Prediker 9:4-10
Salomo had in gemelijkheid de doden geprezen boven de levenden, Hoofdstuk 4:2, maar de voordelen overwegende van het leven om er zich in te bereiden voor de dood en zich van de hoop te verzekeren op een beter leven, schijnt hij hier van een ander gevoelen te zijn.
I. Hij toont de voordelen aan, die de levenden hebben boven de doden, vers 4-6.
1. Zolang er leven is, is er hoop. "Dum spiro, spero" zolang ik adem, hoop ik. Het is het voorrecht van de levenden, dat zij vergezelschapt zijn bij de levenden, dat zij in betrekking tot hen staan, omgang met hen hebben, en zolang zij die voorrechten hebben, is er hoop. Als iemands toestand in enigerlei opzicht slecht is, dan is er hoop dat hij beter zal worden indien het hart vol is van boosheid en er onzinnigheid in is, is er, zolang er leven is, hoop, dat er door de genade van God een gezegende verandering zal komen, maar nadat de mensen naar de doden gaan, vers 3, is het te laat, die dan vuil is, dat hij nog vuil worde, voor eeuwig vuil zij. Als de mensen als nutteloos op zij worden geworpen, is er toch, zolang zij vergezelschapt zijn bij de levenden, hoop dat zij nog weer wortel zullen schieten en vrucht zullen dragen. Hij, die levend is, is nog voor iets goed, of kan nog voor iets goed worden, maar hij, die dood is, is ten opzichte van deze wereld niet meer instaat om van enige dienst te zijn, daarom is een levende hond beter dan een dode leeuw, de geringste bedelaar, die in leven is, geniet nog het zoet van deze wereld en doet er de dienst aan, waartoe de grootste vorst, als hij dood is, niet instaat is.
2. Zolang er leven is, is er nog gelegenheid om zich te bereiden voor de dood. De levenden weten hetgeen waarvan de doden niets weten, zij weten inzonderheid dat zij zullen sterven, en dat kan van invloed op hen zijn om zich te bereiden voor die grote verandering, die zeker komen zal en plotseling komen kan. De levenden moeten wel weten dat zij zullen sterven dat zij moeten sterven, zij weten dat zij onder een vonnis des doods zijn, zij zijn reeds aangehouden door zijn boden en voelen zich verminderen. Dit is een nodige, nuttige kennis, want wat is ons werk terwijl wij leven, anders dan ons gereed te maken om te sterven? De levenden weten dat zij zullen sterven, het is iets toekomende, en daarom kan er voorziening voor getroffen worden, de doden weten dat zij dood zijn, en het is te laat, zij zijn aan de andere zijde van de grote kloof, die gevestigd is.
3. Als het leven heen is, dan is ook geheel deze wereld er mee heengegaan voor zoveel ons betreft.
a. Er is een einde aan al onze bekendheid met de wereld en de dingen ervan. De doden weten niet met al van hetgeen waarmee zij, toen zij leefden, zeer bekend en vertrouwd geweest zijn. Het blijkt niet dat zij iets weten van hetgeen gedaan wordt door hen, die zij achterlieten. Abraham kent ons niet, zij zijn heengegaan naar duisternis, Job 10:22.
b. Er is een einde aan al hun genietingen in deze wereld. Zij hebben geen loon meer voor hun arbeid in de wereld, al wat zij verkregen hebben, moeten zij aan anderen nalaten. Zij hebben een loon voor hun heilige daden, maar niet voor hun wereldlijke, de spijze en de buik zullen tezamen vergaan, Johannes 6:27, 1 Corinthiers 6:13. Het is uitgelegd in vers 6, zij hebben geen deel meer in deze eeuw, niets van hetgeen zij zich voorstelden een deel te zullen zijn in eeuwigheid, van hetgeen gedaan en verkregen wordt onder de zon. De dingen van deze wereld zullen geen deel zijn voor de ziel, omdat zij geen deel zullen zijn tot in eeuwigheid, zij, die ze verkiezen en ze hebben voor hun goed hebben slechts een deel in dit leven, Psalm 17:14. De wereld kan slechts een levenslange jaarwedde zijn, geen deel tot in eeuwigheid.
