Richteren 8:29-35
Wij hebben hier het slot van de geschiedenis van Gideon.
1. Hij leefde in afzondering, vers 29, was niet opgeblazen door de eer, die hem te beurt was gevallen, begeerde geen paleis tot zijn woning, maar trok zich terug in het huis, waarin hij voor zijn verheffing gewoond had. Zo is de kloeke Romein, die bij een plotseling opkomende gelegenheid van de ploeg geroepen werd om het leger aan te voeren, na de veldslag tot zijn ploeg teruggekeerd.
2. Zijn gezin werd vermenigvuldigd. Hij had vele vrouwen, (hierin overtrad hij de wet) bij welke hij zeventig zonen had, vers 30. Maar bij één bijvrouw had hij een zoon, die hij Abimelech noemde, hetgeen betekent: mijn vader een koning, en deze bleek het verderf van zijn geslacht te wezen, vers 31.
3. Hij stierf in eer, in goede ouderdom, toen hij zolang geleefd had als hij instaat was God en zijn land te dienen, en wie zou langer begeren te leven? En hij werd begraven in het graf van zijn vader.
4. Na zijn dood verdierf het volk zich en ging teniet. Zodra Gideon, die hen bij de aanbidding Gods had gehouden, gestorven was, vonden zij zich onder geen bedwang, en gingen de Baäls nahoereren, vers 33. Eerst gingen zij een andere efod nahoereren, vers 27 waartoe Gideon zelf hun maar al te veel aanleiding had gegeven, en nu gingen zij een andere god nahoereren. Valse erediensten banen de weg voor valse goden. Thans verkozen zij een nieuwe god, Hoofdstuk 5:8, een god met een nieuwe naam, Baäl-Berith, een godin, zeggen sommigen. Berith was, naar sommigen menen, Berytus, de plaats, waar de Feniciërs deze afgod aanbaden. De betekenis van de naam is: de heer van het verbond, misschien omdat sommigen van zijn aanbidders zich door een verbond tot hem voegden, in navolging van Israëls verbond maken met God, want de duivel is Gods aap. In deze afval van Israël tot afgoderij toonden zij:
1. Grote ondankbaarheid aan God, vers 34. Zij dachten niet aan de Heere, hun God, die hen niet slechts had overgegeven in de handen hunner vijanden, om hen te straffen voor hun afgoderij, maar hen ook verlost had uit de hand hunner vijanden, om hen tot Zijn dienst terug te roepen, zowel de oordelen als de zegeningen en barmhartigheden waren vergeten, en de indruk er door teweeggebracht was verloren.
2. Grote ondankbaarheid aan Gideon, vers 35. Zeer veel goeds had hij Israël gedaan, hij was een vader voor zijn vaderland, weshalve zij weldadigheid hadden moeten bewijzen aan zijn huis, toen hij was heengegaan, want dat is een wijze, waarop wij ons denkbaar kunnen betonen aan onze vrienden en weldoeners, en hun vriendelijkheid kunnen vergelden, als zij in het graf zijn. Maar Israël heeft deze vriendelijkheid niet betoond aan het huis van Gideon, zoals wij in het volgende hoofdstuk zien zullen. Geen wonder dat zij, die hun God vergeten, ook hun vrienden vergeten.