdacht werd, of misschien omdat zij de eerste was, waar hij aankwam, vers 17. En wat hem aanmoedigde om er heen te gaan was, dat er toen vrede was tussen zijn meester en het huis van Heber, niet dat zij een offensief en defensief verbond hadden gesloten, er waren voor het ogenblik slechts geen tekenen van vijandschap tussen hen. Jabin deed hun geen kwaad, heeft hen niet verdrukt zoals hij de Israëlieten verdrukt heeft, hun eenvoudige, rustige, argeloze wijze van leven maakte dat zij noch gewantrouwd noch gevreesd werden, en misschien heeft God dit aldus beschikt als een beloning voor hun standvastige trouw aan de waren Godsdienst. Sisera dacht dat hij dus veilig onder hen zou zijn, niet bedenkende dat zij wel niet zelf leden onder Jabins macht, maar dat zij toch hartelijk medegevoel hadden met Gods Israël, dat er wèl onder leed.
3. Jael nodigde hem binnen te komen en heette hem welkom. Waarschijnlijk stond zij aan de deur van de tent, om berichten van het leger te vernemen, en hoe de veldslag was afgelopen, die niet ver vandaar geleverd was.
a. Zij nodigde hem naar binnen. Misschien stond zij daar uitziende naar een gelegenheid om enigerlei vriendelijkheid te betonen aan een in benauwdheid verkerenden Israëliet, zo dit nodig was. Maar Sisera ziende aankomen hijgende en buiten adem, nodigde zij hem in de tent te komen en er uit te rusten, waarmee zij, bedoelende hem verlichting te geven van zijn vermoeienis, misschien in werkelijkheid bedoeld heeft zijn vlucht te vertragen, opdat hij in Baraks handen zou vallen, die hem nu ijverig vervolgde en najoeg, vers 18. En het is zeker wel de vraag, of zij reeds dadelijk voornemens was hem het leven te benemen, of dat God het haar later in het hart gaf.
b. Zij maakte veel werk van hem, scheen zeer bezorgd om het hem, als haar gast, gemakkelijk te maken. Was hij moe? Zij wijst hem een zeer gerieflijke plaats om er uit rusten en zijn krachten te verzamelen. Had hij dorst? Dat was niet te verwonderen. Verlangde hij een weinig water om zijn tong te verkoelen? De beste drank, die haar tent opleverde, was tot zijn dienst, en dat was melk, vers 19, waarvan hij, naar wij kunnen veronderstellen, hartig gedronken heeft, en, er door verkwikt zijnde, was hij te beter tot slapen geneigd. Was hij koud, of bevreesd om kou te vatten, of wenste hij verborgen te zijn voor de vervolgers, als deze de tent zouden doorzoeken? Zij bedekte hem met een deken, hetgeen alles zorg te kennen gaf voor zijn veiligheid. Alleen, toen hij verlangde, dat zij voor hem zou liegen, zou zeggen dat hij niet daar was, weigerde zij dit te beloven, vers 20. Wij moeten niet zondigen tegen God, neen, zelfs niet om hen te verplichten, aan wie wij zorg en opmerkzaamheid wensen te betonen. Eindelijk.Wij moeten veronderstellen dat zij haar tent zo stil en rustig hield als het haar maar mogelijk was, alle geraas vermeed, opdat hij zoveel spoediger en vaster zou slapen. En nu was Sisera, toen hij het meest gerust was, het minst veilig. Hoe uiterst onzeker is het menselijk leven! Welke zekerheid kunnen wij er van hebben, als het zo gemakkelijk verraden kan worden door hen, aan wie wij het toevertrouwen, en diegenen er de verwoesters van blijken te zijn, van wie wij hoopten dat zij er de beschermers van zijn zouden? Het beste is God tot onze vriend te maken, want Hij zal ons niet ontrouw zijn.
4. Toen hij in diepe slaap lag, dreef zij een lange tentpin door zijn slaap van zijn hoofd, en bevestigde het aldus aan de grond, en zo doodde zij hem, vers 21. En hoewel dit nu genoeg was om afgedaan met hem te hebben, heeft zij toch, voor alle zekerheid, zijn hoofd afgesneden, Hoofdstuk 5:26, en liet het daar aan de grond genageld liggen. Of zij dit nu al of niet voornemens was, toen zij hem in haar tent nodigde, blijkt niet, waarschijnlijk is de gedachte plotseling bij haar opgekomen, toen zij hem daar in die houding zag liggen, zo gunstig om die dodelijken slag te ontvangen, en waarschijnlijk bracht de gedachte het getuigenis mede, dat zij niet van Satan was, van Satan, als een moordenaar en verderver, maar van God, als rechtvaardige Rechter en Wreker, zoveel hemels licht bespeurde zij in de beweegredenen er toe: de eer van God en de verlossing van Israël, maar niets van de zwartheid, het sombere van boosaardigheid, haat of persoonlijke wraakzucht.
A. Het was een Goddelijke kracht, die haar er toe instaat stelde, haar bezielde met meer dan mannenmoed. Wat zou het geweest zijn, als haar hand had gebeefd en aldus de slag gemist had! Indien hij ontwaakt was, toen zij haar werk begon! Of gesteld eens, dat sommigen van zijn dienaren hem gevolgd waren, en haar hadden verrast toen zij de daad deed, hoe duur zouden zij en de haren er voor betaald hebben! Maar hulp van God verkregen hebbende, brengt zij de daad tot stand.