c. Er is een einde aan hun naam, er zijn slechts weinigen wier naam hen lang overleeft, het graf is een land van vergetelheid, want de gedachtenis van hen, die daar gelegd worden, is spoedig vergeten, hur, plaats kent hen niet meer, noch het land, dat zij naar hun naam genoemd hebben.
d. Er is een einde aan hun liefde aan hun vriendschap en hun vijandschap hun liefde en hun haat en hun nijdigheid zijn nu vergaan, de goede dingen die zij liefhadden, de kwade dingen die zij haatten, de voorspoed van anderen die zij benijdden, zijn nu allen met hen aan een einde. De dood scheidt hen, van elkeen die hen liefhadden, en maakt een einde aan hun vriendschap, en ook hen, die elkaar haatten en maakt een einde aan hun twisten. "Actio moritur cum persona". De persoon en zijn daden sterven tezamen. Daar zal het ons nooit te beter wezen om onze vrienden, hun liefde kan ons geen vriendelijkheid bewijzen, noch zullen wij daar te erger wezen om onze vijanden, hun haat en nijd kunnen ons niet schaden. Daar houden de bozen op van beroering. De dingen, die ons nu zo aandoen en zo vervullen, waarover wij zo bezorgd zijn en die ons zo doen vrezen, zullen daar aan een einde wezen.
II. Laat ons de lieflijkheid van het leven smaken terwijl wij leven en blijmoedig ons deel nemen van de genietingen ervan. Salomo, zelf verstrikt geweest zijnde door het misbruik van zinnelijk genot, waarschuwt anderen voor het gevaar, niet door een algemeen en volstrekt verbod ervan, maar door ons leiding te geven in het sober en matig gebruik erven, wij mogen de wereld gebruiken, maar niet misbruiken nemen wat er uit te krijgen is, en niet meer verwachten.
Hier hebben wij:
A. De bijzondere voorbeelden van deze blijmoedigheid ons voorgeschreven: "Gij, die kwijnend en treurig zijt, ga henen, als een dwaas die gij zijt, en zie in een betere gemoedsstemming te komen."
a. Laat uw geest gerust en aangenaam zijn en laat dan blijdschap en een vrolijk hart binnen in u wezen," een goed hart, zo luidt het oorspronkelijke, hetgeen dit onderscheidt van vleselijke vrolijkheid en zinnelijk vermaak, die het boze zijn van het hart, beide een symptoom en een oorzaak van veel kwaad, dat daarin is". Wij moeten genieten van onszelf, genieten van onze vrienden, genieten van onze God, en zorgen een goede consciëntie te bewaren, opdat niets ons store in deze genietingen. Wij moeten God dienen met blijdschap in het gebruik van hetgeen Hij ons geeft, en vrijgevig zijn in het mededelen ervan aan anderen, en ons niet laten drukken door buitensporige zorg en smart over de wereld. Wij moeten ons brood eten als Israëlieten, niet in ons leed, Deuteronomium 26:14, als Christenen, met verheuging des harten, Handelingen 2:46. Zie Deuteronomium 28:47.
