Jozua 24:29-33
Dit boek, hetwelk begon met overwinningen, eindigt hier met begrafenissen, waardoor al de heerlijkheid des mensen omfloerst wordt.
1. Jozef wordt hier begraven, vers 32. Hij is ongeveer twee honderd jaren tevoren in Egypte gestorven, maar hij heeft bevel gegeven van zijn gebeente, dat het niet moest rusten in zijn graf voordat Israël rust had in het land van de belofte. Daarom hebben de kinderen Israëls, die de kist met zijn gebeente medegenomen hadden uit Egypte, het op al hun tochten door de woestijn hadden medegevoerd, (de twee stammen van Efraïm en Manasse er waarschijnlijk in het bijzonder zorg voor dragende) het in hun leger hadden bewaard, totdat Kanaän volkomen tenonder was gebracht, het nu eindelijk neergelegd in het stuk "grond nabij Sichem, dat zijn vader hem gegeven heeft, Genesis 48:22. Het was waarschijnlijk bij deze gelegenheid, dat Jozua geheel Israël tot hem opriep te Sichem, vers 1, om Jozefs overblijfselen aldaar naar het graf te brengen, zodat de rede, in dit hoofdstuk vermeld, beide diende tot lijkrede van Jozef en tot zijn eigen afscheidsrede, en indien dit gelijk verondersteld wordt, in het laatste jaar was van zijn leven, dan kon die gelegenheid hem wel aan zijn eigen dood doen denken, want hij had nu dezelfde leeftijd bereikt als waartoe zijn doorluchtige voorvader Jozef gekomen was toen hij stierf, honderd en tien jaren. Vergelijk vers 29 met Genesis 50:26.
2. Hier is de dood en de begrafenis van Jozua, vers 29, 30. Er is ons niet gezegd, hoe lang hij leefde na Israëls komst in Kanaän. Dr. Lightfoot denkt dat ongeveer zeventien jaren was, maar de Joodse tijdrekenkundigen zeggen over het algemeen, dat het ongeveer zeven of acht en twintig jaren was. Hij wordt hier genoemd de dienstknecht des Heeren, het is dezelfde titel, die aan Mozes gegeven was, Hoofdstuk 1:1 toen van zijn dood melding werd gemaakt, want, hoewel Jozua in vele opzichten de mindere was van Mozes, was hij hierin zijn gelijke dat hij, naar zijn werk was, zich een naarstig en getrouw dienstknecht van God heeft betoond. En hij, die met zijn twee talenten handel gedaan heeft, ontving dezelfde lof als hij, die met vijf handel heeft gedaan: "Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht.' Jozua's graf wordt hier gezegd te zijn aan het noorden van de berg Gaas, of bevende berg. De Joden zeggen, dat hij aldus genoemd werd, omdat hij beefde toen Jozua begraven werd, om het volk van Israël hun stompzinnigheid te verwijten, dat zij geen rouw bedreven over die grote en Godvruchtige man, zoals zij hadden behoren te doen. Zo heeft bij de dood van Christus, onze Jozua, de aarde gebeefd. De geleerde bisschop Patrick merkt op dat er geen melding wordt gemaakt van dagen van rouw over Jozua, zoals over Mozes en Aäron, waarin zegt hij, Hiëronymus en andere kerkvaders denken dat een verborgenheid is gelegen, namelijk: Dat onder de wet, toen het leven en de onsterflijkheid niet aan het licht waren gebracht zoals thans, zij reden hadden om rouw te bedrijven en te wenen over de dood van hun vrienden, maar, nu Jezus, onze Jozua het koninkrijk van de hemelen geopend heeft, kunnen wij ons veeleer verblijden.
3. Hier is de dood en de begrafenis van Eleazar, de hogepriester, die waarschijnlijk omstreeks dezelfde tijd gestorven is als Jozua, zoals Aäron in hetzelfde jaar gestorven is als Mozes, vers 33. De Joden zeggen dat Eleazar kort voor zijn dood de oudsten heeft samengeroepen en hun een last heeft gegeven, zoals Jozua gedaan heeft. Hij werd begraven op een berg, die aan zijn zoon Pinehas behoorde, en tot hem kwam, niet door erfrecht, want dan zou hij eerst aan zijn vader behoord hebben ook hadden de priesters generlei stad in Efraïm maar het land, weer die berg lag, viel hem toe óf door een huwelijk, zoals de gissing is van de Joden, óf het werd hem vrijwillig ten geschenke gegeven, om er een landhuis op te bouwen, door de een of anderen vrome Israëliet, die liefde en achting had voor de priesterschap, want er is hier gezegd dat het hem gegeven was, en daar heeft hij zijn geliefde vader begraven.
Eindelijk. Er wordt ons hier een algemeen denkbeeld gegeven van Israëls toestand in die tijd, vers 31. Zolang Jozua leefde werd onder zijn zorg en invloed de Godsdienst onder hen hoog gehouden: maar spoedig na de dood van hem en zijn tijdgenoten kwam hij tot verval, zo groot is dikwijls de invloed ten goede door een Godvruchtige geoefend. Hoe goed is het voor de Evangeliekerk, dat Christus, onze Jozua, nog met ons is door Zijn Geest, en met ons zijn zal, al de dagen, tot de voleinding van de wereld.