B. Het was een Goddelijke volmacht die haar er in rechtvaardigde. En daar nu heden aan niemand zo'n opdracht wordt gegeven, niemand er aanspraak op kan maken zo'n buitengewone opdracht van God te hebben ontvangen, behoort zij in generlei geval te worden nagevolgd. De wet van vriendschap en gastvrijheid moet nauwgezet worden nageleefd, en wij moeten het denkbeeld verafschuwen, van iemand te verraden, die wij genodigd en aangemoedigd hebben om vertrouwen in ons te stellen. En wat nu deze daad van Jael betreft (evenals die van Ehud in het vorige hoofdstuk) wij hebben reden te geloven dat zij zich bewust werd van een Goddelijke aandrift in haar gemoed om haar te doen, die haar de volkomen overtuiging gaf, (en daarom moeten ook wij die overtuiging hebben) dat zij er goed aan deed. Gods oordelen zijn een grote afgrond. Het werktuig voor deze terdoodbrenging was een pin van de tent, dat is een van de grote pinnen, waarmee de tent of een van de staken er van, was bevestigd. Dikwijls verplaatsten zij hun tenten, zij was gewoon deze pinnen in te slaan, en daarom wist zij het met te meer handigheid te doen bij deze grote gelegenheid. Hij, die gedacht heeft Israël te verdelgen met zijn menigte van ijzeren wagens, wordt zelf gedood door een enkele ijzeren pin. Aldus beschaamt het zwakke van de wereld het sterke. Zie hier Jaels roem en Sisera's schande. De grote legerbevelhebber sterft:
a. In zijn slaap, diep in slaap en vermoeid. Dit wordt hier gezegd als een reden, waarom hij zich niet bewoog om weerstand te bieden. Hij lag zo vastgehouden in de ketenen van de slaap, dat hij zijn handen niet kon vinden. "Aldus zijn de stouthartigen beroofd geworden, zij hebben hun slaap gesluimerd, van Uw schelden, o God van Jakob," Psalm 76:6, 7, en zo zijn zij in hun laatste slaap gekomen. Zo beroeme de sterke zich dan niet in zijn kracht, immers waar is zij, als hij slaapt? Zij is zwak, en hij kan niets doen, een kind ken hem dan honen en kwellen, en hem het leven benemen, en toch als hij niet slaapt, is hij weldra op van vermoeienis, en kan evenmin iets doen. Voor de woorden: hij was vermoeid, hebben al de oude overzettingen: hij worstelde en stierf aldus de Syrische en Arabische. Hij bezweek en stierf, aldus de Chaldeeuwse. Hij was verduisterd en stierf, aldus de LXX. Consocians morse soporem, aldus de Vulgata, slaap en dood samenvoegende, daar zij zo na aan elkaar verwant zijn. Hij viel in zwijm en stierf. Hij sterft:
b. met zijn hoofd aan de grond genageld, een zinnebeeld van zijn aardsgezindheid. Zijn oor (zegt bisschop Hall) was zo dicht aan de aarde vastgekluisterd, alsof zijn lichaam luisterde om te vernemen wat er van zijn ziel was geworden. Hij sterft:
c. Door de hand van een vrouw. Dit vermeerderde de schande van zijn dood voor de mensen, en had hij het slechts, zoals Abimelech, geweten, Hoofdstuk 9:54, dan kunnen wij ons voorstellen hoe het de kwelling van zijn eigen hart zou vermeerderd hebben.
II. Israëls blijdschap hierover.
1. Barak, hun aanvoerder, vindt zijn vijand dood, vers 22, en ongetwijfeld was hij zeer tevreden, om zijn werk zo bevorderd te zien, tot heerlijkheid Gods en tot beschaming van zijn vijanden. Had hij al te streng en nauwkeurig op het punt van eer gestaan, hij zou het ten kwade hebben geduid als een belediging, dat de generaal door een andere hand dan de zijne gedood was, maar nu herinnerde hij zich dat hij veroordeeld was om aldus zijn eer verkort te zien, omdat hij er op aangedrongen had dat Debora met hem zou gaan: De Heere zal Sisera verkopen in de hand van een vrouw, hoewel men toen weinig dacht dat de voorzegging op die wijze vervuld zou worden.
2. Israël is volkomen verlost uit de hand van Jabin, koning van Kanaän, vers 23, 24. Niet alleen hebben zij door de overwinning van die dag zijn juk afgeschud, maar later de strijd met hem voortgezet, totdat zij hem tot de ondergang gebracht hebben, daar hij en zijn volk door Gods bestel en bevel ten verderve gewijd waren, en niet gespaard moesten worden. Daar de Israëlieten gevoelig gestraft waren voor hun medelijden, waardoor zij dit tevoren niet gedaan hadden, besluiten zij, nu het in hun macht is, hen niet langer te ontzien, maar zich volkomen van hen te ontdoen als een volk, aan hetwelk barmhartigheid te bewijzen indruiste tegen hun eigen belang, evenals tegen het gebod van God, en waarschijnlijk was het met het oog op het vonnis waaronder zij waren, dat deze vijand hier in de laatste twee verzen driemaal genoemd wordt, en als koning van Kanaän wordt aangeduid want als zodanig moest hij verdelgd worden. En zo volkomen was hij uitgeroeid, dat ik mij niet herinner dat er daarna nog van de koningen van Kanaän wordt gesproken. De kinderen Israëls zouden veel kwaad hebben voorkomen indien zij deze Kanaänieten eerder verdelgd hadden, zoals God hun geboden en er hen ook toe instaat gesteld had, maar het is beter laat wijs te zijn en die wijsheid door ervaring te hebben verkregen, dan nooit wijs te zijn.