b. Maak gebruik van de gerieflijkheden en genietingen, die God u gegeven heeft, eet uw brood, drink uw wijn, die van u, niet die van een ander, niet het brood van de goddeloosheid en de wijn van geweld, maar het brood en de wijn, waaraan gij eerlijk gekomen zijt, want anders kunt gij het niet met genot eten, noch er zegen op verwachten, uw brood en de uwen, die in overeenstemming zijn met uw staat en toestand niet buitensporig daar boven, noch karig daar beneden, besteed wat God u gegeven heeft voor het doel, waartoe het u toevertrouwd werd, als zijnde slechts een rentmeester." c. Toon uw blijmoedigheid, vers 8 Laat uw kleren ten allen tijde wit zijn, gebruik evenredigheid in uw uitgaven, verminder uw voedsel niet ten einde aan uw hoogmoed te kunnen toegeven, noch uw kledij ten einde uw zucht naar wellust bot te vieren. "Wees netjes, draag schoon linnen en wees niet slordig." Of "Laat uw klederen wit zijn ten teken van vreugde en blijmoedigheid," dat uitgedrukt werd door witte kleren, Openbaring 3:4, en als nog een teken van blijdschap, laat op uw hoofd geen olie ontbreken, geen zalf, die er geschikt voor is." Onze Heiland heeft dit genot toegelaten bij een feestmaaltijd," Mattheus 26:7, en David merkt het op onder de gaven van Gods milddadigheid jegens hem, Psalm 23:5. Gij maakt mijn hoofd vet met olie. Niet, dat wij ons geluk moeten stellen in de genietingen van de zinnen, of er ons hart op moeten zetten, maar van hetgeen God ons gegeven heeft moeten wij een zo aangenaam gebruik maken als wij kunnen onder de beperkingen van soberheid en wijsheid, en de armen niet vergelen.
d. Maak uzelf aangenaam voor uw familie, geniet het leven met de vrouw, die gij liefhebt, houd uw genietingen niet voor uzelf alleen, zonder dat gij u bekommert om hen, die om u heen zijn, maar laat hen er met u in delen, maak het ook hun aangenaam. "Heb een vrouw, want zelfs in het paradijs was het voor de mens niet goed om alleen te zijn. Houd u aan uw vrouw, aan één en niet meer vrouwen." (Salomo had daar het kwaad van ontdekt) "houd u aan haar alleen, en heb niets te doen met anderen." Hoe kan een man blijmoedig leven met een vrouw, met wie hij niet trouw leeft? Heb uw vrouw lief, en met de vrouw, die gij liefhebt, zulk gij ook waarschijnlijk blijmoedig kunnen leven." Als wij de familieplicht betrachten, kunnen wij het aangename en lieflijke verwachten van familiebetrekkingen. Zie Spreuken 5:19. Leef met uw vrouw, verlustig u in haar gezelschap, leef blijmoedig met haar, en wees het vrolijkst als gij bij haar zijt. Vind behagen in uw gezin, uw wijnstok en uw olijfplanten.
B. De eigenschappen, die voor deze blijmoedigheid nodig zijn, "Verblijd u en heb een vrolijk hart, indien God thans een behagen heeft aan uw werken". Indien gij verzoend zijt met God en Hem zijt aanbevolen, dan hebt gij reden om blijmoedig te zijn, maar andere niet." Verblijd u niet, o Israël, tot opspringens toe, gelijk de volken, want gij hoereert van uw God af", Hosea 9:1. Onze eerste zorg moet wezen met God verzoend te zijn en Zijn gunst te verwerven, datgene te doen hetwelk Hem welbehaaglijk is, en dan: Ga heen, eet uw brood met vreugde. Zij, aan wier werken God een behagen heeft, hebben reden om blij te zijn en behoren het te wezen. "Nu gij het brood van uw offeranden eet met vreugde, en de wijn van uw dankoffers drinkt van goeder harte, nu heeft God een behagen aan uw werken, als uw godsverering geschiedt met heilige blijdschap, dan is zij God welbehaaglijk. Hij heeft het gaarne, dat Zijn dienstknechten zingen bij hun werk, dit maakt Hem bekend als een goede Meester.
