Deuteronomium 15:1-11
I. Hier is een wet voor vrijlating van arme schuldenaars, die (naar wij kunnen veronderstellen) onvermogend waren om te betalen. Ieder zevende jaar was een jaar van vrijlating, waarin de grond rustte van bebouwd te worden, dienstknechten ontslagen werden, en onder andere daden van barmhartigheid was dit er éne, dat zij, die geld geleend hadden en tevoren niet bij machte zijn geweest om het terug te betalen, in dit jaar er vrijgesteld van zullen worden, en hoewel hun geweten het hun als plicht stelde om het later te betalen, zo zij konden kon toch de schuldeiser het niet door de wet terugkrijgen. Veel goede schriftverklaarders zijn van mening dat de wet alleen verbood om in het jaar van de vrijlating betaling te vorderen, omdat er in dit jaar geen oogst zijnde, het niet te verwachten was dat de mensen dan hun schulden zouden betalen, maar dat zij later langs wettelijke weg opgevorderd konden worden, zodat de vrijlating de schuld niet tenietdeed, maar alleen uitstel van betaling verleende. Anderen geloven echter dat de schuld voor altijd kwijtgescholden werd (en dat komt mij waarschijnlijker voor) maar onder zekere beperkingen, genoemd of stilzwijgend in de zaak begrepen. Er wordt verondersteld dat de schuldenaar een Israëliet is, vers 3, en dat hij arm is, vers 4, dat hij geen geld leende om er handel mee te drijven of om een aankoop te doen, maar tot onderhoud van zijn gezin, en dat hij het nu niet terug kon betalen zonder geheel en al tot armoede te vervallen en in de noodzakelijkheid te komen van hulp te zoeken. in andere landen, hetgeen een verzoeking voor hem kon zijn om van God af te vallen. De wet gebiedt niet dat de schuldeiser de schuld niet zal ontvangen, indien de schuldenaar of zijn vrienden haar kunnen betalen, maar dat hij haar niet door een proces mag opeisen. De redenen voor deze wet zijn:
1. Eer te leggen op het sabbatjaar, omdat men de Heere een vrijlating heeft uitgeroepen, vers 2. Het was Gods jaar voor hun land, zoals de wekelijkse sabbat Gods dag was voor henzelf, hun dienstknechten en dienstmaagden en hun vee, en evenals door het rusten van hun grond, zo wilde God ook door het vrijlaten van schulden, hen leren op Zijn voorzienigheid te steunen. Dit jaar van de vrijlating was een type van de genade van het Evangelie, waarin het welaangename jaar des Heeren wordt uitgeroepen, en door welke wij de kwijtschelding verlangen van onze schulden, dat is de vergeving van onze zonden, en ons geleerd wordt onrecht en beledigingen te vergeven, gelijk wij hopen vergeving van God te zullen verkrijgen.
2. Het was om te voorkomen dat een Israëliet tot de uiterste armoede zou vervallen, aldus luidt de kanttekening op vers 4 :opdat er geen armoede onder u zij, geen ellendige armen, geen personen, die schandelijk arm zijn tot smaad van hun volk en Godsdienst, waarvan zij de eer behoren op te houden.
3. Gods borgstelling wordt hier gegeven door een Goddelijke belofte, dat wat zij ook door arme schuldenaars mogen verliezen hun vergoed zal worden door de zegen van God op alles wat zij deden en hadden, vers 4-6. Laat hen zorgen hun plicht te doen, dan zal God hen met zo grote voorspoed zegenen dat zij, hetgeen zij door kwade schulden, die zij edelmoediglijk kwijtschelden verliezen niet uit hun voorraad bij het einde van het jaar zullen missen. Het is niet slechts: de Heere zal u zegenen, vers 4, maar de Heere zegent u, vers 6. Het is volstrekt onverschoonbaar als wij hoewel God ons overvloed heeft gegeven, zodat wij niet alleen genoeg maar overvloed hebben, streng en hard zijn in onze eisen aan onze arme broeders, want uit onze overvloed behoort in hun nooddruft voorzien te worden, zodat er tenminste niet zulk een ongelijkheid is als tussen twee uitersten, 2 Corinthiërs 8:14. Zij moeten ook in aanmerking nemen dat hun land Gods gave aan hen was, dat al hun inkomsten de vrucht zijn van (Gods zegen over hen, en dat zij dus tegenover Hem gehouden en verplicht waren om hun bezittingen te gebruiken en er over te beschikken zoals Hij het hun zegt en beveelt.
Eindelijk. Indien zij de kleine sommen, die zij hun arme broeders hadden geleend, willen kwijtschelden, dan is hun beloofd dat zij instaat zullen zijn grote sommen te lenen aan hun rijke naburen, aan vele volken, vers 6, en dat zij door die leringen verrijkt zullen worden. Zo zullen hun de volken worden onderworpen, van hen afhankelijk worden, zoals de ontlener des leners knecht is, Spreuken 22:7. Om te kunnen lenen en niet nodig te hebben om te lenen, moeten wij als een grote zegen, een groot voorrecht beschouwen, en als een goede reden, waarom wij goed moeten doen met hetgeen wij hebben, opdat wij God er niet toe brengen om ons te ontnemen wat wij hebben.
II. Hier is een wet ten gunste van armen die ontlenen, om te voorkomen dat zij door de vorige wet schade ondervinden. Men zou allicht geneigd zijn aldus te redeneren: Indien de zaak zo staat tussen een man en zijn schuldenaar dat zo de schuld niet betaald is vóór het jubeljaar zij niet meer invorderbaar is en dus als verloren moet worden beschouwd dan is het beter om maar niet te lenen. "Neen", zegt nu dit artikel van de wet, "zulk een gedachte moet niet bij u opkomen."
