Prediker 1:9-11
Er zijn twee dingen, waarin wij geneigd zijn veel behagen in te scheppen en grote voldoening te vinden en er ons op te laten voorstaan met betrekking tot ons werk en onze genietingen in de wereld, alsof zij er toe konden bijdragen om aan de ijdelheid te ontkomen. Salomo toont ons hier onze vergissing in beide.
1. De nieuwheid van de uitvinding, dat het iets is, dat nooit tevoren bekend was. Hoe aangenaam is het te denken, dat nooit iemand zulke vorderingen gemaakt heeft in kennis als wij, en nooit tot zulke ontdekkingen is gekomen, dat nooit iemand zulke verbeteringen heeft aangebracht in een bezitting, of in het een of ander beroep of bedrijf, en de kunst verstond om er het gewin uit te halen, zoals wij die kunst verstonden! Op hetgeen zij bedachten en tot stand brachten wordt met de grootste minachting neergezien, en wij roemen op nieuwe modes nieuwe hypothesen, nieuwe methodes, nieuwe uitdrukkingen, die de oude verdringen en ter neerwerpen, maar dit alles is een vergissing: Hetgeen er geweest is, hetzelfde zal er zijn en hetgeen er gedaan is, hetzelfde zal er gedaan worden, want er is niets nieuws onder de zon vers 9. Dit wordt herhaald bij wijze van vraag in vers 10. Is er enig ding, waarvan men met verwondering zou kunnen zeggen: Zie dat, het is nieuw, nooit is er iets dergelijks geweest? Het is een beroep op waarnemende mensen en een uitdaging aan hen, die de hedendaagse geleerdheid verheffen boven die van de ouden. Laat hen iets noemen, dat zij voor nieuw houden dan kunnen wij misschien wel niet bewijzen dat het niet nieuw is, omdat ons de berichten uit vroegere tijden ontbreken, maar toch hebben wij reden om tot de gevolgtrekking te komen dat het reeds geweest is in de eeuwen, die voor ons geweest zijn. Wat is er in het rijk van de natuur, waarvan wij kunnen zeggen: Dit is nieuw? Zijn werken waren volbracht van de grondlegging van de wereld af, Hebreeën 4:3. Dingen die ons, evenals aan kinderen, nieuw toeschijnen zijn dit niet in zichzelf. De hemel was van ouds, de aarde staat in eeuwigheid, de krachten van de natuur en de schakels van natuurlijke oorzaken zijn nog dezelfde, die zij altijd geweest zijn. In het rijk van de voorzienigheid gaan de loop en de methode wel niet naar zulke bekende en vaste regelen als in het rijk van de natuur, en zij volgen ook niet altijd hetzelfde spoor, maar over het algemeen is het toch telkens weer hetzelfde, het hart van de mensen en de verdorvenheid ervan zijn nog dezelfde, hun begeerten, hun streven en hun krachten zijn nog dezelfde, en wat God doet in Zijn handelingen met de mensen is overeenkomstig de Schrift overeenkomstig de wijze, en dat is altijd door herhaling. Wat verrassend of verwonderlijk voor ons is, behoeft dit niet te wezen, want hetzelfde is er al geweest, dezelfde vreemde bevorderingen en teleurstellingen, dezelfde vreemde revoluties en plotselinge wendingen, de ellende, de rampen van het menselijk leven zijn altijd tamelijk dezelfde geweest, en het mensdom doorloopt een bestendige kring, en, evenals de zon en de wind, zijn zij waar zij waren.
Het doel nu hiervan is:
A. De dwaasheid aan te tonen van de kinderen van de mensen in hun liefde voor hetgeen nieuw is, in hun welbehagen er in en hun roemen erop. Wij zijn licht geneigd een afkeer te hebben van oude dingen, hetgeen, waaraan wij lang gewoon waren, moede te worden, zoals Israël het manna zat werd, en met de Atheners te begeren iets nieuws te vertellen en te horen dit en dat te bewonderen omdat het nieuw is terwijl het toch geheel en al is wat geweest is. Toen Tatianus, de Assyriër, aan de Grieken toonde hoe alle kunsten, op welke zij zich zo lieten voorstaan, hun oorsprong verschuldigd waren aan de volken, die zij voor barbaren hielden, heeft hij hen volgenderwijs terecht gewezen: "Schaamt u deze dingen nieuwe uitvindingen te noemen, die slechts nabootsingen zijn."
B. Er ons van af te brengen om geluk en voldoening in het schepsel te verwachten. Waarom zouden we verwachten het daar te vinden waar nog nooit iemand het gevonden heeft? Welke reden hebben wij om te denken dat de wereld vriendelijker zal zijn voor ons dan voor hen, die ons voorgegaan zijn, daar er toch niets nieuws in is, en onze voorgangers er zoveel van gemaakt hebben als er van te maken was? uw vaders hebben het manna gegeten en zij zijn gestorven, Johannes 6:49.
C. Om ons op te wekken om ons van geestelijke en eeuwige zegeningen te verzekeren. Als wij onthaald willen worden op nieuwe dingen dan moeten wij ons bekend maken met de dingen Gods, dan moeten wij een nieuwe natuur verkrijgen, dan is het oude voorbijgegaan, het is alles nieuw geworden, 2 Corinthiers 5:17. Het evangelie geeft een nieuw lied in onze mond. In de hemel is alles nieuw, Openbaring 21:5, alles nieuw, geheel ongelijk aan de tegenwoordige staat van zaken, in waarheid een nieuwe wereld Lukas 20:35, en alles nieuw tot in eeuwigheid altijd fris, altijd bloeiend. Deze gedachte moet ons gewillig maken om te sterven, dat er in deze wereld niets anders dan telkens hetzelfde is, en dat wij er niets meer en niets betere van kunnen verwachten, dan wij gehad hebben.
2. Het gedenkwaardige van de daad, er zal in latere tijden van gesproken worden. Velen denken dat zij er voldoening genoeg in zullen vinden, dat hun naam vereeuwigd zal worden, dat het nageslacht hun daden zal roemen en met bewondering zal spreken van de eer, die zij hebben behaald, en de bezittingen, die zij zich verkregen hebben, dat hun huizen zullen bestaan tot in eeuwigheid, Psalm 49:12, maar hierin bedriegen zij zich. Hoeveel vroegere dingen en personen waren er niet, die in hun tijd een zeer groot aanzien hadden, en toch is er geen gedachtenis van, zij zijn in vergetelheid begraven! Hier en daar heeft een merkwaardig persoon of een gedenkwaardige daad een vriendelijke geschiedschrijver gevonden, en dus het geluk om te worden vermeld, terwijl er in dezelfde tijd anderen waren, niet minder merkwaardig, die stilzwijgend voorbijgegaan werden, en daarom kunnen wij tot de slotsom komen dat er van de navolgende dingen, die zijn zullen geen gedachtenis zal zijn, maar dat hetgeen wij hopen in gedachtenis te zullen blijven, of verloren zal gaan, of met minachting voorbij gezien zal worden.