C. De redenen hiervoor. "Geniet het leven, want,"
a. "Het is al weinig genoeg om uw doortocht door de wereld gemakkelijk en aangenaam te maken, de dagen van uw leven zijn de dagen van uw ijdelheid, er is hier niets anders dan moeite en teleurstelling, gij zult tijd genoeg hebben voor smart en leed, als gij er niets tegen doen kunt, en daarom: geniet het leven terwijl gij het kust en kwel u niet met gedachten en zorgen voor morgen, elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad, laat een Godvruchtige kalmte van gemoed een krachtig tegengif zijn tegen de ijdelheid van de wereld."
b. "Het is alles wat gij van deze wereld kunt verkrijgen, dat is uw deel in dit leven, in God en in een ander leven zult gij een beter deel hebben, en een beter loon voor uw arbeid in de godsdienst, meer voor de moeite, die gij u geeft voor de dingen onder de zon, is dit alles, dat gij kunt verwachten, en daarom, ontzeg u dit niet."
Laat ons ons toeleggen op de zaken van het leven, zolang het leven duurt en aldus de genietingen ervan gebruiken, om er door geschikt gemaakt te worden voor het werk erven. "Eet met vreugde en van goeder harte, niet opdat uw ziel rust zal nemen, zoals Lukas 12:19 maar opdat uw ziel zich zoveel te meer moeite zal geven, en de blijdschap des Heeren haar sterkte zal zijn, olie zal zijn voor haar raderen. Alles wat uw hand vindt om te doen, doe dat met uw macht, vers 10.
Merk hier op:
a. Er is niet alleen iets te verkrijgen, maar iets te doen in dit leven, en het voornaamste goed, waarnaar wij moeten vragen, is welk goed wij kunnen doen, Hoofdstuk 2:3. Dit is de wereld van dienen, de toekomende is de wereld van beloning, dit is de wereld van op de proefstelling en voorbereiding voor de eeuwigheid, wij zijn hier voor zaken en voor werk, en wij zijn verantwoordelijk gesteld voor ons goed gedrag erin.
b. De gelegenheid moet de plicht besturen en aanwakkeren, er moet gedaan worden wat onze hand vindt om te doen, waar de nood of de behoefte toe roept, en een vlijtige, werkzame hand zal altijd iets doen vinden, dat iets goeds teweegbrengt. Wat noodzakelijkerwijs gedaan moet worden, daar zal onze hand voor het doen ervan een prijs vinden, Spreuken 17:16.
c. Alle goed, waarvoor wij gelegenheid hebben om het te doen, moeten wij doen met onze macht, met zorg, met kracht en vastberadenheid, welke moeilijkheden er ons ook voor in de weg gelegd worden, en welke ontmoedigingen wij er ook bij ondervinden. De oogsttijd is een drukke tijd, en wij moeten hooien als de zon schijnt. God te dienen en onze zaligheid te werken, dat moet geschieden met al wat binnen in ons is, en dat al is nog weinig genoeg.
d. Er is een goede reden, waarom wij de werken moeten werken van degene die ons gezonden heeft, zolang het dag is, omdat de nacht komt, wanneer niemand werken kan. l Johannes 9:4. Wij moeten thans met alle naarstigheid bezig zijn en doende wezen, omdat onze tijd van doen weldra voorbij zal zijn, en wij weten niet hoe spoedig. Maar dit weten wij: zo ons levenswerk niet gedaan is als ons leven gedaan is, dan zijn wij voor eeuwig rampzalig. Er is geen werk, dat gedaan moet worden, noch verzinning om het te doen, noch wetenschap voor bespiegeling, noch wijsheid voor de praktijk in het graf, waar gij henengaat. Wij allen gaan naar het graf, iedere dag brengt ons een stap nader er toe, als wij in het graf zijn dan zal het te laat wezen om de dwalingen van het leven te herstellen, te laat voor berouw en bekering en om ons met God te verzoenen, te laat om iets weg te leggen voor het eeuwige leven, het moet nu of nooit worden gedaan. Het graf is een land van duisternis en stilzwijgen, en daarom kan daar niets gedaan worden voor onze ziel, dat moet nu of nooit gedaan worden, Johannes 12:35.