1. Het wordt als vaststaand aangenomen, dat er armen onder hen zullen zijn, die het nodig zullen hebben te lenen, vers 7, en dat zulke voorwerpen van barmhartigheid nooit zullen ophouden onder hen, vers 11. De arme zal niet ophouden uit het midden des lands, hoewel zij niet tot de alleruiterste armoede zullen vervallen zullen er toch altijd de zodanigen zijn, die achteruit zijn gegaan, en het nodig zullen hebben te lenen. Van zulke armen spreekt hij hier en de zodanigen hebben wij altijd met ons, zodat een barmhartige gezindheid spoedig in de gelegenheid kan komen om zich in daden van barmhartigheid te uiten.
2. In zo'n geval wordt ons hier geboden te lenen of te geven naar wij er toe instaat zijn en de nood het vereist. Gij zult uw hart niet verharden, noch uw hand toesluiten, vers 7. Is de hand toegesloten, dan is dit een bewijs dat het hart verhard is, want als de wolken vol zijn van regen, dan ontledigen zij zich, Prediker 11:3. Ingewanden van barmhartigheid zullen milde uitdelingen teweegbrengen, Jakobus 2:16. Gij zult niet slechts uw hand tot hem uitstrekken om hem iets toe te reiken, maar gij zult hem uw hand mild opendoen, en zult hem rijkelijk lenen, genoeg voor zijn gebrek, dat hem ontbreekt, vers 8. Soms is er evenveel barmhartigheid in verstandig lenen als in geven, daar het de ontlener verplicht tot vlijt en eerlijkheid, en hem op de weg kan brengen om zichzelf te helpen. Soms zijn wij in verzoeking te denken dat, als zich een voorwerp van barmhartigheid aan ons voordoet, het aan ons staat, of wij hem iets zullen geven of niets zullen geven, weinig of veel, terwijl hier het uitdrukkelijk bevel luidt, vers 11, Ik gebied u, niet slechts te geven, maar uw hand mild open te doen, mild te geven.
3. Hier is een "Wacht u" tegen de tegenwerping, die kan opkomen tegen het liefdadig lenen naar aanleiding van de wet op het vrijlaten van schulden, vers 9. Wacht u dat in uw hart geen Belialswoord zij om te zeggen: Het zevende jaar, het jaar van de vrijlating naakt, en daarom zal ik niet lenen wat ik zeker zal verliezen, opdat uw broeder, aan wie gij weigert te lenen, niet over u roepe tot de Heere, en het zonde in u zij.
De wet is geestelijk, en legt beslag op de gedachten van het hart. Wij dwalen als wij menen, dat gedachten vrij zijn van de kennisneming en het bedwang Gods. Het is voorwaar wel een boos hart, dat boze gedachten koestert naar aanleiding van de goede wet Gods, zoals het hart van hen, die, omdat God hun de plicht van de barmhartigheid had opgelegd om te vergeven, de barmhartigheid weigerde van te geven. Wij moeten zorgvuldig waken tegen al die verborgen bedenkselen, die ons zouden doen afiaten van onze plicht, of er ons in zouden ontmoedigen. Zij, die voor de daad van de zonde bewaard willen blijven, moeten ook de gedachte van de zonde uit hun hart weren. Als wij gelegenheid hebben om in barmhartigheid te lenen, en wij kunnen de ontlener niet vertrouwen, dan moeten wij op God vertrouwen en lenen, hopende op niets in deze wereld maar verwachtende dat het in de opstanding van de rechtvaardigen vergolden zal worden, Lukas 6:35, 14:14. Het, is ontzettend om het geroep van de armen tegen ons te hebben, want Gods oor is open voor dat geroep, en in mededogen met hen zal Hij gewis afrekenen met degenen, die hard met hen handelen. Hetgeen wij denken onze wijsheid te zijn, blijkt dikwijls onze zonde te wezen, hij, die weigerde te lenen, omdat het jaar van de vrijlating nabij was, dacht dat hij wijs heeft gehandeld, en dat de mensen hem zullen loven, omdat hij zichzelf goed doet, Psalm 49:19. Maar hier wordt hem gezegd, dat hij goddelooslijk heeft gedaan, en dat God hem zal veroordelen als kwaad doende aan zijn broeder, en wij zijn er zeker van, dat Gods oordeel naar waarheid is, en dat wat Hij zegt zonde in ons te zijn gewis ons verderf zal wezen, als wij er ons niet van bekeren.
4. Hier is een gebod om al wat wij in liefdadigheid geven blijmoedig te geven, vers 10. "Uw hart zal niet verdrietig zijn als gij hem geeft. Scheidt niet met weerzin van uw geld voor zo goed een zaak, en denk niet dat het verloren is. Bewijst uw broeder niet mettegenzin een vriendelijkheid, en wantrouwt Gods voorzienigheid niet, alsof gij, wat gij in liefdadigheid geeft, zelf nodig zult hebben, integendeel laat het u een genot en zielsverlustiging ziln te denken, dat gij met hetgeen gij hebt God eert, goed doet, uw broeder het leven aangenaam maakt, en uzelf een schat oplegt voor het toekomende leven. Wat gij doet moet gij gaarne en gewillig doen, want God heeft een blijmoedige gever lief," 2 Corinthiërs 9:7.
5. Hier is een belofte van een beloning in dit leven: Ter wille van deze zaak zal u de Heere, uw God, zegenen in al uw werk, en in alles waaraan gij uw hand slaat. Gierige mensen zeggen: Geven ruineert ons", neen, het blijmoedig geven in liefdadigheid zal ons verrijken, de schuren zullen er met overvloed door vervuld worden, Spreuken 3:10, en de ziel met ware vertroosting, Jeremia 58:10, 11.